Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3097

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
12-05-2016
Zaaknummer
200.155.437
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:3141, Overig
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2018:5961
Prejudiciële vraag aan: ECLI:EU:C:2017:842
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemeenschappelijk landbouwbeleid. Prejudiciële vragen aan HvJ EU. Integratiebedrijf kalversector. Bedrijfstoeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvAR 2016/5843, UDH:TvAR/13130 met annotatie van D.W. Bruil
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.155.437

(zaaknummer rechtbank Gelderland C/06/137004)

arrest van 19 april 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente Uden,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in voorwaardelijke reconventie,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J.M.M. Kroon,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Veevoederbedrijf Alpuro B.V.,

gevestigd te Uddel, gemeente Apeldoorn,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie,

hierna: Alpuro,

advocaat: mr. J.C.B.C. Geerts.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van /de vonnissen van 8 mei 2013 en 14 mei 2014 die de rechtbank Gelderland heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

■ de dagvaarding in hoger beroep d.d. 14 augustus 2014,

■ de memorie van grieven met producties,

■ de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.14 van het eindvonnis van 14 mei 2014 de tussen partijen vaststaande feiten weergegeven. [appellant] heeft daartegen geen grieven gericht. Het hof neemt deze feiten hieronder over, echter zonder de rechtsoverwegingen 2.5, 2.6 en 2.7. De in deze rechtsoverwegingen opgenomen passages over Unierecht geeft het hof weer in hoofdstuk 7 van dit arrest. Hier en daar heeft het hof aanvullingen op de vaststaande feiten opgenomen.

3.2

[appellant] exploiteert een kalverhouderij, waarbij de kalveren worden gehouden in het concept van Peters Farm. Peters Farm is een kwaliteitslabel, waarbij meer aandacht is voor dierenwelzijn, voeding en verzorging. [appellant] heeft in de jaren 2006 tot 2010 van overheidswege per geslacht kalf slachtpremies ontvangen. Deze premies werden aan kalverhouders uitgekeerd op grond van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot premieregelingen (hierna: Verordening 1254/1999).

3.3

Alpuro is een zogenaamde integratie in de kalversector. Zij contracteert met kalvermesters, levert de nuchtere kalveren en het voer, verleent aan de kalvermester technische begeleiding en neemt de gemeste kalveren af.

3.4

[appellant] heeft in 2008 met Alpuro een “Koopcontract kalverhouderij, voor de productie van Peters Farm kalfsvlees” gesloten. Op basis van deze overeenkomst koopt [appellant] van Alpuro pasgeboren kalveren en voer. [appellant] houdt de kalveren circa 26 weken (een ronde) om de kalveren op gewicht te brengen. Aan het einde van de mestronde koopt Alpuro de gemeste kalveren van [appellant] , waarna Alpuro de kalveren aflevert aan een in de overeenkomst aangeduide slachterij. Partijen zijn deze overeenkomst aangegaan voor zes rondes, verdeeld in drie groepen. De eerste groep is opgezet op 5 maart 2009, de tweede op 9 april 2009 en de derde op 13 mei 2009.

3.5

In voornoemde overeenkomst (versiedatum: 01.04.08 ) die op 17 juni 2008 door partijen is ondertekend (hierna: de overeenkomst) komen in de artikel 6, 9 en 10 onder meer de navolgende bepalingen voor:

Vergoedingen/Kortingen

6.1

Mestvergoeding

Partijen komen overeen dat voor alle, niet nader in deze overeenkomst genoemde, gemaakte en of te maken kosten door kalverhouder met betrekking tot het houden van kalveren een vergoeding wordt vastgesteld. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan kosten voor huisvesting, stalinrichting, afvoer mest, etc. deze vergoeding wordt verder genoemd mestvergoeding.

De kalverhouder heeft recht op een mestvergoeding van:

€ …….. per week per afgeleverd kalf (in de marge is opgemerkt: “zie overige bedingen”) (…).

(…)

9 Agenda 2000
9.1 Vergoedingen Agenda 2000
Alle te verwachten inkomsten en vergoedingen (waaronder compensatievergoedingen en of andere vorderingsrechten vanuit Agenda 2000) die de kalverhouder ontvangt dan wel waar de kalverhouder recht op heeft jegens derden, met betrekking tot het houden en mesten van kalveren op grond van deze overeenkomst of financiële bijdragen anderszins worden aangemerkt als vergoedingen Agenda 2000 en komen in hun gehele omvang aan Alpuro toe.
Kalverhouder en Alpuro komen hierbij overeen dat betaling van de vergoeding Agenda 2000 zal plaatsvinden door:
(…)
Uitgestelde betaling Vergoeding Agenda 2000
(…)
9.3 Uitgestelde betaling Vergoedingen Agenda 2000
De kalverhouder is direct na ontvangst gehouden tot afdracht daarvan aan Alpuro.
Alpuro heeft het recht eventuele vergoedingen als bedoeld in artikel 9.1 na ontvangst door kalverhouder rechtstreeks in mindering te brengen op de aan de kalverhouder verschuldigde totale kosten.
Het verlies van een mogelijk recht, te wijten aan de kalverhouder (…) om betaling van enig bedrag te kunnen ontvangen (…) ontslaat de kalverhouder niet van zijn verplichting om aan Alpuro toch het oorspronkelijke bedrag (waarmee wordt bedoeld de volledige inkomsten en vergoedingen als bedoeld in dit artikel uitgaande van het moment dat de kalveren zijn geslacht) af te dragen dan wel Alpuro het recht te geven het bedrag in mindering te brengen op de aan kalverhouder verschuldigde totale kosten.
(…)

9.5

Informatie en zorgplicht
De kalverhouder is gehouden aan Alpuro doorlopend alle correspondentie en berichtgeving met de uitvoerende instantie(s) ter beschikking te stellen (ondermeer op welke rekening de bedragen dienen te worden betaald en eventuele wijzigingen in dat verband). Enkel de kalverhouder is tot deze premiegerelateerde gedragingen in staat en daarom verplicht omdat Alpuro het daartoe vereiste bedrijfsnummer niet heeft en de kalverhouder als enige wel.
9.6 “Cross Compliance”
Voorts verplicht de kalverhouder zich te voldoen aan alle voorwaarden die door enigerlei overheid worden gesteld of op enig moment zullen worden gesteld aan de verkrijging van inkomsten en vergoedingen als bedoeld in artikel 9.1 van deze overeenkomst (…) Te denken valt bijvoorbeeld aan het (de) gewijzigd(e) beleid/regelgeving op communautair niveau waarbij in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid onder meer het beginsel van “Cross Compliance” wordt ingevoerd (…).”
10. Aflevering Kalveren
10.1 Verkoop kalveren
De kalverhouder zal de kalveren op het eind van de overeengekomen mestronde uitsluitend aan Alpuro te koop aanbieden tegen de in artikel 10.2 aangeduide koopprijs (…).

