Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3343

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
200.171.502/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

KG uitzetting van gezin door buurtstichting naar aanleiding van uit de hand gelopen buurtconflict, waarbij drie families zijn betrokken. Betekenis van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting; stelplicht bewoners, die elke betrokkenheid ontkennen; belangenafweging, mede gelet op medische problemen zoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2016/128 met annotatie van mr. C.L.J.M. de Waal
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.171.502/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3356535 CV 14-6504)

arrest van 26 april 2016

in de zaak van

1 [appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [appellant],

2. [appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [appellante],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse, kantoorhoudend te Deventer,

tegen

Woonstichting de Marken,

gevestigd te Schalkhaar,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: De Marken,

advocaat: mr. M.J.H. Mühlstaff, kantoorhoudend te Deventer.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 februari 2016 hier over. Hierna heeft een comparitie van partijen plaatsgehad. Vervolgens heeft het hof op basis van het zittingsdossier arrest bepaald.

2 De feiten

2.1

[appellanten] betwisten onder meer met hun grieven I tot en met VI de juistheid van enkele van de door de rechtbank als vaststaand aangenomen feiten. De volgende van deze grieven lenen zich voor inhoudelijke behandeling.

2.2

Met grief II komen [appellanten] op tegen de overweging van de kantonrechter dat de spanningen in de buurt onder meer zijn veroorzaakt doordat kinderen van bewoners andere kinderen pesten. [appellanten] voeren aan dat hun kinderen zich daar nooit schuldig aan hebben gemaakt. Met deze grief miskennen zij dat de kantonrechter niet als vaststaand heeft aangenomen dat hun kinderen andere kinderen hebben gepest, maar slechts in algemene termen heeft vastgesteld dat sprake is van pesterijen - iets waar [appellanten] zelf ook van uitgaan. Daarop strandt de grief.

2.3

Met grief IV wordt bestreden dat [appellanten] niet aan bemiddeling hebben willen meewerken. Deze grief berust op onjuiste lezing van het bestreden vonnis: de kantonrechter heeft bij de weergave van de vaststaande feiten onder 3.6 slechts geconstateerd dat Buurtbemiddeling tot die conclusie is gekomen. Het hof constateert zelf - en zal hierna als vaststaand aannemen - dat [appellanten] in ieder geval niet bereid is geweest tot het voeren van enig overleg met Buurtbemiddeling zonder daar zelf voorwaarden aan te verbinden.

2.4

Grief V bevat de klacht tegen de overweging van de kantonrechter dat als vaststaand kan worden aangenomen dat in de periode april tot en met september 2013 negen meldingen of aangiftes zijn ontvangen tegen het gezin van [appellanten] . Deze grief bevat geen gemotiveerde klacht tegen de desbetreffende stukken, en faalt om die reden. Het belang van die constatering zal hierna bij rechtsoverweging 4.7 en verder blijken.

2.5

Ook met de grieven I, III en VI wordt de juistheid van enkele door de kantonrechter vastgestelde feiten bestreden. Daarmee rekening houdend, en mede gelet op wat in hoger beroep is komen vast te staan, kan in dit hoger beroep van het volgende worden uitgegaan.

2.5.1

De Marken, een toegelaten instelling zoals bedoeld in artikel 19 van de Woningwet, is eigenaar en verhuurder van onder meer de woningen aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] , gelegen in de [buurt] in de wijk [naam wijk] van de gemeente [gemeente] .

2.5.2

De woning aan [adres 1] is vanaf 7 september 2012 verhuurd aan [appellanten] . [adres 2] is sinds juli 2009 verhuurd aan de familie [X] . Een zekere [Y] bewoont vanaf februari 2001 [adres 3] .

2.5.3

Sinds medio 2013 of zelfs al sinds 2009 bestaan spanningen tussen verschillende bewoners van de [buurt] , onder meer veroorzaakt doordat kinderen van bewoners andere kinderen pesten zonder dat de ouders van 'pesters' daartegen willen optreden, door (over en weer) schelden, het (over en weer) bedreigen met fysiek geweld of met de dood en het (over en weer) doen van aangiftes en meldingen van strafbare gedragingen.

2.5.4

Vanaf medio 2013 heeft de wijkagent voor [naam wijk] aandacht voor de problemen tussen de bewoners in de buurt. De Marken heeft in dat verband Buurtbemiddeling ingeschakeld, welke instantie vervolgens heeft geprobeerd met meerdere buurtbewoners in gesprek te komen.

2.5.5

Op initiatief van [Y] zijn in september 2013 handtekeningen verzameld onder een stuk waarin wordt gesteld dat (het gezin van) [appellant] als veroorzaker van de problemen de buurt moet verlaten.

