Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3085

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
21-04-2016
Zaaknummer
200.111.490
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease; verjaring bevoegdheid tot buitengerechtelijke vernietiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.111.490

(zaaknummer rechtbank Almelo, locatie Enschede, 331860)

arrest van 19 april 2016

inzake

de vennootschap naar Iers recht

Varde Investments (Ireland) Limited,

gevestigd te Dublin (Ierland),

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Varde,

advocaat: mr. J.M.K.P. Cornegoor,

tegen

[geïntimeerde] e/v [A.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.B. Maliepaard.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het hof naar het tussenarrest in deze zaak van 11 augustus 2015. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de akte na tussenarrest van Varde, met een productie;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde].

1.2

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

De enige door Varde bij memorie van grieven aangevoerde grief richt zich tegen rechtsoverweging 2.4 van het bestreden vonnis, waarin de kantonrechter heeft geoordeeld dat de collectieve actie (waarmee de kantonrechter doelde op de bij dagvaarding van 13 maart 2003 door de Stichting Eegalease jegens Dexia ingestelde collectieve vordering, hierna: de collectieve vordering) ook stuitende werking heeft gehad ten aanzien van de verjaring van de bevoegdheid van de echtgenoot van [geïntimeerde] om de overeenkomst met (de rechtsvoorganger van) Varde buitengerechtelijk te vernietigen.

2.2

Bij arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft de Hoge Raad op de daarover gestelde prejudiciële vragen geantwoord dat de stuitende werking op de voet van art. 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van op die collectieve actie aansluitende individuele vorderingen tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW, hetgeen ingevolge het bepaalde in art. 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring wordt gestuit. Voorts heeft de Hoge Raad geantwoord dat een dergelijke buitengerechtelijke vernietigingsverklaring, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht.

2.3

Bij voornoemd tussenarrest van 11 augustus 2015 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over dit toen nog door de Hoge Raad te wijzen arrest en over de gevolgen daarvan voor de onderhavige zaak.

2.4

Voor zover Varde bij haar akte na tussenarrest heeft betoogd dat het beroep door [geïntimeerde] op vernietiging van de overeenkomst ook op andere gronden moet falen dan hetgeen zij bij memorie van grieven heeft aangevoerd, is dat in strijd met de in hoger beroep geldende twee-conclusie-regel. Ingevolge deze regel moet een appellant in zijn eerste inhoudelijke processtuk (memorie van grieven) al zijn stellingen (grieven) neerleggen die zijns inziens moeten leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Dat geldt ook voor het voeren van verweren of tegenweren voor zover die tot een andere beslissing moeten leiden. Gesteld noch gebleken is dat zich een van de in de jurisprudentie aanvaarde uitzonderingen op deze in beginsel strakke regel voordoet. Voor zover Varde bij akte na tussenarrest heeft betoogd dat het beroep op vernietiging van de overeenkomst moet falen omdat de echtgenoot van [geïntimeerde] heeft ingestemd met de verlenging daarvan en omdat de verjaring op 13 maart 2003 reeds was voltooid omdat de echtgenoot van [geïntimeerde] van meet af aan van het bestaan van de overeenkomst op de hoogte was (zie in dat verband overigens ook de overweging in het tussenarrest onder 4.4), moet het hof daaraan dus voorbijgaan. Dat geldt ook voor het in dat verband gedane bewijsaanbod.

2.5

De buitengerechtelijke vernietigingsverklaring door de echtgenoot van [geïntimeerde] sluit aan op de collectieve vordering, zoals door de Hoge Raad in voormeld arrest bedoeld. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dan ook dat de collectieve vordering ook stuitende werking heeft gehad ten aanzien van de verjaring van deze vernietigingsmogelijkheid. Daarop stuit de grief van Varde tegen het gelijkluidende oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 2.4 van het bestreden vonnis af.