10.2

Koopprijs
De koopprijs per afgeleverde mestronde wordt als volgt berekend:

Aankoopbedrag nuchtere kalveren (…)
Waarde voederverbruik (…)
Vergoedingen / Kortingen (…)
Correctie technisch resultaat (…) +

Totale kosten
Totaal vergoeding Agenda 2000 (…) -

Totale koopprijs

10.3

Voorschotbetaling
Alpuro zal kalverhouder drie dagen voor datum van aflevering van de vleeskalveren een voorschot betalen bestaande uit het bedrag (…) minus het te verrekenen bedrag inzake Agenda 2000 volgens artikel 9 (…).”

In artikel 13 lid 5 overeenkomst is de aan [appellant] toekomende mestvergoeding vastgesteld op € 200,-- per kalf per jaar voor 2065 kalveren.

3.6

Op 1 januari 2010 is voor de Nederlandse vleeskalversector de steunverlening door middel van slachtpremies vervangen door steunverlening door middel van bedrijfstoeslagen. In de branche wordt deze wijziging aangeduid met “de ontkoppeling”. LTO Nederland, verreweg de grootste belangenorganisatie van de ondernemers werkzaam in de land- en tuinbouw, waartoe zowel [appellant] als Alpuro behoort, heeft naar aanleiding van deze maatregel bij brief van 2 december 2009 onder meer het volgende geschreven:

“Bijna alle contractgevers (integraties, toevoeging hof) willen vasthouden aan overheveling van de betreffende EU-premiegelden naar de contractgever.

De vakgroep vleeskalverhouderij vindt dat kalverhouders hierin vrij moeten zijn. De toeslagrechten blijven eigendom van de kalverhouder en worden aan hem uitbetaald. De kern van de ontkoppeling is dat EU-ondersteuning niet meer wordt gekoppeld aan een product of diercategorie (bijvoorbeeld kalveren) maar aan een bedrijf. Daarmee wordt de totale bedrijfsvoering (grond, vee en gewas) ondersteund en wordt marktgerichte productie van agrarische producten gestimuleerd. Ook andere productgerichte premies (maïs, zetmeel, zuivel en roodvlees) zijn inmiddels omgezet in normale toeslagrechten (gebonden aan grond) en bijzondere toeslagrechten. De relatie met de lopende exploitatie op basis van een gewas, product of diercategorie zal stap voor stap worden afgebouwd. In 2013 zal de EU daarover nieuwe besluiten nemen.

De vakgroep begrijpt de wens van de contractaanbieders om alles zoveel mogelijk bij het oude te laten en bij het afsluiten van contracten het overhevelen van het deel van de toeslagrechten, die zijn gebaseerd op de slachtpremie, opnieuw vast te leggen. Om de overgang naar 2013 te versoepelen geeft LTO het advies aan de vleeskalverhouders, die er voor kiezen om in deze lijn te blijven werken, de afspraak met de contractgever te maken dat de bestaande overheveling blijft bestaan maar stap voor stap wordt afgebouwd. De eerste stap moet zijn om in aansluiting op de lopende contracten vast te leggen dat op de overheveling een uniform bedrag van minimaal € 10,-- per kalverplaats per jaar ingehouden mag worden door de kalverhouder. Dit uitgaande van dezelfde contractvergoeding.”

3.7

Alpuro heeft naar aanleiding van het advies van LTO de korting van € 10,-- per kalverplaats toegepast op de overeenkomst met [appellant] .

3.8

Van Drie Holding B.V. (hierna: Van Drie) heeft in 2011 Alpuro overgenomen. Sindsdien is Alpuro een dochtermaatschappij van Van Drie, die de directie over Alpuro voert.

3.9

Van Drie heeft bij brief van 27 april 2012 het bedrag aan bedrijfstoeslag dat [appellant] op grond van artikel 9 overeenkomst over het jaar 2010 aan Van Drie moet overmaken vastgesteld op € 84.199,04. Dit bedrag is het saldo van het aan [appellant] ter zake van toeslagrechten uitgekeerde bedrag van € 104.849,04 minus een bedrag van € 10,-- per kalverplaats. Alpuro had op 3 februari 2012 een bedrag van € 40.841,52 verrekend met het voorschot dat [appellant] ontving als mestvergoeding. [appellant] heeft het over 2010 resterende bedrag van € 43.357,52 ondanks daartoe strekkend verzoek niet aan Van Drie (dan wel Alpuro) betaald.

3.10

Bij brief van - eveneens - 27 april 2012 heeft Van Drie het bedrag aan bedrijfstoeslag dat [appellant] over het jaar 2011 aan Van Drie moet overmaken vastgesteld op per saldo € 83.113,44. [appellant] heeft ook dit bedrag niet aan Van Drie (dan wel Alpuro) betaald.

3.11

Alpuro heeft op 6 juli 2012 de resterende bedrijfstoeslag 2010 en de bedrijfstoeslag 2011 verrekend met het aan [appellant] op dat moment toekomend voorschot op de mestvergoeding.

3.12

[appellant] heeft bij brief van 18 juli 2012, aanvoerende dat artikel 9 overeenkomst in strijd is met het Europese recht, Alpuro verzocht om binnen twee weken de bedrijfstoeslagen over 2010 en 2011 aan hem terug te betalen, met aanzegging dat bij gebreke daarvan rente in rekening zal worden gebracht. Alpuro heeft aan dit betalingsverzoek niet voldaan.