2.5.6

Buurtbemiddeling heeft de opdracht eind september 2013 teruggegeven aan De Marken, omdat onder anderen [appellanten] , [Y] en [X] niet aan bemiddeling wilden meewerken. In hun verslag hebben de bemiddelaars vermeld dat het in de kern gaat om een conflict tussen [appellant] en [X] . De conclusie luidt onder meer:

"Gezien de houding van partijen dienen we als buurtbemiddelaars de zaak terug te geven. De wil tot bemiddelen is er niet, van geen enkele partij. Partijen hebben een onwrikbare houding in het niet willen bemiddelen op basis van gelijkwaardigheid. Het conflict heeft zich zodanig verdiept/verhard dat een tussen-partijdige bemiddeling niet meer ingezet kan worden. Op de ladder van Glasl is het conflict tenminste in stap 7 van fase 3 beland."

2.5.7

De in het rapport opgenomen Escalatieladder van Glasl onderscheidt drie fasen van conflict met ieder drie treden. De derde fase is aangeduid als de vechtfase ("Conflict als totale oorlog (verlies-verlies); bindende uitspraak via arbitrage/rechtspraak") waarbij stap 7 als volgt getypeerd wordt:

"Tegenstander puur als object/vijand; Partijen hebben de hoop opgegeven; Geweld; Schade bij de ander is winst voor mij; Leed bij de ander is vermaak voor mij; Verbittering en verharding; Vergelding staat centraal en Beperkte vernietiging acties."

2.5.8

Tussen april en september 2013 heeft de politie negen meldingen of aangiftes ontvangen aangaande (het gezin van) [appellant] . Het gezin is daarop aangemeld bij het Bijzonder Zorg Team [plaats] (hierna: BZT). Binnen het BZT werken alle hulp- en zorgpartners in de regio samen, gericht op hulpverlening aan personen en gezinnen met meerdere problemen die moeite hebben met vinden van juiste hulpverlening of die juist hulp afhouden.

2.5.9

Ook in de periode tussen oktober 2013 eind april 2014 heeft de politie negen meldingen of aangiftes ontvangen over (het gezin van) [appellant] .

2.5.10

Op 6 mei 2014 werd bij de politie gemeld dat zich een geweldsincident had voorgedaan. Nadat [appellant] [X] beweerdelijk met de dood had bedreigd, zou [X] hem hebben geslagen, waarna een vechtpartij ontstond. De politie is ter plaatse gekomen. [X] is voor dit incident bij onherroepelijk vonnis op tegenspraak veroordeeld tot een taakstraf wegens mishandeling.

2.5.11

De wijkagent heeft per brief van 10 mei 2014 diverse buurtbewoners uitgenodigd voor overleg op 15 mei 2014 op het politiebureau over de ontstane situatie. Geen van de genodigden is verschenen.

2.5.12

Op 14 mei 2014 heeft [appellant] bij De Marken gemeld dat [X] met zijn auto op [appellant] zoon is ingereden en dat de politie geen aangiftes meer wil opnemen uit de buurt.

2.5.13

Tijdens een multidisciplinair overleg in juni 2014 tussen vertegenwoordigers van de politie, De Marken , BZT, Buurtbemiddeling, Raster (een maatschappelijke instelling gericht op wonen, zorg en welzijn) en de werkgroep Extreme woonoverlast is besloten nogmaals buurtbemiddeling te beproeven, ingeleid door een klemmende oproep van de burgemeester van de gemeente [gemeente] aan enkele wijkbewoners, onder wie [X] c.s., [appellanten] en [Y] , om daaraan mee te werken. Afgesproken werd dat De Marken een procedure tot beëindiging van de huur met hen zou starten als geen gehoor zou worden gegeven aan de oproep van de burgemeester.

2.5.14

De burgemeester van [gemeente] heeft bij brief van 13 juni 2014 aan enkele buurtbewoners, onder wie [appellanten] , geschreven dat hij een klemmend beroep op hen doet om de vervelende situatie in de straat zo niet langer te laten bestaan. Hij spoort de geadresseerden aan om alsnog contact op te nemen met Buurtbemiddeling en samen te werken aan een oplossing. De aangeschreven personen hebben niet gereageerd.

2.5.15

In een proces-verbaal van 13 juli 2014 heeft de wijkagent een opsomming gegeven van meldingen, aangiftes en politie-interventies in de periode van 4 december 2013 tot en met 13 juli 2014.

2.5.16

[appellant] heeft in augustus 2014 een handtekeningenlijst opgesteld. Enkele bewoners van de [buurt] hebben daarop hun handtekening geplaatst voor akkoord met de stelling dat zij geen overlast hebben ervaren van (het gezin van) [appellant] .

