Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2925

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
200.183.679/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Moeder werkt niet mee aan contact met de kinderen, zodat perspectief op thuisplaatsing niet beoordeeld kan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.183.679/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/175572 / JE RK 15-1390)

beschikking van 5 april 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Erkens te Rotterdam,

en

Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering,

kantoorhoudende te Enschede,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de pleegouders van [de minderjarige2],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 24 september 2015 en 23 oktober 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 30 december 2015;

- een brief van de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad) van 28 januari 2016;

- het verweerschrift met producties, ingekomen per fax op 11 februari 2016 en per post op 15 februari 2016;

- een journaalbericht van mr. Erkens van 18 februari 2016 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Erkens van 8 maart 2016 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Erkens van 15 maart 2016 met bijlage.

2.2

Op 17 maart 2016 is [de minderjarige2] , geboren [in] 2004 (verder te noemen: [de minderjarige2] ) verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen door de raadsheer-commissaris is gehoord.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 17 maart 2016 plaatsgevonden. Verschenen is de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [B] en de heer [C] . Ter zitting heeft mr. Erkens mede het woord gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitaantekeningen.

3 De vaststaande feiten

3.1

De moeder en de heer [D] (verder te noemen: de vader) zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2001 (verder te noemen: [de minderjarige1] );

- [de minderjarige2] , voormeld;

- [de minderjarige3] , geboren [in] 2006 (verder te noemen: [de minderjarige3] ).

De moeder is met het gezag over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] belast.

3.2

[de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] (hierna ook: de kinderen) zijn in oktober 2012 in een crisispleeggezin geplaatst. Op 14 november 2012 zijn de kinderen (voorlopig) onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen. Deze maatregelen zijn nadien steeds verlengd. Laatstelijk bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 23 oktober 2015 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] verlengd tot 11 oktober 2016. Voorts is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , conform het verzoek van de GI, verlengd tot uiterlijk 11 januari 2016. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] is, eveneens conform het verzoek van de GI, verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot 11 oktober 2016.

3.3

[de minderjarige2] en [de minderjarige3] verblijven sinds eind maart 2014 bij de huidige pleegouders.

3.4

[de minderjarige1] is eind december 2015 teruggeplaatst bij de moeder.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 oktober 2015. Zij verzoekt het hof de beschikking voor zover het betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de GI betreffende [de minderjarige2] en [de minderjarige3] af te wijzen, dan wel een andere beslissing in goede justitie te nemen, zoals een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing onder de opdracht aan de GI om voortvarend te gaan werken aan thuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , bijvoorbeeld via een gezinsopname of een persoonlijkheidsonderzoek.

4.2

De GI heeft verweer gevoerd en het hof verzocht de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof stelt het volgende voorop. Ter beoordeling aan het hof ligt uitsluitend de vraag voor of de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] voor de periode van 11 november 2015 tot 11 oktober 2016 verlengd dient te worden. Voor zover de moeder de beschikking(en) waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing voor (een) eerdere periode(s) is verlengd, heeft bestreden, dan wel heeft aangevoerd dat de GI niet heeft gedaan wat de rechtbank haar bij die beschikking(en) had opgedragen, gaat het hof daaraan voorbij. Het hof dient immers te beoordelen of verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] voor de voornoemde periode noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Bij de beoordeling hiervan dient het hof uit te gaan van de actuele situatie, ook wel ex nunc toetsing genoemd, en het belang van de minderjarigen tot uitgangspunt te nemen mede gelet op het bepaalde in artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

5.2

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de moeder, nadat zij eerder herhaalde malen gedurende enkele weken respectievelijk maanden geen omgang wilde met de kinderen, sinds de bestreden beschikking van 23 oktober 2015 tot in ieder geval de mondelinge behandeling in hoger beroep van 17 maart 2016 evenmin omgang en/of contact wilde met [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , met uitzondering van een kaart die zij naar [de minderjarige2] heeft gestuurd ter ere van zijn verjaardag. De moeder heeft aangegeven dat zij geen omgang meer wil met [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , kort gezegd omdat de beslissing van de rechtbank om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen in combinatie met de, volgens de moeder, structurele tegenwerking van de GI zoveel van haar vergt, dat zij omgang in haar huidige gemoedstoestand niet in hun belang acht. Voorts heeft de moeder aangegeven dat zij onder deze omstandigheden niet voornemens is op korte termijn de omgang met [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te hervatten; de moeder wil uitsluitend meewerken aan omgangsmomenten op de voorwaarde dat er toegewerkt wordt naar terugplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] bij haar.