3.13

[appellant] heeft rond oktober 2012 de laatste groep van de laatste ronde gemeste kalveren aan Alpuro geleverd. Alpuro heeft in haar brief van 1 oktober 2012 aan [appellant] de bedrijfstoeslag 2012 geschat op een bedrag van € 52.066,62 en dit bedrag verrekend met het aan [appellant] op dat moment toekomend voorschot op de mestvergoeding.

3.14

[appellant] heeft bij brief van 25 oktober 2012 Alpuro - tevergeefs - gesommeerd om de verrekende bedrijfstoeslagen aan [appellant] terug te betalen. Het gaat hierbij in totaal om een bedrag van € 220.312,48.

3.15

De overeenkomst is na aflevering van de laatste mestronde op 19 oktober 2012 beëindigd.

4 De vorderingen en stellingen van partijen

4.1

[appellant] heeft na vermeerdering van eis in conventie primair gevorderd dat de rechtbank (a) voor recht zal verklaren dat artikel 9 overeenkomst in strijd is met de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (hierna: Verordening 1782/2003) en daarom nietig en (b) dat de bedrijfstoeslag toebehoort aan [appellant] en dat Alpuro deze ten onrechte heeft verrekend met de mestvergoeding en (c) Alpuro zal veroordelen aan [appellant] te betalen een bedrag van € 219.379,10, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente daarover vanaf 2 augustus 2012 tot de dag der algehele voldoening en subsidiair (d) Alpuro zal veroordelen tot betaling van de bedrijfstoeslag die [appellant] heeft verkregen op basis van de Nationale Reserve, een bedrag nader op te maken bij staat, een en ander vermeerderd met buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

4.2

[appellant] stelt dat artikel 9 overeenkomst, geciteerd in 3.5, nietig is wegens strijd met de doelstellingen van Verordening 1782/2003. Artikel 9 verplicht [appellant] de bedrijfstoeslag die hem op grond van Verordening 1782/2003 als inkomenssteun ter verzekering van een redelijke levensstandaard toekomt, aan Alpuro af te staan. Alpuro voldoet niet aan de voorwaarden voor verkrijging van bedrijfstoeslagen en is niet gebonden aan de cross-compliancevoorschriften van de verordening. [appellant] heeft de inkomenssteun nodig om de door de verordening gewenste investeringen ten behoeve van het dierenwelzijn en het milieu te realiseren. Doorbetaling van de bedrijfstoeslag leidt daarom tot strijd met de doelstellingen van Verordening 1782/2003, in ieder geval voor zover het de bedrijfstoeslag betreft die uit de Nationale Reserve is toegekend.

4.3

Alpuro heeft in conventie als verweer aangevoerd dat zij geen aanspraak maakt op de aan [appellant] toekomende bedrijfstoeslag. De bedrijfstoeslag is een onderdeel van het rekenschema dat partijen hanteren voor de beloning door Alpuro voor de werkzaamheden van [appellant] (het mesten van de kalveren). De prijs voor gemeste kalveren is op grond van artikel 10.2 overeenkomst samengesteld uit 1) de koopsom die [appellant] voor de nuchtere kalveren heeft betaald, 2) de voederkosten van de kalveren, 3) overige kosten van onder andere huisvesting, stalinrichting en mestafvoer (in de overeenkomst de mestvergoeding genoemd) en 4) correcties in verband met afwijkingen van de kalveren ten opzichte van de norm. Van het aldus bereikte totaal wordt de bedrijfstoeslag afgetrokken. Dat is de prijs die Alpuro aan [appellant] voor de gemeste kalveren verschuldigd is. Omdat de bedrijfstoeslag slechts een rekenfactor is bij de berekening van de prijs van de gemeste kalveren, wordt het Unierecht niet geschonden. In economische zin is de bedrijfstoeslag identiek aan de slachtpremie. Een beding als artikel 9 overeenkomst is in de kalverhouderij in Nederland, maar ook in België, Frankrijk en Duitsland gebruikelijk. De verrekening van de bedrijfstoeslag geldt slechts zolang de overeenkomst tussen partijen geldt. Ook de uit de Nationale Reserve toegekende bedrijfstoeslag dient meegenomen te worden bij bepaling van de prijs. [appellant] eet van twee walletjes door enerzijds een deel van zijn ondernemersrisico over te dragen aan Alpuro door het sluiten van een integratiecontract, maar anderzijds de bedrijfstoeslag voor zich te houden. Voor het geval de rechter artikel 9 nietig zou oordelen, stelt Alpuro zich subsidiair op het standpunt dat dan de gehele overeenkomst nietig is en dat alle reeds uitgevoerde prestaties moeten worden teruggedraaid. Volgens haar staat het beding tot verrekening van de bedrijfstoeslag in onverbrekelijk verband met de overige bedingen van de overeenkomst. Meer subsidiair verlangt Alpuro bij nietigheid van artikel 9 overeenkomst wijziging van de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden. Partijen hebben de invoering van de bedrijfstoeslag niet verdisconteerd in de overeenkomst. Dat brengt mee dat de door Alpuro verschuldigde mestvergoeding zodanig moet worden verlaagd, dat daarmee haar verlies door het wegvallen van de aanspraak op het bedrag van de bedrijfstoeslag wordt gecompenseerd. Meest subsidiair voert Alpuro aan dat bij nietigheid van artikel 9 [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt doordat zij het bedrag van de bedrijfstoeslag niet behoeft door te betalen aan Alpuro. Voor dat geval doet Alpuro een beroep op verrekening. Onder de voorwaarde dat de rechter het beroep op verrekening in conventie verwerpt, vordert Alpuro in reconventie € 219.379,10 als bedrag waarmee [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt.

4.4

[appellant] heeft verweer gevoerd tegen de vordering in voorwaardelijke reconventie. Dat verweer is ontleend aan haar stellingen in conventie.