2.5.17

Het gezin [appellant] heeft via een andere sociale verhuurder onder strikte voorwaarden een zogenoemde 'tweedekanswoning' gekregen in [plaats] , buiten de [buurt] .

3 De vorderingen en beoordeling in eerste aanleg

3.1

De Marken heeft ontbinding gevorderd van de huurovereenkomsten met [appellanten] en de families [X] en [Y] , en ontruiming van de door hen gehuurde woningen, omdat zij zich niet als goed huurder hebben gedragen en overlast hebben veroorzaakt.

3.2

De betrokken huurders hebben zich alle verweerd en zijn daarbij door verschillende advocaten bijgestaan.

3.3

De kantonrechter heeft de vorderingen ten aanzien [appellanten] onvoorwaardelijk toegewezen en ten aanzien van de familie [Y] afgewezen. Aan toewijzing van de vordering tegen de familie [X] heeft de kantonrechter een voorwaarde verbonden: De Marken dient ten tijde van de ontruiming een beschikbare en qua volume en prijs met de te ontruimen woning vergelijkbare woning buiten de [buurt] aan te bieden.

4 De overige grieven

4.1

Door weglating of aanpassing van de met de grieven I, III en VI betwiste feiten hebben [appellanten] in zoverre geen belang bij verdere behandeling van die grieven.

4.2

Met de grieven VII, VIII, IX en X komen [appellanten] op tegen de toewijzing van de vorderingen van De Marken en de daartoe gebezigde motivering. De strekking van deze grieven, die het hof gezamenlijk zal bespreken, is de volgende.

4.3

[appellanten] waren in de [buurt] op hun plek en hebben zich steeds correct gedragen. Uit de meldingen die bij de politie zijn binnengekomen, kan niet de conclusie worden getrokken dat het gezin [appellant] als de kwade genius moet worden beschouwd. Dat gezin kwam terecht in een wespennest en werd zelf slachtoffer van een hetze. [appellanten] hebben zich in die situatie van hun kant niet zodanig gedragen dat op grond daarvan de huurovereenkomst zou kunnen worden ontbonden. Het hof oordeelt als volgt.

4.4

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zodanig ernstig wangedrag of overlast in de buurt door [appellanten] en een zodanige houding ten aanzien van het gerezen conflict dat ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is, is van belang wat daaromtrent is komen vast te staan of, bij voldoende betwisting, bewezen wordt. In het onderhavige geval treedt De Marken niet alleen op om het recht op rustig en ongestoord woongenot van haar over overlast klagende, omwonende huurders te waarborgen, maar beroept zij zich tevens op haar taak om bij te dragen aan de leefbaarheid in de buurten en wijken waar zij wooneenheden heeft (art. 12a Besluit beheer sociale-huursector). Het hof constateert dat dit besluit inmiddels is vervangen door het op 1 juli 2015 in werking getreden Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (Stb. 2015 nr. 231). Artikel 51, eerste lid, van dat besluit geeft een limitatieve opsomming van wat verstaan moet worden onder bijdragen aan de leefbaarheid, waaronder woonmaatschappelijk werk ten behoeve van de eigen huurders en het bijdragen aan de uitvoering van plannen ter voorkoming van overlast en ter bevordering van de veiligheid.

4.5

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat van een goed huurder van een toegelaten instelling zoals De Marken verlangd kan worden dat hij, indien de leefbaarheid van de buurt in het geding is en de huurder daarin een rol van betekenis heeft, meewerkt aan redelijke voorstellen van de verhuurder die kunnen leiden tot een oplossing van het probleem.

4.6

In het onderhavige geval hebben [appellanten] blijkens het proces-verbaal van de wijkagent zelf ook melding gemaakt van door hen ondervonden problemen. Gelet daarop hadden zij dus een rol van betekenis in een conflictueuze situatie in de wijk en kon alleen al om die reden van hen medewerking worden verlangd tot het oplossen van de ontstane problemen. [appellanten] hadden dan ook in redelijkheid niet hun onvoorwaardelijke medewerking mogen weigeren aan de door De Marken ingezette Buurtbemiddeling, waartoe ook de burgemeester hen nogmaals met klem uitnodigde. De enkele herhaalde weigering daartoe en het niet reageren op uitnodigingen tot overleg is echter onvoldoende om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. In aanvulling daarop moeten feiten komen vast te staan waaruit blijkt dat [appellanten] niet alleen onderdeel, maar ook mede-veroorzakers van de ontstane overlast zijn. Staat dat vast, dan is van ondergeschikt belang dat [appellanten] mogelijk zelf ook in aanmerkelijke mate overlast hebben ondervonden van enkele buurtbewoners, en dat anderen zich juist achter hen hebben geschaard. Kenmerkend aan het geschil in de [buurt] is immers, dat sprake is van diverse elkaar bestrijdende kampen.

