Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2937

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
15/00293
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:931, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet Woz. Proceskosten. Beroepsmatig verleende rechtsbijstand? Taxateur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2016/255 met annotatie van J.P. Kruimel
V-N Vandaag 2016/923
V-N 2016/36.19.4
FutD 2016-1069
NTFR 2016/1260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/00293

uitspraakdatum: 12 april 2016

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 20 februari 2015, nummer AWB 14/2039, in het geding tussen belanghebbende en

de directeur van het Gemeentelijk Belastingkantoor Twente (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 36 te [A] , per waardepeildatum 1 januari 2013 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2014 vastgesteld op € 1.569.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting 2014 (hierna: OZB) voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte vastgesteld op € 4.890,57.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 20 februari 2015 gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd, de bij beschikking vastgestelde waarde verminderd tot € 1.404.000, de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd, de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.208,50 en gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht van € 328,00 vergoedt.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2016 te Arnhem. Daarbij is verschenen en gehoord [B] , namens belanghebbende, alsmede mr. [C] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [D] .

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [a-straat] 36 te [A] (hierna: de onroerende zaak).

2.2

Belanghebbende heeft een machtiging inclusief het recht van substitutie afgegeven aan [E] , verbonden aan [F] B.V. (hierna: [E] ). De inhoud daarvan luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Volmacht

Ondergetekende,

[X] B.V., vertegenwoordigt door dhr. [G] (hierna: belanghebbende), machtigt hierbij, met recht van substitutie, mevrouw [E] van [F] B.V.;

om namens belanghebbende een bezwaar- en (hoger)beroepsprocedure te voeren inzake WOZ-beschikking en de aanslagen lokale belastingen. Onder bezwaarprocedure is tevens te verstaan het indienen van verzoeken tot ambtshalve vermindering (voor zover geen bezwaar meer open staat). Onder (hoger)beroepsprocedure wordt verstaan het instellen, behandelen en eventueel intrekken van het (hoger)beroep dan wel het verzet in bovengenoemde procedure;

om namens belanghebbende omtrent WOZ-beschikkingen, aanslagen onroerende-zaakbelasting en correspondentie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) informatie op te vragen bij de gemeente en andere instanties;

en voorts al het overige te doen dat in het kader van het bovenstaande noodzakelijk of nuttig kan zijn, een en ander ter beoordeling van de hierbij gemachtigde persoon.

[H] , 11 februari 2014 (handgeschreven)

[G] ”

2.3

Ter zitting van de Rechtbank is de taxateur van belanghebbende, [B] (hierna: [B] ) verschenen. [B] heeft ter zitting van de Rechtbank een op 19 januari 2015 door [E] , afgegeven machtiging overgelegd. De inhoud daarvan luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Ondergetekende,

[F] B.V., vertegenwoordigt door mevrouw [E] . (hierna: belanghebbende), machtigt hierbij, met recht van substitutie, de heer [B] ;

om namens belanghebbende het woord te voeren tijdens de beroepsprocedure met procedurenummer ZWO 14/2039 WOZ PRM inzake WOZ-beschikking en de aanslagen lokale belastingen. Onder beroepsprocedure is tevens te verstaan het eventueel intrekken van het beroep dan wel het verzet in bovengenoemde procedure;

en voorts al het overige te doen dat in het kader van het bovenstaande noodzakelijk of nuttig kan zijn, een en ander ter beoordeling van de hierbij gemachtigde persoon.

Plaats/datum

Mevr. [E] ”

2.4

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de door hem in beroep verdedigde waarde van € 1.404.000 niet te hoog is. De Rechtbank heeft aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend van € 1.208,50. Dit bedrag is als volgt berekend:

Bezwaar: 1 punt voor bezwaarschrift x € 243 x wegingsfactor 1 = € 243,00

Beroep: 1 punt voor beroepschrift x € 487 x wegingsfactor 1 = € 487,00

Taxatierapport: 7,2 uur x € 65 = € 468,00

Kadastrale uittreksels: 3 x € 3,50 = € 10,50

De Rechtbank heeft geen aanleiding gezien een punt toe te kennen voor ‘verschijnen zitting’, omdat belanghebbende ter zitting niet is vertegenwoordigd door haar gemachtigde maar door haar taxateur.