5 De beslissing van de rechtbank

5.1

De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 14 mei 2014 in conventie het verweer van Alpuro gehonoreerd en het beroep op nietigheid verworpen. Uit het algemeen beginsel van contractsvrijheid vloeit voort dat [appellant] vrij is te beschikken over de aan hem toekomende bedrijfstoeslag. Deze vrijheid omvat verdiscontering van de bedrijfstoeslag in de door Alpuro aan hem te betalen prijs (rechtsoverweging 7.9). Uit het contract volgt dat de bedrijfstoeslag aan [appellant] toekomt en niet aan Alpuro (rechtsoverweging 7.21). Noch de preambule, noch de bepalingen van Verordening 1782/2003 of van haar opvolger Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (hierna: Verordening 73/2009) verbieden het op deze wijze contracteren over de bedrijfstoeslag (rechtsoverweging 7.10). Dat geldt ook voor het door [appellant] gedane beroep op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) (rechtsoverwegingen 7.11 - 7.14). Het verschil tussen de onder de oude verordening 1254/1999 uitgekeerde slachtpremie en de bedrijfstoeslag onder het nieuwe regime maakt ook niet dat de contractsclausule nietig is.

6 Het toepasselijke Unierecht

6.1

De inzet van het geding is de geldigheid van onderdelen van de artikel 9 en 10 overeenkomst. De overeenkomst is gesloten in 2008. Toen gold Verordening 1782/2003. De uitvoering van de overeenkomst is aangevangen op 5 maart 2009. [appellant] vordert in deze procedure de op de voorschotten ingehouden bedrijfstoeslagen over 2010, 2011 en 2012 terug. In deze periode gold Verordening 73/2009. Inmiddels is Verordening 73/2009 met ingang van 1 januari 2015 opgevolgd door Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (hierna: Verordening 1307/2013).

6.2

[appellant] stelt dat de artikel 9 en 10 overeenkomst strijden met de doelstellingen van Verordening 1782/2003. Het is het hof niet gebleken dat de argumenten die [appellant] ontleent aan Verordening 1782/2003 niet ook ontleend kunnen worden aan Verordening 73/2009. Het hof zal hierna de relevante passages uit Verordening 73/2009 weergeven. Deze verordening gold in de periode, waarover [appellant] de nietigheid van de artikel 9 en 10 overeenkomst inroept. Waar Verordening 73/2009 verwijst naar Verordening 1782/2003, zal ook daaruit worden geciteerd.

6.3

Punten 25, 27, eerste zin, en 28, laatste zin, van de considerans van Verordening 73/2009 luiden als volgt:

“(25) De rechtstreekse inkomenssteun waarin de steunregelingen in het kader van het GLB voorzien, heeft vooral tot doel de landbouwgemeenschap een redelijke levensstandaard te verzekeren. Dit doel hangt nauw samen met de instandhouding van plattelandsgebieden. Om iedere verkeerde besteding van communautaire middelen te vermijden, mogen geen steunbetalingen worden gedaan aan landbouwers die de voorwaarden voor het verkrijgen van die betalingen kunstmatig hebben gecreëerd.

(27) Bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 is een bedrijfstoeslagregeling ingesteld waarin de verschillende bestaande steunmechanismen in één regeling voor ontkoppelde rechtstreekse betalingen zijn ondergebracht. (…)

(28) (…) Er moeten bepalingen voor de overdracht en het gebruik van toeslagrechten worden vastgesteld om speculatieve overdracht en cumulatie van toeslagrechten zonder overeenkomstige agrarische basis te voorkomen.”

6.4

Punt 24 van de considerans van Verordening 1782/2003 luidt als volgt:

“Het concurrerender maken van de communautaire landbouw en het bevorderen van de toepassing van voedselkwaliteit- en milieunormen gaan noodzakelijkerwijs gepaard met een verlaging van de institutionele prijzen voor landbouwproducten en een stijging van de productiekosten voor de communautaire landbouwbedrijven. Voor het bereiken van deze doelstellingen en het bevorderen van een marktgerichtere en duurzame landbouw moet de verschuiving van productiesteun naar steun aan de producent worden voltooid door de invoering van een systeem met ontkoppelde inkomenssteun voor elk bedrijf. Terwijl de ontkoppeling de feitelijk aan de landbouwers betaalde bedragen ongewijzigd zal laten, zal dankzij de ontkoppeling sprake zijn van een veel doeltreffender inkomenssteun. Het is daarom dienstig de ene bedrijfstoeslag afhankelijk te stellen van de naleving van randvoorwaarden op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede de handhaving van het landbouwbedrijf in goede landbouw- en milieuconditie.”

6.5

De artikelen 4 (“Belangrijkste eisen”) lid 1, eerste zin, 5 (“Uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen”) lid 1, 33 (“Toeslagrechten”) lid 1 sub a en 43 (“Overdracht van toeslagrechten”), lid 1, eerste zin, en lid 2, eerste zin, van Verordening 73/2009 luiden als volgt:

Artikel 4 lid 1, eerste zin

Een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, neemt de in bijlage II genoemde uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de in artikel 6 bedoelde eisen inzake goede landbouw- en milieuconditie in acht.”

Artikel 5 lid 1

“De in bijlage II genoemde opgenomen uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen worden vastgesteld in communautaire regelgeving op de volgende gebieden:

— volksgezondheid, diergezondheid en gezondheid van planten,

— milieu,

— dierenwelzijn.”

Artikel 33 lid 1 sub a

“In het kader van de bedrijfstoeslagregeling wordt steun beschikbaar gesteld voor landbouwers die:

a) beschikken over toeslagrechten die zij overeenkomstig Verordening”

(EG) nr. 1782/2003 hebben verkregen.

Artikel 43, lid 1, eerste zin, en lid 2, eerste zin

“1. Toeslagrechten kunnen uitsluitend worden overgedragen aan een landbouwer die in dezelfde lidstaat is gevestigd, behalve in het geval van overdracht door feitelijke of verwachte vererving. (…)

2. Toeslagrechten kunnen worden overgedragen door verkoop of elke andere vorm van definitieve overdracht met of zonder grond.”

6.6

Artikel 33 (“Subsidiabiliteit”) lid 1 van Verordening 1782/2003 luidt als volgt:

“De landbouwers kunnen gebruik maken van de bedrijfstoeslagregeling indien:

a. a) zij in de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode een betaling hebben ontvangen uit hoofde van ten minste één van de in bijlage VI bedoelde steunregelingen, of

b) zij het bedrijf of een gedeelte van het bedrijf door feitelijke of verwachte vererving hebben verkregen van een landbouwer die aan de voorwaarden onder a) voldeed, of

c) zij een toeslagrecht uit de nationale reserve of via overdracht hebben verkregen.”