2.6

Het verweer van Varde dat deze vernietigingsverklaring betrekking heeft op een overeenkomst van effectenlease die niet wordt bestreken door de collectieve vordering, slaagt niet. Bij memorie van grieven (onder 18) heeft Varde zich juist op het standpunt gesteld dat de vorderingen in de collectieve vordering mede betrekking hadden op de overeenkomst van [geïntimeerde]. Dat is ook waar de kantonrechter vanuit is gegaan (zie rechtsoverweging 2.3 van het bestreden vonnis). De bij akte na tussenarrest ingenomen stelling dat de door de echtgenoot van [geïntimeerde] afgelegde vernietigingsverklaring betrekking heeft op een overeenkomst die buiten de collectieve vordering valt, betreft dan ook een nieuwe grief die, gelet op de twee-conclusie-regel, in dit stadium van de procedure niet toelaatbaar is. Ook ten aanzien van deze nieuwe grief is gesteld noch gebleken dat zich een van de in de rechtspraak aanvaarde uitzonderingen op deze regel voordoet. Overigens is het hof van oordeel dat dit verweer niet opgaat. Weliswaar is juist dat de overeenkomst is gesloten in december 1999, terwijl de vordering (B) in de collectieve procedure betrekking had op overeenkomsten gesloten tussen 29 januari 2000 en 2 mei 2002, maar die beperking gold niet voor de vordering (A) (zie het arrest van de Hoge Raad sub 3.1 onder (iv)). In het arrest wordt verder tussen die vorderingen geen onderscheid meer gemaakt. Daaruit blijkt dan ook niet dat de beantwoording van de prejudiciële vragen uitsluitend betrekking zou hebben op de in vordering (B) bedoelde overeenkomsten. De enkele omstandigheid dat de overeenkomst met [geïntimeerde] een maand eerder is gesloten dan de overeenkomsten ten aanzien waarvan in de collectieve vordering onder (B) een verklaring voor recht is gevraagd, maakt dus niet dat de individuele vordering tot vernietiging van de overeenkomst met [geïntimeerde] niet zou aansluiten op de collectieve vordering zoals door de Hoge Raad bedoeld.

2.7

Varde betoogt in haar akte voorts dat het geschil dat onderwerp was van de collectieve vordering is geëindigd met een minnelijke regeling van 23 juni 2005 tussen enerzijds Dexia en anderzijds onder meer Stichting Eegalease en Vereniging de Consumentenbond. In het kader van die schikking hebben de belangenorganisaties uitdrukkelijk afstand gedaan van de in de collectieve procedure gepretendeerde rechten en vorderingen. Daarmee hebben zij ook afstand gedaan van de stuiting van de verjaring die het uitbrengen van de dagvaarding meebracht, zodat ook [geïntimeerde] zich daarop niet meer kan beroepen, zo stelt Varde.

2.8

Niet alleen is ook dit een nieuwe grief die in strijd is met de tweeconclusieregel, uit het arrest blijkt bovendien dat die opvatting niet juist is. In rov. 3.4.3 overweegt de Hoge Raad: “In een geval als dit, waarin de collectieve actie heeft geleid tot een WCAM-overeenkomst, heeft het uitbrengen van een ‘opt-out’-verklaring als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW niet tot gevolg dat de belanghebbende zich niet meer op de stuitende werking van die actie kan beroepen. De collectieve actie was immers mede ten behoeve van deze belanghebbende ingesteld en deze kan pas na het tot stand komen van een schikking beoordelen of hij daaraan gebonden wenst te zijn. Daarmee strookt niet om aan degenen die zich uiteindelijk niet aan de collectieve schikking willen binden achteraf de stuitende werking van de collectieve actie te ontzeggen.” Dat brengt mee dat ook de getroffen schikking zelf, ook al hebben de belangenverenigingen daarin afstand gedaan van rechten, niet tot gevolg kan hebben dat een belanghebbende zich niet meer kan beroepen op de stuitende werking van de collectieve actie. Juist de omstandigheid dat de belanghebbende de onderhandelingen mag afwachten, brengt mee dat hij de mogelijkheid moet hebben om ook nog nadien zijn belangen veilig te stellen. Zou de opvatting van Varde juist zijn, dan zou dat immers betekenen dat iedere belanghebbende toch tijdig zelf de verjaring zou moeten stuiten, omdat hij niet van te voren kan weten of hij gebonden wenst te zijn aan het uiteindelijk te behalen onderhandelingsresultaat en de in dat kader door de belangenverenigingen aanvaarde compromissen en prijsgegeven rechten. Dit is het tegenovergestelde van hetgeen de Hoge Raad heeft beslist, en kan daarom niet voor juist worden gehouden.

3 Slotsom

3.1

Het voorgaande voert tot de conclusie dat de grief faalt. Aan behandeling van de andere door [geïntimeerde] in haar memorie van antwoord aangevoerde verweren wordt daarom niet meer toegekomen. Het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

3.2

Als de in het ongelijk gestelde partij zal het hof Varde veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Deze kosten worden aan de zijde van [geïntimeerde] bepaald op

griffierecht € 299,-

salaris € 948,- (1,5 punt tarief I).

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede, van 27 maart 2012;

veroordeelt Varde in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] bepaald op € 299,- aan verschotten en op € 948,- aan salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest wat de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, L.M. Croes en Ch.E. Bethlem en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 april 2016.