Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3220

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
21-000205-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid aan een poging woningoverval. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Toewijzing vorderingen van de benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000205-15

Uitspraak d.d.: 21 april 2016

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 31 december 2014 met parketnummer 16-660017-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 16 november 2015, 25 november 2015, 14 maart 2016, 7 april 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] beide geheel dienen te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijk opgelegd en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. B.R. Koenders, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt. Het hof zal derhalve opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 11 april 2014 te [plaats 1] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen van hun gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s),

- zich naar de woning (gelegen aan de [adres 1] aldaar) van voornoemde [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] begeven, en/of

- aangebeld bij voornoemde woning, en/of

- (nadat voornoemde [benadeelde 1] de deur open had gedaan) met (een) bivakmuts(en) op/over het hoofd en/of een (donkere) zonnebril op en/of handschoenen aan en/of met een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, en/of tiewrap(s) in zijn/hun bezit die woning binnengedrongen, en/of

- (vervolgens) dat (vuur)wapen, althans dat op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, op voornoemde [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gericht en/of gericht gehouden, en/of - (daarbij) voornoemde [benadeelde 1] bij zijn keel en/of nek vastgepakt en/of vastgehouden, en/of

- (vervolgens) met dat (vuur)wapen, althans dat op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp en/of tiewraps in handen tegen voornoemde [benadeelde 2] geroepen: "Kom hier", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

zijnde de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrij(f)(ven) niet voltooid;

subsidiair:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] op of omstreeks 11 april 2014 te [plaats 1] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door hem/hen voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen van hun gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als volgt heeft/hebben gehandeld: zijnde en/of hebbende die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 4] , en/of (één of meer van) zijn/hun mededader(s)

- zich naar de woning (gelegen aan de [adres 1] aldaar) van voornoemde [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] begeven, en/of

- aangebeld bij voornoemde woning, en/of

- (nadat voornoemde [benadeelde 1] de deur open had gedaan) met (een) bivakmuts(en) op/over het hoofd en/of een (donkere) bril op en/of handschoenen aan en/of met een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, en/of tiewrap(s) in zijn/hun bezit die woning binnengedrongen, en/of

- (vervolgens) dat (vuur)wapen, althans dat op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, op voornoemde [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gericht en/of gericht gehouden, en/of

- (daarbij) voornoemde [benadeelde 1] bij zijn keel en/of nek vastgepakt en/of vastgehouden, en/of

- (vervolgens) met dat (vuur)wapen, althans dat op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp en/of tiewraps in handen tegen voornoemde [benadeelde 2] geroepen: “Kom hier”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

zijnde de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrij(f)(ven) niet voltooid,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrij(f)(ven) verdachte op of omstreeks 11 april 2014 te [plaats 1] en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk

- met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar [plaats 1] , althans naar een plaats in Nederland, is gereden en/of daar heeft gewacht op die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 4] , teneinde na het plegen van bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) de vlucht in die personenauto mogelijk te maken.

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

Het hof is, overeenkomstig het vonnis van de rechtbank, de vordering van de advocaat-generaal en hetgeen de raadsman heeft bepleit, van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde medeplegen van een poging tot een – kort gezegd – woningoverval te komen. Derhalve zal het hof verdachte vrijspreken van het hem primair tenlastegelegde.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het subsidiair tenlastegelegde

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij – kort weergegeven – aangevoerd dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te stellen dat verdachte wist van de door zijn medeverdachten geplande woningoverval en derhalve geen, ook niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op het gronddelict, noch op de ondersteuning van dat misdrijf.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In de avond van 11 april 2014, rond 21.30 uur is in [plaats 1] gepoogd een woning te overvallen door de deels vermomde medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Zij waren voorzien van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en tiewraps en hebben tijdens de overval geweld gebruikt. De vraag is in hoeverre verdachte bij deze overval betrokken is geweest en of deze betrokkenheid als medeplichtigheid aan het grondfeit is aan te merken.