7 Jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie

7.1

De punten 38 en 43 tot en met 48 van het arrest van het HvJ EU van 20 mei 2010, C-434/08, ECLI:EU:C:2010:285, Harms/Heidinga luiden als volgt:

“38 In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 1, tweede streepje, van verordening nr. 1782/2003 de bedrijfstoeslagregeling inkomenssteun voor landbouwers vormt. Zoals in punt 21 van de considerans van voornoemde verordening staat te lezen, hangt het doel, de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, nauw samen met de instandhouding van plattelandsgebieden. Dat is overigens de reden waarom in punt 24 van de considerans van die verordening wordt verklaard dat het dienstig is de bedrijfstoeslag afhankelijk te stellen van de naleving van randvoorwaarden op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede de handhaving van het landbouwbedrijf in goede landbouw - en milieuconditie. De wetgever heeft overigens de betaling van de steun afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de landbouwer over een aantal subsidiabele hectaren beschikt dat overeenkomt met het aantal toeslagrechten (zie in die zin arrest van 21 januari 2010, van Dijk, C-470/08, Jurispr. blz. I‑00000, punt 33). (…)

43 Onderling zijn de partijen bij de verkoopovereenkomst evenwel overeengekomen, de koper in een beding in artikel 9 van die overeenkomst een bepaald aantal toeslagrechten toe te wijzen, waarbij de koper zich ertoe verbindt aan de verkopers de bedragen uit te keren die hij jaarlijks op grond van de resterende toeslagrechten na de activering ervan ontvangt.

44 Uit de bewoordingen van dat beding, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat niet alle toeslagrechten die aan de koper worden overgedragen hem toekomen, doch slechts een deel ervan, lijkt voort te vloeien dat de partijen in hun onderlinge betrekkingen een gedeelte van de overgedragen toeslagrechten hebben willen toekennen aan de verkopers, wat in strijd is met de doelstellingen van verordening nr. 1782/2003. A contrario volgt immers noodzakelijkerwijs uit dat beding dat de resterende toeslagrechten aan de verkopers toekomen. Een dergelijke vaststelling klemt te meer daar, zoals blijkt uit de aan het Hof voorgelegde gegevens, de partijen niet hebben voorzien in enige beperking in de tijd van de op de concessionaris rustende verplichting om een gedeelte van de bedragen die hij uit hoofde van de hierboven bedoelde toeslagrechten ontvangt, aan de cedent uit te keren.

45 Een dergelijk beding, op grond waarvan de cessionaris van de toeslagrechten in zijn betrekkingen met de andere contractpartij slechts recht heeft op een deel van de toeslagrechten die hem formeel zijn overgedragen, kan niet worden geacht in overeenstemming te zijn met de doelstellingen van verordening nr. 1782/2003, zoals die in punt 38 van het onderhavige arrest zijn weergegeven, voor zover het ertoe strekt de cedent in staat te stellen aanspraak te kunnen blijven maken op de bij verordening nr. 1782/2003 ingestelde steunregeling zonder zelf te hoeven voldoen aan de in hoofdstuk 1 van titel II van die verordening bedoelde verplichtingen alsook aan de subsidiabiliteitscriteria van artikel 33 van die verordening.

46 Verzoekster in het hoofdgeding heeft ter terechtzitting evenwel betoogd dat bij de sluiting van de verkoopovereenkomst de toeslagrechten in de Bondsrepubliek Duitsland en in het bijzonder in Niedersachsen nog niet waren toegekend. Bijgevolg heeft bedoeld, ongelukkig geformuleerd beding niet tot doel een deel van de aan de cessionarissen overgedragen toeslagrechten naar haar te doen terugvloeien, maar strekt het ertoe, aan de hand van de waarde van dat gedeelte van de toeslagrechten de overeengekomen prijs voor de overdracht van alle toeslagrechten te bepalen.

47 In dat verband moet worden vastgesteld dat het de partijen bij ontbreken van een andersluidende bepaling in verordening nr. 1782/2003 in beginsel vrij staat het bedrag van de financiële tegenprestatie voor de overdracht van de toeslagrechten te bepalen.

48 In die omstandigheden is de beslissende vraag, of aan het litigieuze beding de wil van de partijen ten grondslag ligt om in hun onderlinge betrekkingen een deel van de toeslagrechten die formeel zijn overgedragen toe te kennen aan de cedent, wat in strijd is met het bepaalde in verordening nr. 1782/2003, dan wel om aan de hand van de waarde van dat gedeelte van de toeslagrechten de voor de overdracht van alle toeslagrechten overeengekomen prijs te bepalen.”

7.2

In een met de onderhavige zaak (tussen [appellant] en Alpuro) vergelijkbare kwestie heeft de Cour d’appel d’Angers een prejudiciële vraag aan het HvJ EU gesteld (zaak C-272/06, Mainelvo/Denkavit). Omdat de zaak is geschikt, heeft zij niet tot een arrest van het HvJ EU geleid. Voordat de schikking was getroffen, had de Europese Commissie haar schriftelijke opmerkingen ingediend. Uit deze schriftelijke opmerkingen worden de nrs. 23 tot en met 26, 32 en 33 geciteerd:

“23 Uit de toegezonden stukken blijkt dat de veehouder de premie inderdaad heeft ontvangen, die hij, op grond van een overeenkomst, daarna aan de integratie heeft overgedragen. Wanneer hij evenwel de slachtpremie eenmaal in handen heeft, is de veehouder vrij om erover te beschikken zoals hij wil en in vrijheid te kiezen welke bestemming hij eraan wil geven. Door dit te doen trekt de veehouder concreet voordeel van de premie, omdat hij immers in staat is een aanzienlijk deel ervan over te dragen in ruil (waarschijnlijk) voor andere voordelen of diensten van het geïntegreerde bedrijf.

