Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3302

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
200.182.996/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.182.996/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/111548/JE RK 15-379)

beschikking van de familiekamer van 21 april 2016

inzake

1 [verzoekster] ,

wonende te [A] ,

2. [verzoeker] ,

wonende te [B] ,

verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: de ouders,

advocaat: mr. R.M. Bissumbhar, kantoorhoudend te Barneveld,

en

Jeugdbescherming Noord | Drenthe,

kantoorhoudend te Assen,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de pleegouders]

wonende te [C]

verder te noemen: de pleegouders (van [de minderjarige2] ).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 29 september 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 28 december 2015;

- het verweerschrift;

- een brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) van 11 januari 2016;

- een journaalbericht van mr. Bissumbhar van 26 januari 2016 met bijlage;

- een journaalbericht van mr. Bissumbhar van 24 februari 2016 met bijlage;

- een brief van de pleegouders gedateerd op 4 maart 2016;

- een journaalbericht van mr. Bissumbhar van 18 maart 2016 met bijlagen.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 22 maart 2016 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Bissumbhar. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [D] , de jeugdbeschermer, en mevrouw [E] .

2.3

Na de mondelinge behandeling is op verzoek van het hof ingezonden een brief van de GI van 22 maart 2016 met als bijlagen de in het dossier ontbrekende stukken uit de eerste aanleg.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de relatie van de ouders - die voorheen hebben samengewoond - zijn geboren [in] 2005 te [F] [de minderjarige1] (hierna te noemen: [de minderjarige1] ) en [in] 2007 te [F] [de minderjarige2] (hierna te noemen: [de minderjarige2] ).

Het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] wordt uitgeoefend door de ouders gezamenlijk.

3.2

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] (hierna: ook de kinderen) zijn in december 2012 bij hun grootouders gaan wonen vanwege de relationele en persoonlijke problematiek van de ouders. De kinderen staan sinds 9 oktober 2013 onder toezicht van de GI. Deze maatregel is laatstelijk verlengd tot 9 oktober 2015. Tevens heeft de kinderrechter bij beschikking van 9 oktober 2013 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gedurende dag en nacht bij hun grootouders (vz).

3.3

[de minderjarige2] woont sinds december 2014 in een perspectief biedend pleeggezin in [C] . [de minderjarige1] woont vanaf 24 juli 2015 in een Gezinshuis.

3.4

De moeder heeft in september 2014 uit een latere relatie een zoon, [de minderjarige3] , gekregen. De moeder woont samen met [de minderjarige3] sinds januari 2015 bij Stichting [G] , waar 24-uurs ondersteuning wordt geboden. De vader woont sinds september 2015 in [B] in een
3-kamerappartement. Ouders hebben sinds juni 2014 weer een affectieve relatie met elkaar.

3.5

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 29 september 2015 heeft de kinderrechter op verzoek van de GI de ondertoezichtstelling en de machtiging om [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, verlengd tot 9 oktober 2016. De ouders hebben tegen die beslissing hoger beroep ingesteld.

4 De omvang van het geschil

4.1

De ouders zijn met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 29 september 2015. De ouders verzetten zich niet tegen de bij de bestreden beschikking verlengde ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De grief van de ouders ziet enkel op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Volgens de ouders heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er in dit kader geen aanleiding meer bestaat om de raad de opdracht te geven naar de opvoedingsvaardigheden van de ouders te kijken. Zij verzoeken het hof in hun beroepschrift dan ook de bestreden beschikking aan te vullen met een opdracht aan de raad om de opvoedingscapaciteiten van de ouders te onderzoeken en daarbij de mogelijkheden van het geleidelijk terugplaatsen van (een van) de kinderen bij één van de ouders.

4.2

Ter mondelinge behandeling hebben de ouders hun petitum gewijzigd in die zin dat zij verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voor de periode van een jaar en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing toe te wijzen voor een kortere periode van bijvoorbeeld zes maanden, waarbij wordt toegewerkt aan terugplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij één van de ouders.