Blijkens de door verdachte afgelegde verklaring is hij die avond op verzoek van zijn beste vriend, medeverdachte, [medeverdachte 2] in de Volkswagen Golf van zijn vader naar [plaats 1] gereden. Uit het door de politie onderzochte telefoonverkeer volgt dat er die dag veelvuldig telefonisch contact is geweest tussen verdachte en [medeverdachte 2] . In de middag van 11 april 2014 is om 15.14 uur door verdachte naar [medeverdachte 2] gebeld, waarna [medeverdachte 2] drie uren later – om 18.21 uur – weer naar verdachte heeft gebeld. Kort na dit laatste gesprek, om 18.27 uur, heeft [medeverdachte 2] verdachte ge-sms’t met de vraag waar verdachte is. Anderhalf uur later is er opnieuw telefonisch contact geweest tussen verdachte en [medeverdachte 2] , waarbij [medeverdachte 2] wederom de initiator is. Om 19.58 uur volgt een sms’je van [medeverdachte 2] met als inhoud “[adres 2] , [plaats 1] , je kan hier wachten, neem Lyca mee, bel me dan op dit nummer”. Verdachte heeft om 20.11 uur terugge-sms’t dat hij onderweg is. Om 20.16 uur heeft het vierde telefoongesprek die dag plaatsgevonden, ditmaal op initiatief van verdachte. Blijkens de verklaring van verdachte heeft hij rond dit tijdstip, waarbij hij zelf de tijdspanne van 20.00 tot 21.00 uur heeft genoemd, [medeverdachte 2] ontmoet op de parkeerplaats aan de [adres 2] .

Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 2] samen met de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] reeds op deze parkeerplaats aanwezig was. De medeverdachten zaten in een door [medeverdachte 1] gehuurde Opel Vectra. Pas ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 25 november 2015 heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 2] tijdens deze ontmoeting tegen hem heeft gezegd dat verdachte daar moest wachten totdat [medeverdachte 2] terug zou komen. Daarna zouden ze samen de Audi van [medeverdachte 2] ophalen. Die Audi stond in [plaats 2] geparkeerd. [medeverdachte 2] kwam op dat moment zenuwachtig over, zo heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard.

Het hof leidt uit het telefoonverkeer af dat er vlak voor of na deze ontmoeting, om 20.42 uur opnieuw door verdachte naar [medeverdachte 2] wordt gebeld. Blijkens verdachtes verklaring heeft hij na de ontmoeting met [medeverdachte 2] overeenkomstig de gemaakte afspraak op de carpoolplaats gewacht. Uit het onderzoek naar het telefoonverkeer volgt dat verdachte tijdens het wachten, om 21.02 uur, voor de zesde keer telefonisch contact met [medeverdachte 2] heeft opgenomen. Opvallend is dat dit gesprek ruim 39 minuten heeft geduurd. Het hof stelt vast dat het gesprek beëindigd is op 21.41 uur. Uit de telefoongegevens blijkt dat verdachte om 21.42 en 21.46 uur tevergeefs heeft getracht [medeverdachte 2] opnieuw te bellen. Op grond van het proces-verbaal van aangifte d.d. 12 april 2014 en het proces-verbaal van aanhouding d.d. 12 april 2014 staat vast dat de overval tussen 21.30 en 21.44 of 21.45 uur, zijnde het moment dat de overval wordt gemeld, heeft plaatsgevonden. Enkele minuten na de melding van de overval, om 21.50 uur, wordt medeverdachte [medeverdachte 2] , terwijl hij probeert te vluchten, aangehouden.

Het hof concludeert uit voornoemde gegevens dat verdachte gedurende de overval op zijn initiatief telefonisch in verbinding heeft gestaan met één van de overvallers, namelijk medeverdachte [medeverdachte 2] en hem – nadat de verbinding verbroken is – meermalen heeft proberen te bellen. Dit laatste wordt ook bevestigd door verdachte, zij het met een andere uitleg, namelijk dat op dat moment medeverdachte [medeverdachte 3] bij hem in de auto was gestapt. Toen er geen contact meer met [medeverdachte 2] tot stand gebracht kon worden, is verdachte samen met [medeverdachte 3] naar [plaats 2] gereden, waar medeverdachte [medeverdachte 4] in [medeverdachte 2] 's Audi zat te wachten.