24 Deze situatie lijkt op zich niet af te wijken van een situatie die voortvloeit uit een overeenkomst waarin is bepaald dat een geldsom van een bedrag gelijk aan de slachtpremie wordt betaald aan de integratie (waarschijnlijk tegen andere voordelen), in plaats van uitdrukkelijk de overdracht van deze premie beogen.

25 Er is dus, formeel tenminste, geen sprake van “een inbreuk op het beginsel van directe betaling aan de veehouder” , zoals de verwijzende rechter aangeeft, want het betreft een latere betaling die voortvloeit uit een contractuele verplichting van Mainelvo.

26 Naar de mening van de Commissie, op basis van de feitelijke elementen die zij tot haar beschikking heeft, wordt de opgelegde betaling enkele geregeld door de wet tussen de partijen. In deze situatie merkt de Commissie geen enkele bepaling op van verordening (EG) nr. 1452/1999, noch van Verordening (EG) nr. 2342/1999, die zich ertegen verzet dat de begunstigde van de premie het premiegeld, eenmaal ontvangen, aanwendt zoals hem dat uitkomt, in de uitoefening van zijn eigen contractuele vrijheden. (…)

32 Door de stukken van het nationaal dossier te analyseren, zou de verwijzende rechter zich ervan moeten kunnen verzekeren dat, hoewel er formeel is voldaan aan de voorwaarden voor verkrijging van de slachtpremie, er geen afbreuk is gedaan aan de doeleinden ervan, te weten inkomenssteun aan de producent middels directe betaling.

33 Als de betaling van de slachtpremie aan de integratie in feite geschiedt zonder tegenprestatie van de integratie ten gunste van de veehouder, en zonder derhalve deel uit te maken van een kader van wederzijdse voordelen en verplichtingen, zou een dergelijke praktijk het doel van inkomenssteun kunnen miskennen, als bedoeld bij de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees.”

8 Het nationale recht

8.1

De artikelen 10 lid 1 en 16, lid 1, sub a tot en met c van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, zoals deze gold op 17 juni 2008, luiden als volgt:

Artikel 10

“Overeenkomstig titel III, en de daar genoemde bijlagen, van verordening 1782/2003 en verordening 795/2004, worden toeslagrechten uitsluitend toegewezen aan landbouwers als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel a en b, van verordening 1782/2003 en aan landbouwers die toeslagrechten uit de nationale reserve verkrijgen.”

Artikel 16, lid 1, sub a tot en met c

“Voor toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve komen uitsluitend in aanmerking:

a. melkveehouders op wie artikel 19 van verordening 795/2004 van toepassing is;

b. landbouwers die overeenkomstig een van de in artikel 20 van verordening 795/2004 genoemde wijzen een bedrijf of een deel van een bedrijf in bezit hebben gekregen dat tijdens de referentieperiode was verhuurd, indien ten genoegen van de minister wordt aangetoond dat zij de betrokken grond in bezit hebben gekregen;

c. landbouwers die overeenkomstig artikel 21 van verordening 795/2004 geïnvesteerd hebben in productiecapaciteit of grond hebben gekocht, indien ten genoegen van de minister wordt aangetoond dat zij overeenkomstig artikel 21 van verordening 795/2004, uiterlijk op 15 mei 2004:

geïnvesteerd hebben in stalcapaciteit, of deze voor tenminste zes jaar hebben gehuurd;

grond hebben gekocht, of voor tenminste zes jaar hebben gehuurd;

dieren hebben gekocht waarvoor een in bijlage VI bij verordening 1782/2003 genoemde rechtstreekse betaling kon worden verkregen;

premierechten voor ooien of zoogkoeien hebben gekocht, of

leveringsrechten voor de voor zetmeelproductie bestemde aardappelen, bedoeld in verordening 1766/1992 van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen hebben gekocht, voor zover deze ook daadwerkelijk worden benut.”

8.2

De artikelen 40, leden 1 en 2 en 41 Boek 3 Nederlands Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luiden als volgt:

Artikel 40 leden 1 en 2 Boek 3 BW

“1. Een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, is nietig.

2. Strijd met een dwingende wetsbepaling leidt tot nietigheid van de rechtshandeling, doch, indien de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, slechts tot vernietigbaarheid, een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit.”

Artikel 41 Boek 3 BW

“Betreft een grond van nietigheid slechts een deel van een rechtshandeling, dan blijft deze voor het overige in stand, voor zover dit, gelet op inhoud en strekking van de handeling, niet in onverbrekelijk verband met het nietige deel staat.”

8.3

De artikelen 212, 258 en 260 Boek 6 BW luiden als volgt:

Artikel 212 Boek 6 BW

“1 Hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, is verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.

2 Voor zover de verrijking is verminderd als gevolg van een omstandigheid die niet aan de verrijkte kan worden toegerekend, blijft zij buiten beschouwing.

3 Is de verrijking verminderd in de periode waarin de verrijkte redelijkerwijze met een verplichting tot vergoeding van de schade geen rekening behoefde te houden, dan wordt hem dit niet toegerekend. Bij de vaststelling van deze vermindering wordt mede rekening gehouden met uitgaven die zonder de verrijking zouden zijn uitgebleven.”

Artikel 258 Boek 6 BW

“1 De rechter kan op verlangen van een der partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend.

2 Een wijziging of ontbinding wordt niet uitgesproken, voor zover de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich erop beroept.

3 Voor de toepassing van dit artikel staat degene op wie een recht of een verplichting uit een overeenkomst is overgegaan, met een partij bij die overeenkomst gelijk.”

Artikel 260 Boek 6 BW

“1 Een wijziging of ontbinding als bedoeld in de artikelen 258 en 259 kan worden uitgesproken onder door de rechter te stellen voorwaarden.

2 Indien hij op grond van die artikelen de overeenkomst wijzigt of gedeeltelijk ontbindt, kan hij bepalen dat een of meer der partijen de overeenkomst binnen een bij de uitspraak vast te stellen termijn door een schriftelijke verklaring geheel zal kunnen ontbinden. De wijziging of gedeeltelijke ontbinding treedt niet in, voordat deze termijn is verstreken.