5.3

Het hof overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken is dat [de minderjarige3] en [de minderjarige2] zich positief ontwikkelen in het pleeggezin. [de minderjarige2] heeft in dat verband ook de wens geuit, hoe lief hij zijn moeder ook vindt, om bij de pleegouders te willen blijven wonen. De moeder lijkt onvoldoende in te zien dat zij door haar keuze om (telkens weer) het contact met [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te verbreken, zij het vertrouwen van de kinderen schaadt en zij met haar handelwijze volstrekt voorbij gaat aan de belangen van de kinderen. Door deze keuze van de moeder is elke vorm van (toewerken naar) terugplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] (waarvan overigens niet evident blijkt dat dat, gelet op alle omstandigheden, in beginsel in hun belang is) op korte termijn, feitelijk ook onuitvoerbaar geworden. Om te kunnen beoordelen of [de minderjarige2] en [de minderjarige3] teruggeplaatst kunnen worden, dient immers ten minste regelmatig omgang tussen de moeder en [de minderjarige2] en [de minderjarige3] plaats te vinden om de (huidige) interactie tussen de moeder en deze kinderen te kunnen beoordelen. Naar het oordeel van het hof is dan ook, (mede) gelet op de houding van de moeder in de afgelopen periode waarbij zij voorwaarden stelt aan de omgang en de hulpverlening, het (daaruit voortvloeiende) gebrek aan (noodzakelijk) contact en het ontbreken van enig perspectief daarin aan de zijde van de moeder, duidelijk dat [de minderjarige2] en [de minderjarige3] op dit moment niet teruggeplaatst kunnen worden.

5.4

Het feit dat [de minderjarige1] inmiddels wel is teruggeplaatst bij de moeder, maakt het oordeel van het hof niet anders. Weliswaar aanvaardt de moeder wel hulpverlening voor [de minderjarige1] , maar uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat zij dat thans niet ook doet voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Wat er ook zij van de gang van zaken met betrekking tot de vorige onderzoeken die in het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing hebben plaatsgevonden dan wel hadden moeten plaatsvinden en de rol van de GI daarin, vaststaat dat de moeder om haar moverende redenen recent nog geen toestemming aan de GI heeft gegeven om [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te betrekken bij de ouderschapsdiagnostiek die ten aanzien van [de minderjarige1] plaatsvond. De moeder heeft daarmee een aangeboden kans om alsnog onderzoek te kunnen verrichten naar de jongste twee kinderen en hun behoeften (mede in het kader van de mogelijkheden tot terugplaatsing), wat de reden daarvan ook zij, laten liggen. De belemmeringen voor (onderzoek naar) terugplaatsing liggen daarmee (thans) aan de zijde van de moeder.

5.5

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen inzake de door de moeder afgehouden omgang, het gebrek aan perspectief daarin alsmede haar (gebrek aan) medewerking aan hulpverlening voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , is het hof van oordeel dat op grond daarvan de gronden voor uithuisplaatsing nog immer aanwezig zijn en de machtiging tot uithuisplaatsing terecht is verlengd. Hetgeen de moeder voor het overige heeft aangevoerd, waaronder ook de vraag of de GI verplicht is te werken aan terugplaatsing, behoeft dan ook geen bespreking meer. Dit brengt eveneens met zich dat het subsidiaire verzoek, de machtiging te verlengen met opdracht aan de GI om voortvarend te gaan werken aan thuisplaatsing, wordt afgewezen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 23 oktober 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en S. Rezel, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 5 april 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.