Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2878

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
200.151.167/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgebroken onderhandelingen, geen recht op schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.151.167/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 2141253 MC EXPL 13-6762)

arrest van 12 april 2016

in de zaak van

Veenstra Beheer B.V.,

gevestigd te Zeewolde,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Veenstra,

advocaat: mr. P. Bosma, kantoorhoudend te Almere,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. B. van Garderen, kantoorhoudend te Almere.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 20 november 2013 en 19 maart 2014 van de rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Almere (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d.11 juni 2014,

- het tussenarrest van 19 augustus 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast, die

geen doorgang heeft gevonden,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- een akte (met productie) van Veenstra,

- een antwoordakte (met productie) van [geïntimeerde] .

2.2

Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van Veenstra in hoger beroep luidt:

“1. te vernietigen het vonnis waarvan beroep;

2. alsnog [geïntimeerde] in zijn vordering niet ontvankelijk te verklaren, althans dat aan hem ontvankelijkheid zal worden ontzegd, althans zijn vordering af te wijzen;

3. [geïntimeerde] te veroordelen om al hetgeen Veenstra Beheer B.V. ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan aan Veenstra Beheer B.V. terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

4. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beidé instanties, te vermeerderen met de nakosten ten bedrag van

€ 131,- of in geval van betekening € 199,- te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten vanaf de dag van betekening tot aan de dag van betaling;

een en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad.”

3 De feiten

3.1

De kantonrechter heeft onder 2 van het vonnis van 19 maart 2014 een aantal feiten vastgesteld. Voor zover Veenstra daartegen bezwaren heeft opgeworpen in grief 1 (zie hierna onder 5.1 en 5.2) heeft het hof met die bezwaren rekening gehouden bij de vaststelling door het hof van de vaststaande feiten. Mede rekening houdend met hetgeen in dit hoger beroep verder is komen vast te staan gaat het om het volgende.

3.2

Veenstra heeft in juli/augustus 2011 via een advertentie in een lokale krant te koop aangeboden een nog te bouwen woning in het Bergkwartier te [A] voor € 316.000,- De grond werd door Veenstra als projectontwikkelaar aangeboden en voor de bouw diende een koop/aannemingsovereenkomst te worden gesloten met Bouwgroep Heerenveen.

3.3

Naar aanleiding van deze advertentie heeft [geïntimeerde] aan Veenstra om informatie verzocht. Veenstra heeft tekeningen van de woning aan [geïntimeerde] verstrekt. Partijen hebben overleg gevoerd, waarop [geïntimeerde] in september 2011 een eigen schetsontwerp aan Veenstra heeft gestuurd, naar aanleiding waarvan Veenstra heeft gereageerd met prijzen voor de aanpassingen.

3.4

[geïntimeerde] heeft Veenstra op 24 november 2011 en 4 december 2011 om toezending van de definitieve aanbieding verzocht, vervolgens heeft de door [geïntimeerde] ingeschakelde makelaar [B] (hierna: [B] ) op 30 december 2011, 19 januari 2012 en 1 maart 2012 eveneens om toezending van de aanbieding verzocht.

3.5

Op 13 april 2012 heeft Veenstra een offerte, inclusief meerwerklijst en schetsen verstrekt. Naar aanleiding daarvan heeft [B] bij e-mailbericht van 15 mei 2015 om een bespreking gevraagd, waarin een aantal bouwkundige zaken en prijzen van extra leidingen en een stofzuigersysteem aan de orde dienden te komen. De op 13 april 2012 door Veenstra verstrekte stukken zijn op 21 mei 2012 besproken. [B] informeert vervolgens op 4 juni 2012 bij Veenstra naar de aanbieding. Veenstra heeft op 26 juni 2012 kenbaar gemaakt dat hij vóór 30 juni 2012 alle stukken klaar zal hebben.

3.6

[B] heeft op 10 juli 2012 de (concept)koopovereenkomst voor de grond en de (concept)aannemingsovereenkomst ontvangen. Naar aanleiding heeft [B] als volgt gereageerd:

"(.) Bij de koopaannemingsovereenkomst van een nieuw te bouwen woning horen een aantal contractstukken welke nu ontbreken:

1. tekeningen woning

2. technische omschrijving
3. schema termijn betalingen
4. koopovereenkomst juist opgesteld v w b. als voorbeeld: naw en huwelijkse staat, de juiste doorhalingen
5. enkele onjuist vermelde punten in de meer en minderwerklijst.”

