Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3439

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
200.181.748/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervanging van de gecertificeerde instelling zonder dat daaraan een schriftelijk verzoek ten grondslag ligt. Doorbreking appèlgronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.181.748/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, 110896)

beschikking van de familiekamer van 26 april 2016

inzake

Stichting Jeugdbescherming Noord / Drenthe,

gecertificeerde instelling,
kantoorhoudende te Assen,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] , gemeente Coevorden,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. T. Meier te Meppel.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [B] , gemeente Coevorden,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. W.M. Bierens te Assen,

en

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

gecertificeerde instelling,
kantoorhoudende te Groningen,

verder te noemen: LJ&R.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 9 september 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties van de GI, ingekomen op 11 november 2015;

- het verweerschrift van de moeder, ingekomen op 15 januari 2016;

- het verweerschrift van de vader, ingekomen op 15 januari 2016;
- een journaalbericht van mr. Meier van 17 maart 2016 met producties.

2.2

Bij brieven van respectievelijk 14 december 2015 en 29 januari 2016 heeft de Raad voor de Kinderbescherming, desgevraagd, medegedeeld geen recente bemoeienis te hebben gehad met de zaak en niet te beschikken over nadere adviezen en/of rapporten.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 1 april 2016 plaatsgevonden. Verschenen zijn
mevrouw [C] en mevrouw [D] namens de GI, de moeder en haar advocaat, de vader en zijn advocaat en namens LJ&R mevrouw [E] .

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren te
[F] [in] 2006 (verder te noemen: [de minderjarige] ), over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. [de minderjarige] woont sinds 1 juni 2012 bij haar vader.

3.2

Bij beschikking van 19 juli 2012 heeft de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe, thans de GI. Voorts heeft de kinderrechter daarbij machtiging verleend [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader. Deze ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing zijn vervolgens definitief verleend en nadien verlengd.

3.3

In de hier bestreden beschikking heeft de kinderrechter - uitvoerbaar bij voorraad - de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de met het gezag belaste vader laatstelijk verlengd tot 12 september 2016. Voorts heeft de kinderrechter daarbij de GI vervangen door LJ&R op de voet van artikel 1:259 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4
4. De omvang van het geschil

4.1

De GI is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking voor zover zij daarbij is vervangen door LJ&R. Zij verzoekt het hof die beschikking, in zoverre, te vernietigen en de desbetreffende vervanging ongedaan te maken met handhaving van de beschikking voor het overige. De vader is het eens met het verzoek van de GI.

4.2

De moeder heeft het verzoek van de GI in hoger beroep bestreden en primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de GI in haar hoger beroep en subsidiair tot bekrachtiging van de bestreden beschikking met veroordeling van de GI in de kosten van het hoger beroep.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:259 BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling, op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, de raad voor de kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder.

5.2

Op grond van artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen een beschikking ingevolge artikel 1:259 BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.

5.3

Volgens vaste rechtspraak is ondanks zo'n appelverbod hoger beroep mogelijk onder meer indien erover wordt geklaagd dat de rechter in eerste aanleg met zijn beslissing het artikel ten onrechte dan wel met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast. Het hof is in dit verband met de GI van oordeel dat die situatie zich hier voordoet. Aan de beslissing van de kinderrechter om de GI te vervangen door LJ&R ligt immers geen schriftelijk verzoek als voorgeschreven in artikel 1:265k BW ten grondslag en de wettelijke regeling voorziet niet in de mogelijkheid van een ambtshalve beslissing op dit punt.

5.4

De moeder heeft in dit verband gewezen op het verhandelde ter zitting in eerste aanleg en de op die zitting door mr. Meier overgelegde pleitnota. Het hof is evenwel van oordeel dat noch het proces-verbaal van die zitting, noch genoemde pleitnota een schriftelijk verzoek vermeldt of bevat dat wat zijn inhoud betreft voldoet aan de daaraan in onder meer het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gestelde eisen. Voor zover het de bedoeling van de moeder is geweest alsnog in hoger beroep te verzoeken om vervanging van de GI, staat artikel 362 Rv dat niet toe en dient zij in dat verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5.5

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van de GI slaagt en de bestreden beschikking niet in stand kan blijven voor zover het de beslissing om de GI te vervangen door LJ&R betreft. Dat betekent dat achteraf bezien de GI steeds de instelling is gebleven die is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] .

6 De slotsom

6.1

Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover aan dit hoger beroep onderworpen.

6.2

Het hof zal de kosten van de procedure in hoger beroep compenseren, nu het gaat om de belangen van een minderjarige.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk voor zover haar verzoek in hoger beroep aldus moet worden verstaan dat zij verzoekt om de GI te vervangen door LJ&R;

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 9 september 2015 voor zover daarin de GI is vervangen door LJ&R;

compenseert de proceskosten in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.F. Keulen, mr. G. Jonkman en mr. M.P. den Hollander en is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2016 in bijzijn van de griffier.