2.5

Ter zitting van het Hof heeft de taxateur een op 22 maart 2016 door [E] afgegeven machtiging overgelegd. De inhoud daarvan is nagenoeg gelijkluidend aan de op 19 januari 2015 afgegeven machtiging.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2013. Verder is in geschil de hoogte van de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding.

3.2

Belanghebbende verdedigt in hoger beroep een waarde van € 1.255.000. Met betrekking tot de proceskostenvergoeding stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de aanwezigheid van een gemachtigde ter zitting en ten onrechte de voor het jaar 2014 geldende tarieven heeft gehanteerd.

3.3

De heffingsambtenaar bepleit een waarde van € 1.404.000. Hij sluit zich aan bij het standpunt van belanghebbende dat ten onrechte de voor het jaar 2014 geldende tarieven zijn toegepast. Zijns inziens is [B] ter zitting als deskundige verschenen en is in zoverre derhalve geen sprake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak van de heffingsambtenaar en tot vermindering van de vastgestelde waarde tot € 1.255.000. Verder concludeert belanghebbende tot vergoeding van de proceskosten overeenkomstig het Besluit. Daarbij dient de taxateur als gemachtigde te worden aangemerkt voor het bijwonen van de zittingen.

3.6

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover de proceskosten zijn berekend naar de voor het jaar 2014 geldende tarieven.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Partijen zijn ter zitting nader overeengekomen dat de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2013 dient te worden vastgesteld op € 1.300.000.

4.2

Het Hof is – anders dan de heffingsambtenaar verdedigt – van oordeel dat de taxateur ter zitting als gemachtigde dient te worden aangemerkt en niet als verschenen deskundige. Het Hof verwijst daartoe naar de hiervoor in 2.2 verleende volmacht, waarin het recht van substitutie is toegekend en de in 2.3 en 2.5 genoemde machtigingen waarin [E] invulling heeft gegeven aan het haar toekomende recht van substitutie. Het Hof verbindt daaraan de conclusie dat de taxateur door belanghebbende als zijn procesvertegenwoordiger is aangewezen om haar belangen bij de Rechtbank en het Hof te behartigen. De werkzaamheden van [B] tijdens de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof, moeten dientengevolge worden vergoed als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van het Besluit.

4.3

Gelet op de vermindering van de WOZ-beschikking zal het Hof de uitspraken van de heffingsambtenaar en de Rechtbank vernietigen. In het voor het jaar 2016 geldende overgangsrecht voor het Besluit is uitdrukkelijk bepaald dat de nieuwe bedragen gelden indien de bestuursrechter een beslissing op een bezwaar of een uitspraak van een (andere) bestuursrechter vernietigt en daarbij een kostenveroordeling vaststelt. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat de proceskostenveroordeling naar de thans (2016) geldende tarieven dient te worden berekend.

4.4

Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof stelt de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit vast op € 246 voor de bezwaarfase (1 punt voor bezwaarschrift, wegingsfactor 1, waarde per punt € 246), € 992 voor de beroepsfase (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 496) en € 992 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 496), ofwel € 2.230. Verder dient de vergoeding voor het taxatierapport te worden vastgesteld op € 468 en de vergoeding voor de kadastrale uittreksels op € 10,50. De totale proceskostenvergoeding bedraagt € 2.708,50.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar,

– vermindert de vastgestelde waarde van de onroerende zaak tot € 1.300.000 en vermindert de aanslag OZB tot een aanslag die is vastgesteld naar deze waarde,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.708,50 en

– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 328 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 497 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De voorzitter is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen. In zijn plaats tekent mr. Spek.

De beslissing is op 12 april 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, Namens de voorzitter,

(S. Darwinkel)

(R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 14 april 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.