3.7

Veenstra heeft op 11 juli 2012 aan [B] geantwoord dat geen reden wordt gezien voor uitstel, dat alle benodigde stukken zijn aangeleverd en dat aan de wensen van [geïntimeerde] is voldaan.

3.8

Nadat op 7 augustus 2012 door [geïntimeerde] om een bespreking is gevraagd, heeft Veenstra bij e-mail van 16 augustus 2012 het volgende aan [geïntimeerde] bericht:

“Beste familie [geïntimeerde] ,

Ik heb vandaag de bouwtekening van de woning Elementen op uw adres [a-straat] 27 gebracht

Deze tekening is ter informatie en hieraan kunnen geen rechten kunnen worden ontleend,

met name daar waar zij afwijkt van onze prijsaanbieding en de meerwerklijst.

Ik heb het verzoek daarbij om de contractstukken voor zaterdag 18 augustus 12.00 uur

(al dan niet getekend) bij mij in te leveren.

Deze stukken zijn op 11 juli, via makelaardij [B] , u ter hand gesteld.

Ruim 4 weken na genoemde datum, 13 augustus, ontvangt [C] eerst uw opmerkingen op deze stukken.

Deze willen we in overleg aanpassen waar nodig, maar krijgen daarvoor niet de gelegenheid .

Wat knelt is het feit, dat er onverantwoord met de factor tijd wordt omgesprongen. Daarom stel ik nu het ultimatum; de laatste gelegenheid om de contractstukken in te leveren wordt door mij gesteld op zaterdag 18 augustus om 12.00 uur op het adres [b-straat] 5. Ik hoor graag of u van de gelegenheid gebruik wilt maken. Mocht dit niet zo zijn, dan acht ik mij vrij om naar eigen goeddunken te handelen en vervallen uw aanspraken en onze voorstellen.


Als aanvulling op dit bericht; de andere helft is verkocht, volledig uitgevoerd in kunststof,

ook de kozijnen. Deze toepassing gaat gelden voor beide helften . De meerkosten van € 4000,--

incl. btw voor deze optie waren u reeds genoemd en gaan onderdeel van de aanneemsom uitmaken.

Op 1 oktober veranderd het btw-tarief mogelijk , dat geldt ook voor onze lopende aanbiedingen.

(…)”

3.9

Op 20 augustus 2012 heeft tussen partijen een gesprek plaatsgevonden ten kantore van Makelaar [C] B.V.

3.10

Bij brief van 22 augustus 2012 heeft [geïntimeerde] aan Veenstra onder meer het volgende geschreven (de onderstrepingen zijn ontleend aan de geciteerde tekst) :
“(..) Hartelijk dank voor de afspraak welke wij na aandringen op maandag 20 augustus 2012 met u hebben gehad(..) (.) Gedurende het 'gesprek’ is veel gezegd. De conclusie is dat wij niet tot overeenstemming zijn gekomen vanwege een verschil van inzicht over belangrijke punten. Deze zijn:
Stukken behorende tot de overeenkomst van aanneming van werk
Wij hebben u herhaaldelijk gevraagd om alle relevante stukken aan te leveren. Na de afspraak van 20 augustus 2012 moeten wij vaststellen dat de hieronder genoemde stukken niet correct of in zijn geheel niet voorhanden waren) (…)


Bouwgarant garantieregeling .

(…)
Het is noodzakelijk om over alle relevante stukken te kunnen beschikken zodat de hypotheekverstrekker op de juiste wijze kan worden geïnformeerd. Daarnaast zijn met name alle relevante stukken nódig voor het indienen van een aanvraag tot omgevingsvergunning en de te verwachten NWWl-taxatie.

Kozijnen

In de overeenkomst van aanneming van werk is in april 2012 de keuze tot houten kozijnen vastgelegd. (..) Recent heeft u zonder enige aankondiging of overleg met ons eenzijdig besloten om de reeds eerder gemaakte keuze ongedaan te maken en ons op te zadelen met extra kosten, groot € 4 000,00 ex. BTW. Uw beslissing accepteren wij niet.
(…)

Onze intentie is nog steeds om tot koop over te gaan en de stukken te tekenen.”