[medeverdachte 4] heeft als getuige in de zaak van verdachte het moment in [plaats 2] omschreven als een moment van totale paniek, zowel bij [medeverdachte 3] als bij verdachte. Voorts heeft [medeverdachte 4] ter terechtzitting van het hof verklaard dat zij – het hof begrijpt [medeverdachte 3] en verdachte – tegen [medeverdachte 4] hebben gezegd dat de overval niet was gelukt. Vanaf [plaats 2] zijn verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] verspreid over de Audi en de Golf terug naar [plaats 3] gereden. In de periode daarna heeft verdachte de Audi – aldus verdachte – ‘veilig gesteld’; hij heeft de auto leeggehaald en in [plaats 4] bij zijn zus geparkeerd. Voorts heeft verdachte nadien gesproken met zijn medeverdachten en mogelijke getuigen, waarbij hij hen ook heeft geïnstrueerd met betrekking tot hetgeen zij moesten doen, moesten laten of al dan niet zouden moeten verklaren.

Met betrekking tot de aan de overval voorafgaande planning heeft [medeverdachte 4] op 7 oktober 2014 – in lijn met zijn op 6 oktober 2014 afgelegde verklaring – bij de politie verklaard dat hem voorafgaand aan de overval is gevraagd in [plaats 2] te wachten. De overige verdachten – het hof begrijpt [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en verdachte - zouden na de overval verspreid over de Opel Vectra en de Golf naar [plaats 2] komen. Het is, aldus [medeverdachte 4] , vooraf besproken dat het de bedoeling was om met drie auto’s weg te komen, waarbij hij wist dat verdachte ook met een auto zou komen.

Ten aanzien van de bruikbaarheid van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 4] merkt het hof op dat [medeverdachte 4] verdachte in al zijn verklaringen consistent heeft aangewezen als één van de betrokkenen die ook een vluchtauto heeft bestuurd of zou besturen, waarbij hij in zijn tweede verklaring bovenstaand plan noemt. Deze verklaring wordt op essentiële onderdelen ondersteund door de overige bewijsmiddelen.

Voorts zijn de verschillen in de verklaringen van [medeverdachte 4] naar het oordeel van het hof niet los te zien van de omstandigheid dat hem duidelijk is gemaakt dat hij niks mag zeggen en zijn zichtbare worsteling – tot en met zijn verklaringen in hoger beroep – om tegen zijn voormalige vrienden een belastende verklaring af te leggen. Het hof ziet derhalve geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van [medeverdachte 4] ’s verklaringen.

Gezien het voorgaande moet verdachte hebben geweten van de overval. Hij is daartoe naar [plaats 1] gereden, heeft tijdens de overval stand-by gestaan via de door hem tot stand gebrachte telefonische verbinding met medeverdachte [medeverdachte 2] en heeft gewacht op de verdachten, waarbij hij – zoals afgesproken – voor in ieder geval [medeverdachte 3] daadwerkelijk de vlucht mogelijk heeft gemaakt.

Voor zijn aanwezigheid in [plaats 1] , het veelvuldige telefonische contact en de zeer lange telefonische verbinding die heeft voortgeduurd tijdens de overval, heeft verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven.

Gelet op het hiervoor overwogene, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat verdachte opzet heeft gehad op het gronddelict alsook op het behulpzaam zijn bij het gronddelict. Het hof verwerpt derhalve de verweren van de raadsman.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 11 april 2014 te [plaats 1] , ter uitvoering van het door hen voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen van hun gading, toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 2]

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 2] , en daarbij die voorgenomen diefstal te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

tezamen en in vereniging als volgt hebben gehandeld:

die [medeverdachte 1] en die [medeverdachte 2] en die [medeverdachte 3] hebben

- zich naar de woning, gelegen aan de [adres 1] , van voornoemde [benadeelde 1] en [benadeelde 2] begeven, en

- aangebeld bij voornoemde woning, en

- nadat voornoemde [benadeelde 1] de deur open had gedaan met bivakmutsen over het hoofd en/of een donkere bril op en/of handschoenen aan en/of met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of tiewraps in zijn/hun bezit die woning binnengedrongen, en

- vervolgens dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op voornoemde [benadeelde 1] en [benadeelde 2] gericht en/of gericht gehouden, en

- voornoemde [benadeelde 1] bij zijn keel vastgepakt, en

- vervolgens met dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp en tiewraps in handen tegen voornoemde [benadeelde 2] geroepen: “Kom hier”,

zijnde de uitvoering van die voorgenomen misdrijven niet voltooid,

bij het plegen van welke misdrijven verdachte op 11 april 2014 te [plaats 1] opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk

- met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar [plaats 1] is gereden en/of daar heeft gewacht op die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] , teneinde na het plegen van bovengenoemde strafbare feiten de vlucht in die personenauto mogelijk te maken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en/of

medeplichtigheid aan poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich op 11 april 2014 schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een woningoverval. Hij heeft als bestuurder van een derde vluchtauto tijdens en gedurende die overval een hotline met een medeverdachte gehad, teneinde klaar te staan om een of meer van zijn mededaders te helpen te vluchten. Vlak na de overval is verdachte met één van de overvallers daadwerkelijk naar [plaats 2] gereden om vanaf daar met een door een andere mededader bestuurde vluchtauto via diverse wegen en in meerdere auto’s te ontkomen. Voorts heeft verdachte zich nadien ingespannen om te voorkomen dat de waarheid in deze zaak aan het licht zou komen, door diverse getuigen, waaronder medeverdachten, te instrueren over hetgeen zij (niet) zouden moeten verklaren en het uit het zicht van de politie houden van de auto van medeverdachte [medeverdachte 2] .

Hoewel de woningoverval dankzij het doortastende optreden van één van de slachtoffers niet is voltooid, neemt dit niet weg dat de overval een grove inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers. De mededaders zijn vermomd en voorzien van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en tiewraps de woning van de slachtoffers op een doortrapte wijze binnengedrongen en hebben aldaar gedreigd met voornoemd vuurwapen. Zij hebben ook geweld gebruikt.

Uit de slachtofferverklaringen blijkt dat de overval zijn sporen heeft nagelaten. Het prettige en veilige woongevoel is aldus de slachtoffers volledig verdwenen. Slachtoffer [benadeelde 1] kampt sinds het onderhavige feit met psychische problemen. Ten slotte dragen dergelijke feiten in sterke mate bij aan groeiende gevoelens van angst en onveiligheid in de directe omgeving van het feit.

Het hof benadrukt dat het in de kern gaat om voornoemde medeplichtigheid aan één poging tot overval op een woning. Deze medeplichtigheid van verdachte aan de poging tot woningoverval heeft het hof om juridische redenen cumulatief/alternatief bewezenverklaard en gekwalificeerd als de medeplichtigheid aan een poging tot afpersing en/of medeplichtigheid aan een poging tot diefstal met geweld. Voor de soort en omvang van de straf heeft deze wijze van bewezenverklaren en kwalificeren echter geen gevolgen.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar passend en geboden is. Een lichtere strafmodaliteit komt – de aard en ernst van het feit in aanmerking nemend – thans niet meer in aanmerking.

De raadsman van verdachte heeft in het kader van het door hem gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat de duur van de gevangenisstraf gematigd zou moeten worden. Zoals reeds vermeld, acht het hof het, anders dan de rechtbank, aangewezen om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Dit voorwaardelijk deel is bedoeld om ook voor de toekomst een forse waarschuwing af te geven, teneinde te bewerkstelligen dat verdachte zich in het vervolg onthoudt van het plegen van strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.850,00, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen, waarna de benadeelde partij zich tevens opnieuw heeft gevoegd voor het oorspronkelijke, alsook toegewezen, bedrag van haar vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte en zijn mededaders rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is mede tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als gelijkgesteld aan een in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.890,95, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen, waarna de benadeelde partij zich tevens opnieuw heeft gevoegd voor het oorspronkelijke, alsook toegewezen, bedrag van haar vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte en zijn mededaders rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is mede tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als gelijkgesteld aan een in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 48 en 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.850,00 (tweeduizend achthonderdvijftig euro) bestaande uit € 200,00 (tweehonderd euro) materiële schade en € 2.650,00 (tweeduizend zeshonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.850,00 (tweeduizend achthonderdvijftig euro) bestaande uit € 200,00 (tweehonderd euro) materiële schade en € 2.650,00 (tweeduizend zeshonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 38 (achtendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.890,95 (drieduizend achthonderdnegentig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 1.240,95 (duizend tweehonderdveertig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 2.650,00 (tweeduizend zeshonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.890,95 (drieduizend achthonderdnegentig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 1.240,95 (duizend tweehonderdveertig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 2.650,00 (tweeduizend zeshonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 48 (achtenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. K. Lahuis en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. van der Ploeg, griffier,

en op 21 april 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.