Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3347

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
200.177.868/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meerwerk niet toewijsbaar omdat niet is voldaan aan de eisen van artikel 7:755 BW. Ook niet met een beroep op ongerechtvaardigde verrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.177.868/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 457740\ CV EXPL 10-9723)

arrest van 26 april 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in oppositie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. P. van Wijngaarden, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde/bedrijf] , mede handelend onder de naam [geïntimeerde mede h.o.d.n. ] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in oppositie,

hierna: [geïntimeerde/bedrijf],

advocaat: mr. A.A. Bos, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 27 januari 2010 (verstek) en, na verzet: 26 januari 2011, 25 mei 2011 en 21 september 2011 van de (voormalige) rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 20 december 2011,

- het arrest van 28 februari 2012 waarbij een comparitie van partijen is bevolen, die echter in verband met een onttrekking procesadvocaat niet heeft plaatsgevonden,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] , zoals geformuleerd in de memorie van grieven, luidt:

"de vonnissen van de Rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen d.d. 25 mei 2011, 26 januari 2011 en 21 september 2011, zaak/rolnummer 457740 CV EXPL 10-9723 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van geïntimeerde af te wijzen en tevens geïntimeerde te veroordelen om aan appellant terug te betalen al hetgeen door appellant aan geïntimeerde is voldaan uit hoofde van voornoemde vonnissen en met veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties, met bepaling dat over de proceskosten wettelijke rente is verschuldigd en indien deze niet binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen eindarrest zijn betaald."

Het hof gaat er daarbij van uit dat de in de appeldagvaarding gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad ten aanzien van dat deel van de eis wordt gehandhaafd (hoewel niet herhaald in het petitum van de memorie van grieven).

3 Procespartijen

3.1

In eerste aanleg is gedagvaard door [geïntimeerde/bedrijf] In de koppen van de door beide partijen in eerste aanleg genomen processtukken wordt ook die naam genoemd, evenals in het verstekvonnis van 27 januari 2010. Echter in de vonnissen van

26 januari 2011 en 25 mei 2011 wordt gesproken over [andere naam bedrijf] Bij gebrek aan enige toelichting, beschouwt het hof dit als kennelijke verschrijving. In het appelexploot is (dan ook) weer [geïntimeerde/bedrijf] gedagvaard. Deze partij is verschenen en heeft een memorie van antwoord genomen. De aanduiding [andere naam bedrijf] in de kop van de memorie van grieven beschouwt het hof (dan ook) als kennelijke verschrijving.

4 De vaststaande feiten

4.1

Als gesteld en niet weersproken staan de volgende feiten tussen partijen vast

4.2

[geïntimeerde/bedrijf] heeft [appellant] op 29 november 2006 een offerte (productie 1 inleidende dagvaarding) toegezonden voor het verrichten van bouwkundige werkzaamheden aan zijn pand voor een bedrag van € 1.639,82 (inclusief btw) en buitenschilderwerk voor een bedrag van € 6.515,40 (inclusief btw). De inhoud van de offerte is door [appellant] akkoord bevonden en de offerte is door hem ondertekend.

4.3

[geïntimeerde/bedrijf] heeft werkzaamheden aan het pand van [appellant] uitgevoerd.

4.4

Op 8 juni 2007 heeft [geïntimeerde/bedrijf] [appellant] een factuur (productie 4 conclusie van antwoord in oppositie) voor het buitenschilderwerk ad € 6.515,40 toegezonden. Deze factuur is door [appellant] ontvangen en betaald. Op de factuur staat vermeld dat de afrekening voor de bouwkundige werkzaamheden en het meerwerk nog zal volgen.

4.5

Op 23 december 2008 (productie 2 inleidende dagvaarding) heeft [geïntimeerde/bedrijf] aan [appellant] een factuur voor de bouwkundige werkzaamheden en meerwerk toezonden. De bouwkundige werkzaamheden zijn conform de offerte in rekening gebracht voor € 1.639,82 (inclusief btw). Daarnaast zijn extra werkzaamheden ter hoogte van een bedrag van € 2.840,08 exclusief btw (€ 3.379,70 inclusief btw) in rekening gebracht. In totaal bedraagt de factuur € 5.019,52.