3.11

Op 22 augustus 2012 heeft Veenstra aan [geïntimeerde] medegedeeld dat besloten is de verdere ontwikkeling van de woning met [geïntimeerde] direct te beëindigen:

"(..) Als gevolg van zeer ernstige geschillen met u over de aanneemsom, het geoffreerde meerwerk, de grondaanbieding en de technische documenten (bestek en tekening) heb ik besloten de ontwikkeling van deze woning met u als kandidaat-koper, per direct te beëindigen. Ik heb geen vertrouwen in het met u nog te volgen aankoop- en bouwproces. Dit wordt mede versterkt, doordat u bij herhaling termijnen laat verstrijken en te kennen hebt gegeven de btw verhoging en het meerwerk (kozijnen) niet kunt financieren. (..). "

3.12

[B] heeft op 18 september 2012 een bedrag van € 2.975,- aan [geïntimeerde] in rekening gebracht. Flevo Finance - de door [geïntimeerde] ingeschakelde hypotheekadviseur – heeft op 20 september 2012 een bedrag van € 1.582,70 aan [geïntimeerde] in rekening gebracht. [geïntimeerde] heeft deze bedragen op 30 september 2012 aan [B] respectievelijk Flevo Finance voldaan.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft Veenstra (en Veenstra Zeewolde B.V.) gedagvaard en, samengevat, gevorderd hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van bedragen van € 5.241,36, vermeerderd met rente en € 683,66 aan buitengerechtelijke kosten, als schadevergoeding op de grondslag dat Veenstra en Veenstra Zeewolde B.V. onderhandelingen met [geïntimeerde] onrechtmatig hebben afgebroken.

4.2

Bij vonnis van 19 maart 2014 heeft de kantonrechter de vorderingen jegens Veenstra toegewezen en de vorderingen jegens Veenstra Zeewolde B.V. afgewezen.

5 De bespreking van de grieven

5.1

In zijn eerste grief tegen het vonnis waarvan beroep heeft Veenstra aangegeven dat tegen de weergave van de feiten geen grief wordt opgeworpen, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Zij voegt daaraan evenwel toe (“met dien verstande”) dat de kantonrechter ten onrechte feiten van vóór december 2012 in zijn beoordeling heeft betrokken. Uit de toelichting op de grief blijkt vervolgens dat Veenstra ook bezwaren heeft tegen het onder punt 2.2, eerste zin van het vonnis van 19 maart 2014 opgenomen feit dat tussen partijen vanaf augustus 2011 (tot en met augustus 2012) onderhandelingen hebben plaatsgevonden. Volgens Veenstra zijn de onderhandelingen tussen partijen begonnen op 6 december 2011.

5.2

Veenstra miskent met zijn eerste bezwaar dat de rechter vrij is die feiten te selecteren die hij van belang acht voor de beoordeling van het geschil. Het hof heeft hiertoe in punt 3 de feiten zelfstandig vastgesteld, rekening houdend met het bezwaar van Veenstra tegen de vaststelling van de kantonrechter dat partijen vanaf augustus 2011 met elkaar hebben onderhandeld. Nu deze grief niet zelfstandig kan leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis faalt zij.

5.3

Veenstra heeft met haar grieven 2 tot en met 4 (waarbij grief 2 twee onderdelen omvat) bezwaren geuit die, mede gezien de toelichting op die grieven, er toe strekken het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.

5.4

[geïntimeerde] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd (dagvaarding in eerste aanleg, punt 5, 6 en 7) dat de onderhandelingen tussen partijen lang hebben geduurd en dat hij veelvuldig aan Veenstra informatie en toezending van stukken heeft gevraagd. Volgens [geïntimeerde] heeft hij, vaak tevergeefs, geprobeerd Veenstra aan het onderhandelingsproces te laten deelnemen. Veenstra heeft hem “aan het lijntje gehouden” en er is sprake van “zoethoudertjes” doordat Veenstra [geïntimeerde] steeds slechts mondjesmaat van stukken heeft voorzien. [geïntimeerde] mocht er van uitgaan dat er een overeenkomst tot stand zou komen. Veenstra heeft de onderhandelingen volgens [geïntimeerde] “rücksichtslos” afgebroken. Gezien het stadium waarin de onderhandelingen zich bevonden, is Veenstra daardoor gehouden tot vergoeding van de kosten die [geïntimeerde] heeft gemaakt, aldus [geïntimeerde] .