4.7

Omtrent de rol die [appellanten] in dit conflict hebben gespeeld, wordt het volgende overwogen.

4.8

Blijkens de onbetwiste inhoud van de desbetreffende, door De Marken overgelegde stukken, is sprake van de volgende mutaties van de politie met betrekking tot de ontstane problemen (producties 5 en 6 bij inleidende dagvaarding):

16-04-2013 bedreiging buren familie [appellant]

05-O6-2013 burenruzie familie [appellant]

05-06-2013 burenruzie/bedreiging buren van familie [appellant]

01-07-2013 melding mishandeling buren van familie [appellant]

02-07-2013 burenruzie familie [appellant]

23-07-2013 burenruzie/bedreiging buren van familie [appellant]

12-08-2013 bemiddeling in burenruzie overige

10-09-2013 verkeerszaken overige/burenruzie familie [appellant]

23-09-2013 bemiddeling in burenruzie overige

01-10-2013 burenruzie buren familie [appellant]

10-10-2013 wijkproblematiek/burenruzie familie [appellant]

20-10-2013 burenruzie/bedreiging buren familie [appellant]

20-10-2013 burenruzie/bedreiging buren familie [appellant]

20-10-2013 burenruzie buren familie [appellant]

23-10-2013 burenruzie familie [appellant]

04-12-2013 wijkproblematiek/burenruzie familie [appellant]

18-02-2014 burenruzie familie [appellant]

04-03-2014 burenruzie buren familie [appellant]

06-05-2014 burenruzie buren familie [appellant]

4.9

In overeenstemming hiermee heeft de wijkagent in een door haar op 13 juli 2014 opgesteld proces-verbaal uiteengezet dat tegen [appellant] meermalen aangifte is gedaan, met name van bedreiging.

4.10

Omdat het hier om een aanhoudende stroom meldingen gaat waarin het gezin [appellant] centraal staat, konden [appellanten] niet volstaan met een blote ontkenning van elke verwijtbare betrokkenheid bij de ontstane situatie, en hadden zij hun rol (of het ontbreken daarvan) per gerapporteerd incident moeten onderbouwen. Nu zij dat niet, althans slechts ten dele hebben gedaan en in de toelichting op hun grieven hebben volstaan met een algemeen beroep op hun onschuld, is van hun kant onvoldoende gemotiveerd bestreden dat (ook) zij door hun gedrag hebben bijgedragen aan het in stand houden, en de escalatie van het ontstane conflict. Voor bewijsvoering op dit punt is om die reden geen ruimte. Het bewijsaanbod van [appellanten] wordt verworpen.

4.11

Het voorgaande rechtvaardigt naar het oordeel van het hof de ontbinding van de huurovereenkomst, ook indien bij de te maken beoordeling het feit wordt betrokken dat een zoon van partijen kampt met diabetes Mellitus, dat de woning indertijd met de daarop betrekking hebbende medische urgentie aan het gezin is toegewezen, en dat deze zoon op zijn huidige school daarvoor een goede begeleiding ontvangt. Niet gesteld of gebleken is immers, dat die zoon na ontruiming van school af zou moeten (grieven XII, XIII en XIV) of dat zijn ziekte in geval van ontruiming anderszins een noodtoestand oplevert. Integendeel, vast staat inmiddels dat de zoon na de ontruiming en de daarop gevolgde verhuizingen op zijn oude school kon blijven. Anderszins zijn deze grieven niet onderbouwd.

4.12

In weerwil van grief X is al hetgeen [appellanten] wordt verweten en als vaststaand heeft te gelden niet van zodanig geringe betekenis dat het de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het enkele feit dat de kantonrechter het gezin [X] - anders dan [appellanten] - de gelegenheid heeft geboden een alternatieve woning te betrekken, maakt dat niet anders (grief XI).

4.13

In grief XV tenslotte, wordt aangevoerd dat De Marken onrechtmatig heeft gehandeld door het vonnis te executeren, terwijl zij wist dat hoger beroep zou worden ingesteld, en (na het bestreden vonnis) bovendien dat [appellante] zwanger was. Ook deze grief faalt.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk te stellen partijen in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van De Marken zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten

- griffierecht

711,-

totaal verschotten

711,-

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief: II

2 punten x € 894,-

1.788,-

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 14 april 2015;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van De marken vastgesteld op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 711,- voor verschotten;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. L. Groefsema en mr. M. Wolters en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 26 april 2016.