3 Is de overeenkomst die op grond van de artikelen 258 en 259 wordt gewijzigd of geheel of gedeeltelijk ontbonden, ingeschreven in de openbare registers, dan kan ook de uitspraak waarbij de wijziging of ontbinding plaatsvond, daarin worden ingeschreven, mits deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of uitvoerbaar bij voorraad is.

4 Wordt iemand te dier zake gedagvaard aan zijn overeenkomstig artikel 252 lid 2, eerste zin, gekozen woonplaats, dan zijn daarmee tevens gedagvaard al zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen. Artikel 29 lid 2 en lid 3, tweede tot en met vierde zin, van Boek 3 zijn van overeenkomstige toepassing.

5 Andere rechtsfeiten die een ingeschreven overeenkomst wijzigen of beëindigen, zijn eveneens inschrijfbaar, voor zover het rechterlijke uitspraken betreft mits zij in kracht van gewijsde zijn gegaan of uitvoerbaar bij voorraad zijn.”

9 De motivering van de beslissing

9.1

[appellant] is onder aanvoering van vijf grieven in hoger beroep gekomen van het vonnis van 14 mei 2014. Alpuro heeft daartegen verweer gevoerd. De grieven leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof overweegt als volgt.

9.2

De vrijheid van ondernemerschap omvat de contractsvrijheid (artikel 16 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie). De contractsvrijheid kan door het Unierecht worden beperkt, mits de wezenlijke inhoud van het grondrecht wordt geëerbiedigd en het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen (artikel 52 lid 1 Handvest).

9.3

[appellant] stelt dat het prijsbepalingssysteem voor vette (gemeste) kalveren uit artikelen 9 en 10 overeenkomst strijdig is met Verordeningen 1782/2003 en 73/2009. Het prijsbepalingssysteem verplicht hem immers de hem toekomende bedrijfstoeslag in zijn geheel ten goede te laten komen aan Alpuro. De bedrijfstoeslag is, anders dan de slachtpremie onder Verordening 1254/99, niet gerelateerd aan een geslacht kalf, maar aan de bedrijfsvoering in het algemeen. De toeslag verschaft de landbouwer inkomenssteun ter waarborging van een redelijke levensstandaard en opdat deze zijn bedrijfsvoering kan inrichten op verbetering van volksgezondheid, diergezondheid, milieu en dierenwelzijn. Door het prijsbetalingssysteem loopt hij de bedrijfstoeslag mis. Hij kan deze daarom niet gebruiken om te investeren in zijn onderneming. Dat strijdt volgens hem met de doelstellingen van de verordeningen. [appellant] heeft gewezen op de punten 25 en 24 van de considerans van Verordeningen 73/2009, respectievelijk 1782/2003, geciteerd in 6.3 en 6.4. Het hof wijst in aanvulling daarop op de artikelen geciteerd in 6.5 en 6.6.

9.4

Het hof acht zeer wel denkbaar dat een contractueel prijsbepalingssysteem als het onderhavige, waarin de aan de kalvermester toegekende bedrijfstoeslag/inkomenssteun toekomt aan het integratiebedrijf door middel van aftrek van de koopsom voor vette kalveren, strijdt met de doelstellingen van beide verordeningen en dus ook Verordening 73/2009. De inkomenssteun aan de kalvermester is een zaak tussen de Nederlandse overheid en de kalvermester. Hij regardeert het integratiebedrijf niet. Het integratiebedrijf is immers een los van de kalvermester staande onderneming die geen aanspraak heeft op deze bedrijfstoeslag. De bedrijfstoeslag wordt de kalvermester toegekend ter waarborging van een redelijke levensstandaard en om deze aan te moedigen te investeren in volksgezondheid, diergezondheid, milieu en dierenwelzijn. Die doelstellingen komen mogelijk onder druk te staan als de bedrijfstoeslag één op één moet worden doorbetaald aan het integratiebedrijf. Ook uit de stellingen van Alpuro blijkt dat het goed mogelijk is de prijs voor de vette kalveren te bepalen los van de bedrijfstoeslag. Daar staat tegenover, zoals de Commissie in Mainelvo/Denkavit (zie 7.2) heeft opgemerkt, dat het de kalvermester vrijstaat, de toeslag eenmaal ontvangen hebbende, het daarmee corresponderende geldbedrag door te betalen aan een derde in ruil voor door die derde te verschaffen voordelen. De vraag is echter of de contractsvrijheid in dit geval niet wordt beperkt door de doelstellingen van Verordening 73/2009. Doorbetaling betreft immers de gehele bedrijfstoeslag, die bij voorbaat gedurende de looptijd van de overeenkomst wordt afgetrokken van de prijs voor vette kalveren, terwijl een prijsbepaling voor vette kalveren los van de bedrijfstoeslag goed mogelijk is. Het bij voorbaat verrekenen van een nog toe te kennen bedrijfstoeslag kan worden onderscheiden van besteding van een reeds ontvangen bedrijfstoeslag.

9.5

Of het onderhavige contractuele prijsbepalingssysteem inderdaad ontoelaatbaar is, valt niet af te leiden uit de tekst van en toelichting op de verordeningen. Ook de beslissing in de zaak Harms/Heidinga (zie 7.1) geeft geen uitsluitsel, terwijl de zaak Mainelvo/Denkavit (zie 7.2) niet tot een arrest van het HvJ EU heeft geleid. Het hof zal daarom de hierna in 10 onder 1 weergegeven vraag aan het HvJ EU stellen. De vraag heeft een belang dat deze zaak overstijgt. Het prijsbepalingssysteem uit deze overeenkomst is algemeen gebruikelijk in de kalverhouderij, niet alleen in Nederland, maar ook in andere landen van de Unie. Gezien dit maatschappelijke belang maakt het hof gebruik van haar bevoegdheid deze vraag te stellen, ook al staat van zijn beslissing beroep in cassatie open op de Hoge Raad der Nederlanden.

9.6

Als het HvJ EU van oordeel is dat het prijsbepalingssysteem van de artikelen 9 en 10 overeenkomst nietig is wegens strijd met de doelstellingen van Verordening 73/2009, komt het verweer van Alpuro aan de orde dat de contractuele regeling tot toekenning van de bedrijfstoeslag door middel van aftrek van de koopsom voor vette kalveren in onverbrekelijk verband staat met de overige bepalingen uit de overeenkomst. Volgens haar betekent dit dat nietigheid van de bewuste bepalingen nietigheid van de gehele overeenkomst meebrengt. [appellant] heeft dit verweer bestreden met de stelling dat zonder het aftrekbeding nog steeds een uitvoerbare overeenkomst overblijft.