4.3

De GI heeft verweer gevoerd. De GI verzoekt het hof het door de ouders ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.2

De ouders kunnen zich met de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voor de duur van een jaar niet verenigen. De ouders erkennen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] eind 2012 niet langer bij hun konden wonen door persoonlijke, financiële en relationele problemen, maar inmiddels is deze situatie volledig gewijzigd. De ouders stellen dat ze hun praktische zaken op orde hebben qua wonen en financiën en dat zij hulpverleningstrajecten om de persoonlijke problematiek op te lossen met succes hebben afgerond. De beslissing van de kinderrechter is volgens hen gebaseerd op oude, niet geactualiseerde informatie, waarbij geldt dat er tussentijds geen onderzoek naar hun opvoedingscapaciteiten is geweest dan wel naar de ontwikkeling daarvan. De ouders onderkennen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] extra zorg en ieder een eigen (opvoedkundige) aanpak nodig hebben en staan open voor hulpverlening. Er dient volgens hen dan ook geleidelijk te worden toegewerkt naar de terugplaatsing van (één van) de kinderen bij de vader, die volgens de ouders gelet op zijn gewijzigde situatie weer in staat is [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een liefdevolle en gestructureerde opvoeding te bieden.

5.3

De GI heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De GI acht de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een gezinshuis en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg onverminderd noodzakelijk in het belang van de kinderen. De GI erkent dat de situatie bij de ouders is veranderd en dat beide ouders grote vorderingen hebben gemaakt, maar signaleert ook dat beide ouders daarin afhankelijk zijn van hulpverlening. De GI is van mening dat de ouders, gelet op hun eigen problematiek in samenhang met de specifieke en eigen opvoedingsbehoeften van de jongens, niet binnen een voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aanvaardbare termijn zelf weer de opvoeding op zich kunnen nemen en zet derhalve niet in op terugplaatsing. De GI heeft aangegeven zich thans dan ook te gaan richten op een eventuele verderstrekkende maatregel.

5.4

Vooropgesteld moet worden dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van tijdelijke aard zijn en in beginsel - voor zover mogelijk - dienen te zijn gericht op het werken aan terugkeer van de kinderen naar de ouder(s), in dit geval de vader, die - zoals de ouders ter zitting hebben gesteld - de capaciteiten heeft en thans weer voldoende in staat is om [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de stabiele opvoedingssituatie te bieden die zij nodig hebben.

5.5

Uit de stukken blijkt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de periode dat zij bij hun ouders woonden blootgesteld zijn aan veel verbale agressie tussen de ouders. De ouders waren vanwege hun persoonlijke en relationele problematiek niet structureel beschikbaar voor de kinderen.

Voor alle betrokkenen staat vast dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] allebei kampen met eigen, in de stukken beschreven problematiek en beiden een verschillende aanpak nodig hebben, hetgeen voor de GI aanleiding was om ze apart te plaatsen, zodat ze elkaar niet belemmeren in hun ontwikkeling. [de minderjarige1] verblijft op dit moment vanwege zijn gedragsproblematiek in een gezinshuis, een opvoedingsomgeving die aansluit bij zijn ontwikkelingsbehoeften. [de minderjarige1] is gediagnosticeerd met PDD-NOS en er is sprake van dyslexie. [de minderjarige2] verblijft in een pleeggezin. Hij wordt door de pleegouders ervaren als een vrolijke, spontane, intelligente en lieve jongen en daarnaast ook als een kwetsbare jongen met lastig gedrag (dwars, brutaal, opstandig en geparentificeerd gedrag). [de minderjarige2] heeft naast een veilige en beschermende omgeving, veel aandacht, bevestiging en geruststelling (dat hij goed is, zoals hij is) nodig. [de minderjarige2] en [de minderjarige1] zijn sterk gebaat bij voorspelbaarheid en duidelijkheid, qua structuur en regels. Beide kinderen hebben, zoals door de GI ter zitting is toegelicht, (kleine) stappen in de goede richting gemaakt in hun ontwikkeling en hebben het fijn op hun respectieve verblijfplekken. Echter, ook is gebleken dat [de minderjarige2] een moeilijk jaar heeft gehad. [de minderjarige2] mist zijn ouders, en hij heeft er bijvoorbeeld duidelijk moeite mee dat [de minderjarige3] , zijn jongere broertje, wel bij zijn moeder mag wonen en hij niet.

5.6

Op grond van de stukken en de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat sinds de (eerste) ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op 9 oktober 2013 de situatie van de ouders substantieel is veranderd.