4.6

Ter zake van deze factuur van 23 december 2008 heeft [appellant] op 27-10-2009 € 639,82 betaald en op 23-12-2009 (na de dagvaarding in eerste aanleg) € 1.000,-. Daarmee zijn de bouwkundige werkzaamheden betaald. Er resteert een bedrag van € 3.379,70 inclusief btw voor de ‘extra werkzaamheden’.

5 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

[geïntimeerde/bedrijf] heeft [appellant] gedagvaard en betaling gevorderd van de onder 4.5 genoemde factuur ad € 5.019,52, vermeerderd met rente en kosten en verminderd met het betaalde bedrag van € 639,82, met dien verstande dat zij de vordering heeft beperkt tot € 5.000,-. Vervolgens heeft zij (na de betaling van € 1.000,-) haar eis verminderd tot € 4.000.-, vermeerderd met rente en kosten. Deze vordering is bij verstekvonnis van 27 januari 2010 toegewezen.

Vervolgens heeft [appellant] verzet ingesteld. Bij vonnis van 26 januari 2011 heeft de kantonrechter [geïntimeerde/bedrijf] toegelaten te bewijzen dat zij de extra werkzaamheden in opdracht van [appellant] heeft verricht. Bij vonnis van 25 mei 2011 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde/bedrijf] het bewijs niet heeft bijgebracht en heeft hij een comparitie van partijen bevolen teneinde met partijen van gedachten te wisselen over de vraag of [appellant] door de extra werkzaamheden ongerechtvaardigd is verrijkt en een schikking te beproeven. Bij vonnis van 21 september 2011 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] tot een bedrag van € 814,20 ongerechtvaardigd is verrijkt en heeft hij, onder vernietiging van het verstekvonnis, dit bedrag vermeerderd met wettelijke rente toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de verstekprocedure en compensatie van de kosten van de verzetprocedure, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De bespreking van de grieven

6.1

Tegen het vonnis van 25 mei 2011 zijn geen grieven gericht, zodat dit vonnis zal worden bekrachtigd.

6.2

De grieven strekken ten betoge dat:

  • -

    er geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking omdat in plaats van het oorspronkelijk overeengekomen bouwkundige werk en het schilderen van de trappen (waarvoor is betaald) het onderhavige werk is uitgevoerd dat als meerwerk wordt gepresenteerd (grieven I en IV);

  • -

    er voorts geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking omdat geen opdracht is gegeven voor deze werkzaamheden en deze ook niet ongedaan kunnen worden gemaakt (grief II);

  • -

    de oorspronkelijk overeengekomen bouwkundige werkzaamheden niet zijn uitgevoerd, zodat [appellant] ter zake onverschuldigd heeft betaald en hij zich ter zake van de verbintenis tot terugbetaling daarvan op verrekening kan beroepen (grief IV);

  • -

    van het meerwerk een bedrag van € 127,93 in ieder geval wordt betwist (grief III);

  • -

    [appellant] ten onrechte is veroordeeld tot betaling van de kosten van de verstekprocedure (grief V).