9.7

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2123, NJ 2014/347, BP/Benschop) overwogen over het al dan niet onverbrekelijke verband tussen het nietige en het geldige deel van de overeenkomst (artikel 3:41 BW) dat “de vraag of van zodanig verband sprake is, een vraag van uitleg van de rechtshandeling (is). Daarbij kunnen van belang zijn de aard, inhoud en strekking van de rechtshandeling, de mate waarin de onderscheiden onderdelen met elkaar verband houden, en hetgeen partijen met de rechtshandeling hebben beoogd. In het licht daarvan dient de rechter te beoordelen of, mede gelet op de overige omstandigheden van het geval en de belangen van alle betrokken partijen, voor gedeeltelijke instandhouding van de rechtshandeling al dan niet voldoende rechtvaardiging bestaat.”

9.8

Het hof oordeelt aan de hand van deze maatstaf dat er van zo’n onverbrekelijk verband geen sprake is. Uit de berekeningen van Alpuro volgt dat zij ± € 50,- per kalf extra betaalt, als de bedrijfstoeslag over de drie jaren niet wordt afgetrokken van de prijs. Dat is voor haar een financiële tegenvaller, maar die is niet zo ernstig dat daardoor de doelstelling van de overeenkomst, te weten het afmesten van kalveren, uit zicht is verdwenen. De overeenkomst is voor het overige goed uitvoerbaar zonder aftrek van de bedrijfstoeslag. Dat wijst niet op een onverbrekelijk verband. Ten slotte zou bij algehele nietigheid van de overeenkomst [appellant] alle ontvangen bedragen moeten terugbetalen en zou een gecompliceerde berekening moeten worden gemaakt ter bepaling van de waarde van de door [appellant] verrichte prestaties die niet meer ongedaan zijn te maken. Dat zou een drempel kunnen opwerpen voor kalvermesters als [appellant] om een beroep op nietigheid te doen.

9.9

Dat brengt mee dat slechts de artikelen uit de overeenkomst die zien op aftrek van de bedrijfstoeslag van de prijs voor vette kalveren nietig zouden zijn bij strijd met Verordening 73/2009. Dan komt het volgende verweer van Alpuro aan de orde, dat de rechter op basis van artikel 6:258 BW, waarin de clausula-rebus-sic-stantibus-leer is verankerd, de overeenkomst moet wijzigen in dier voege dat het nadeel dat de nietigheid van de aftrekclausule meebrengt, wordt gecompenseerd. De compensatie zou volgens Alpuro moeten plaatsvinden door verlaging van de krachtens artikel 6 overeenkomst verschuldigde mestvergoeding, primair met een bedrag dat het verlies geheel compenseert, subsidiair met een bedrag dat de rechter juist oordeelt.

9.10

Het hof overweegt dat een partij de rechter op grond van artikel 6:258 BW kan verzoeken de inhoud van de overeenkomst te wijzigen “op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten”. Bepalend is of partijen niet hebben voorzien in de door de wijziging ontstane situatie, niet of deze voorzienbaar was voor partijen. Op grond van artikel 6:260 BW kan de rechter aan de wijziging voorwaarden verbinden. [appellant] heeft niet betwist dat in de overeenkomst niet de situatie is voorzien dat de bedrijfstoeslag niet toekomt aan Alpuro. Daarvan gaat het hof dus uit. Het hof ziet aanleiding een tweede vraag aan het HvJ EU voor te leggen, erop neerkomende dat uitgaande van nietigheid van de aftrekbepaling, de prijsbepalingsclausule uit de overeenkomst op basis van de clausula-rebus-sic-stantibus-leer mag worden gewijzigd als voorgesteld door Alpuro.

9.11

Het hof overweegt reeds nu, dat als wijziging op grond van artikel 6:258 BW niet mogelijk is, het meest subsidiaire beroep van Alpuro op ongerechtvaardigde verrijking van [appellant] (artikel 6:212 BW) zal worden verworpen. Als het hof toekomt aan dit meest subsidiaire verweer, staat vast dat aftrek van de bedrijfstoeslag in strijd met Verordening 73/2009 is en aanpassing van de overeenkomst niet te verenigen is met de doelstellingen van deze verordening. Een en ander brengt mee dat dan ook geen sprake is van een verrijking van [appellant] die ongerechtvaardigd is.

9.12

Het hof zal het geding schorsen in afwachting van de beantwoording van de vragen door het HvJ EU van de aan dat Hof voor te leggen prejudiciële vragen, zoals die hieronder in de beslissing zijn geformuleerd. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

10 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de volgende vragen uitspraak te doen:

1. Is een samenstel van bedingen in een overeenkomst tussen een kalvermester en een integratiebedrijf, zoals weergegeven in 3.4 en 3.5 van dit arrest, waaruit volgt dat de aan de kalvermester toegekende bedrijfstoeslag krachtens Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, toekomt aan het integratiebedrijf door middel van aftrek van de prijs voor de vette kalveren, geldig gezien de doelstellingen van deze Verordening, met name de verschaffing van een redelijke levensstandaard voor landbouwers door middel van rechtstreekse inkomenssteun en de bevordering van volksgezondheid, diergezondheid, milieu en dierenwelzijn?

2. In geval van ontkennende beantwoording van vraag 1: heeft de nationale rechter gezien de bestaande strijd met de doelstellingen van Verordening 73/2009 de bevoegdheid om de overeenkomst op basis van de clausula-rebus-sic-stantibus-leer aldus te wijzigen dat het door de nietigheid ontstane nadeel voor het integratiebedrijf geheel of gedeeltelijk wordt opgeheven, in het bijzonder door verlaging van de prijs voor vette kalveren?

schorst het geding tot het Hof van Justitie van de Europese Unie naar aanleiding van dit verzoek uitspraak heeft gedaan;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, B.J. Lenselink en F.J. de Vries, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de jongste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 april 2016.