Op het relationele vlak geldt dat de ouders (wederom) een relatie hebben met elkaar, maar niet samenwonen. Zij werken zelfstandig aan hun eigen problematiek en aan de opbouw van hun leven. Zowel de moeder als de vader heeft sindsdien een enorme positieve ontwikkeling doorgemaakt.

Zo is bij de moeder, nadat zij twee jaar lang volledig doof is geweest hetgeen, zoals zij zelf aangeeft, een enorme negatieve weerslag had op haar functioneren en welbevinden, een CI geplaatst waardoor haar vermogen om te communiceren erg is verbeterd. De moeder kan nu bijna iedereen verstaan en praat zelf een stuk duidelijker. De moeder woont sinds januari 2015 bij Stichting [G] waar 24-uurs begeleiding wordt aangeboden. Haar begeleiding bestaat voornamelijk uit meekijken en meedenken in de opvoeding van haar jongste zoon [de minderjarige3] . Uit de door de moeder in het geding gebrachte stukken van Stichting [G] blijkt dat bij de moeder blijvende groei is geconstateerd en dat er evenwicht is ontstaan in haar leven. De moeder neemt haar verantwoordelijkheid als moeder, accepteert begeleiding en houdt zich veelal goed aan de afspraken.

De cannabis verslaving van de ouders, ontstaan na en (zoals de ouders ter zitting hebben gesteld) ontstaan door de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben de ouders inmiddels al gedurende een langere periode onder controle. De moeder heeft zelf hulpverlening gezocht voor haar persoonlijke problematiek en deze ook afgerond. Uit het verslag GGZ-VO d.d. 1 december 2015, betreffende het einde van de behandeling, volgt dat de moeder behandeling heeft gevraagd en gekregen gericht op cannabisverslaving en ondersteuning bij het aanleren van emotieregulatie en identiteitsontwikkeling, alsmede medicatieondersteuning door een psychiater en psychomotorische therapie PMT voor verbetering van emotieregulatie en toename van zelfvertrouwen. Verder blijkt daaruit dat de behandeling met goed resultaat is afgesloten en dat de moeder inmiddels al enige tijd stabiel functioneert.

De vader krijgt begeleiding van [H] , voornamelijk gericht op, zoals hij ter zitting heeft verklaard, de contacten tussen verschillende instanties, het aanvragen van een uitkering enzovoort, en er wordt hem de mogelijkheid geboden om als hij ergens mee zit daarover (met deskundigen) te praten. Uit het verslag van [H] d.d. 9 december 2015 volgt dat ook de vader goed aan zichzelf heeft gewerkt de afgelopen periode. Zo is te lezen dat de vader structuur bouwde in zijn leven, is gestopt met wiet roken en geen verslaving meer heeft. Verder weet hij zich beter te verwoorden naar de buitenwereld en is hij in staat zijn woede te reguleren. Sinds september 2015 is de vader vanuit een stacaravan verhuisd naar een 3-kamerappartement in [B] en op 26 november 2015 heeft hij zich beter gemeld bij het UWV en is hij op zoek naar werk. De vader volgt thans een re-integratie traject.

Ook de financiële situatie van de ouders is thans onder controle. Zowel de financiën van de moeder als die van de vader worden door een bewindvoerder beheerd, die van de vader sinds 20 januari 2014 en die van de moeder sinds 17 november 2014.

Beide ouders hebben op de zitting een weloverwogen indruk op het hof gemaakt. Beiden zien de problematiek en de ontwikkelingsbehoeften van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en zijn bereid zich op alle vlakken bij te laten staan en hulpverlening te accepteren.

Daarnaast is het zo dat de GI - zoals ter zitting van het hof aangegeven - gelet op de goede band tussen de kinderen en de ouders voornemens is de omgang tussen de ouders en de kinderen te intensiveren. Op dit moment is er omgang tussen de ouders en de kinderen één keer in de vier weken twee en half uur. Nu is de afspraak dat zij daarvoor naar [I] in [J] worden gebracht, waar dan tweeënhalf uur een onbegeleid speelmoment plaatsvindt. Dit is al vier keer gebeurd en probleemloos verlopen. Daarnaast skypt [de minderjarige2] met de ouders.