6.3

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. [geïntimeerde/bedrijf] heeft in eerste aanleg uitdrukkelijk aangegeven dat zij niet kan bewijzen dat [appellant] opdracht heeft gegeven voor de gestelde meerwerkzaamheden (akte uitlating 16 maart 2011). Thans doet [geïntimeerde/bedrijf] een bewijsaanbod (memorie van antwoord 40). Zij verwijst daartoe in de eerste plaats naar de overgelegde schriftelijke stukken en naar “overige bewijsmiddelen”. Het hof is echter van oordeel dat de overgelegde stukken niet bewijzen dat opdracht tot meerwerk is gegeven door [appellant] . Eventuele overige schriftelijke stukken had [geïntimeerde/bedrijf] reeds in het geding behoren te brengen. Het hof is niet gehouden [geïntimeerde/bedrijf] daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen. In de tweede plaats biedt [geïntimeerde/bedrijf] bewijs aan door middel van getuigen en deskundigen. Maar zij geeft niet aan of dit aanbod nu betrekking heeft op het meerwerk (en hoe en wanneer dat dan is opgedragen) dan wel het oorspronkelijke werk, dat door [appellant] in hoger beroep eveneens ter discussie is gesteld (grieven I en IV). Ook worden geen namen van getuigen genoemd. Aldus is dit bewijsaanbod onvoldoende concreet en specifiek is. Doch bovendien is het niet ter zake dienende. [geïntimeerde/bedrijf] stelt namelijk niet tevens (en biedt niet te bewijzen aan) dat zij [appellant] tijdig heeft gewezen op de noodzaak van de uit het meerwerk voortvloeiende prijsverhoging, dan wel dat [appellant] die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen (artikel 7:755 BW). Daarmee is niet voldaan aan de vereisten om (op de primaire grondslag) betaling van meerwerk te kunnen vorderen.

6.4

In beginsel is denkbaar dat dan toch (een deel van) het meerwerk moet worden betaald uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking. Op deze subsidiaire grondslag heeft [geïntimeerde/bedrijf] zich in hoger beroep (alsnog) beroepen. Naar het oordeel van het hof dient hier evenwel terughoudend mee te worden omgegaan, omdat anders de wettelijke eisen voor de verschuldigdheid van meerwerk worden uitgehold. In het onderhavige geval zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende bijzondere feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die de conclusie kunnen wettigen dat, in het hier aan te nemen geval dat [appellant] niet is gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging en hij die ook niet hoefde te begrijpen, zijn eventuele verrijking dan ongerechtvaardigd is te achten. Daarmee slaagt grief II.

6.5

Bij de bespreking van de grieven I, III en IV bestaat daarnaast geen belang.

Grief V slaagt: [geïntimeerde/bedrijf] zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg.

7 De slotsom

Het vonnis van 21 september 2011 zal worden vernietigd, alsmede het vonnis van

26 januari 2011 voor zover dit tussenvonnis aan genoemd eindvonnis heeft bijgedragen. [geïntimeerde/bedrijf] zal als de in beide instanties in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten, met dien verstande dat de kosten van het verzetexploot voor rekening van [appellant] blijven. De proceskosten worden tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op

In eerste aanleg: nihil aan verschotten en € 700,- aan salaris gemachtigde (3,5 punten, tarief € 200,-),

In hoger beroep: € 358,38 aan verschotten en € 632,- aan geliquideerd salaris van de advocaat (1 punt in tarief I),

vermeerderd met de wettelijke rente, als gevorderd en niet weersproken.

De restitutievordering zal als niet weersproken eveneens worden toegewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het tussenvonnis van de (voormalige) rechtbank Groningen van 25 mei 2011;

vernietigt het eindvonnis van 21 september 2011 van de (voormalige) rechtbank Groningen, alsmede het tussenvonnis van 26 januari 2011 van deze rechtbank voor zover dit tussenvonnis aan genoemd eindvonnis heeft bijgedragen, en opnieuw rechtdoende:

vernietigt het verstekvonnis van de (voormalige) rechtbank Groningen van 27 januari 2010;

wijst de vorderingen van [geïntimeerde/bedrijf] af;

veroordeelt [geïntimeerde/bedrijf] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] op:

in eerste aanleg: nihil aan verschotten en € 700,- aan salaris gemachtigde,

in hoger beroep: € 358,38 aan verschotten en € 632,- aan geliquideerd salaris van de advocaat.

een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit arrest tot aan de voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde/bedrijf] tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] uit hoofde van de vernietigde vonnissen aan haar heeft voldaan;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de proceskostenveroordeling.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. G. van Rijssen en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

26 april 2016.