5.7

Vast staat evenwel ook dat de ouders veel hulpverlening nodig hebben en kwetsbaar zijn. Daar komt bij dat ook de kinderen kwetsbaar zijn. Zij hebben veel meegemaakt en zijn inmiddels al geruime tijd uithuis geplaatst. Beiden kinderen, en [de minderjarige1] nog extra, hebben meer dan gemiddelde zorg nodig en vragen meer dan gemiddelde pedagogische vaardigheden maar ook draagkracht van hun verzorgers.

Een complicerende factor is daarbij ook de slechte verstandhouding tussen de ouders en de grootouders, aangezien de grootouders nu fungeren als weekendpleeggezin en een belangrijke rol in het leven [de minderjarige1] en [de minderjarige2] spelen.

5.8

Het hof acht het op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen evenwel te vroeg om reeds nu te concluderen dat het pespectief van de kinderen niet meer bij (een van de) ouders ligt. Het is derhalve van groot belang dat er met spoed voldoende, actueel zicht komt op de opvoedingsvaardigheden van de ouders, met name de vader, en op zijn mogelijkheden zijn opvoedingsstijl aan te passen aan een voor de kinderen acceptabel niveau, waarbinnen hun veiligheid in het gezin van de vader is gewaarborgd maar waarbij ook in voldoende mate tegemoet kan worden gekomen aan hun opvoedings- en zorgbehoeften mede ook in het licht van de hechtingsrelaties die zij zijn aangegaan. Hierover bestaat thans, naar het oordeel van het hof, nog geen duidelijkheid zodat bij het uitblijven van de verzochte verlenging tot uithuisplaatsing de continuïteit van en veiligheid in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op dit moment onvoldoende is gewaarborgd. Het hof oordeelt de verlenging van de uithuisplaatsing, net als overigens ook de Raad van de Kinderbescherming, dan ook noodzakelijk, zij het niet voor de in de beschikking waarvan beroep bepaalde periode, maar voor een periode die de GI kan worden geacht nodig te hebben voor nader onderzoek naar de mogelijkheden tot terugplaatsing. Gelet hierop zal de beschikking waarvan beroep wat betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing worden bekrachtigd voor de periode tot 1 september 2016. Het hof wijst er nadrukkelijk op dat uithuisplaatsing gericht dient te zijn op de terugkeer van kinderen naar de ouders. Nu er al langere tijd sprake is van ten positieve wijzigende omstandigheden bij de ouders mag van de GI worden gevergd dat zij tijdens de (periode van verlenging van de) uithuisplaatsing de mogelijkheden tot terugkeer van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de ouders, althans bij de vader, met spoed nader/opnieuw onderzoekt alvorens volledig in te zetten -zoals haar voornemen is- op verderstrekkende maatregelen. Zowel de kinderen als de ouders zijn erbij gebaat dat hierover snel duidelijkheid komt.

5.9

In dit verband acht het hof het in het belang van de kinderen dat er (psychodiagnostisch) onderzoek wordt verricht naar de huidige (pedagogische) mogelijkheden van de ouders, gelet op hun specifieke situatie (wel een relatie, maar apart wonend) en de stappen die ze hebben gemaakt, alsmede gelet op de specifieke opvoedingsbehoeften van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Wellicht ten overvoede zij opgemerkt dat in deze de verantwoordelijkheid voor het formuleren van de onderzoeksvraag/hulpvraag niet bij de ouders kan worden neergelegd. Vanzelfsprekend mag van de ouders in deze wel de volledige medewerking worden verwacht.

5.10

Het hof merkt met betrekking tot het voorgaande voorts op dat het van belang is dat de ouders [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet met het onderzoek belasten en dat zij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] emotionele toestemming geven om te zijn waar ze nu feitelijk verblijven, hoe moeilijk dit ook voor de ouders mag zijn. In dit kader dient ook te worden geinvesteerd in verbetering van de verstandhouding tussen de ouders en de grootouders.

5.11

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is verlengd voor de periode tot 1 september 2016.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 29 september 2015 voor zover daarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is verlengd voor de periode tot 1 september 2016;

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 29 september 2015 voor zover daarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is verlengd voor de periode na 1 september 2016;

wijst anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, A.W. Beversluis en
I.A. Vermeulen, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 21 april 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.