5.5

Veenstra stelt zich op het standpunt dat niet zij, maar [geïntimeerde] voor de nodige vertraging in het onderhandelingsproces heeft gezorgd. [geïntimeerde] bleef vragen om aanvullende, kosteloze prijsaanbiedingen voor alternatieve indelingen, meerwerk en andere opties, ook na de aanbieding van 13 april 2012. De mogelijkheden van [geïntimeerde] tot financieren waren onduidelijk, hoewel [geïntimeerde] wel beschikte over de daarvoor benodigde informatie. In het gesprek op 20 augustus 2012 heeft [geïntimeerde] gezegd dat hij de woning met kunststofkozijnen niet kon betalen, hoewel hij wist dat de woning met die kozijnen zou worden uitgevoerd. Gebrek aan vertrouwen in een voortvarende afhandeling als gevolg van de vertraging veroorzaakt door [geïntimeerde] , waaronder tevens onduidelijkheid over de financiering waren de reden dat Veenstra de onderhandelingen met [geïntimeerde] heeft beëindigd, aldus Veenstra.

5.6

Bij de beoordeling van de van de vordering van [geïntimeerde] stelt het hof voorop dat - als strenge en tot terughoudendheid nopende - maatstaf voor de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken onderhandelingen heeft te gelden, dat ieder van de onderhandelende partijen, die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen, vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval de onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, voor wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen (vgl. HR 23 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0018; HR 4 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2158, HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105 en HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337).

5.7

Het is tussen partijen niet in geschil dat Veenstra met haar brief van 23 augustus 2012 de onderhandelingen om met [geïntimeerde] tot een overeenkomst te komen heeft afgebroken. Het ligt op de weg van [geïntimeerde] om feiten en omstandigheden te stellen (en eventueel te bewijzen), waaruit kan volgen dat het eenzijdig afbreken van de onderhandelingen door Veenstra onaanvaardbaar is in de onder 5.6 uitgewerkte zin.

5.8

Het hof overweegt dat - volgens [geïntimeerde] vanaf augustus 2011 en Veenstra vanaf december 2011 – de aangevangen onderhandelingen tot aan de eerste daadwerkelijke offerte van 13 april 2012 voornamelijk een informatief en oriënterend karakter hebben gehad. Die fase wordt immers gekenmerkt door verzoeken om informatie, het toesturen door Veenstra aan [geïntimeerde] van foto’s en tekeningen, tekeningen met suggesties van [geïntimeerde] aan Veenstra over een andere indeling van de te bouwen woning, prijsopgaven van Veenstra naar aanleiding van die suggesties, een rondgang door een modelwoning van Veenstra en (herhaalde) verzoeken van en namens [geïntimeerde] tot het verstrekken van een prijsaanbieding met de daarbij behorende stukken.

5.9

Naar aanleiding van de offerte van 13 april 2012 heeft [B] bij zijn e-mailbericht van 15 mei 2012 om een bespreking naar aanleiding van de offerte verzocht, teneinde een aantal bouwkundige kwesties te bespreken, waarbij tevens om een prijsopgaaf voor een stofzuigersysteem en een aantal leidingen is gevraagd. Vervolgens heeft [geïntimeerde] via [B] van Veenstra het concept van de met Bouwgroep Heerenveen te sluiten koop/aannemingsovereenkomst ontvangen en heeft [geïntimeerde] aan Veenstra doen mededelen het concept door het ontbreken van tekeningen, technische beschrijvingen en een overzicht van te gebruiken materialen niet te zullen tekenen. Hoewel naar het oordeel van het hof daarmee een volgende stap in de onderhandelingen was gezet, was van overeenstemming tussen partijen op dat moment nog geen sprake.

5.10

In dat stadium van de besprekingen heeft [geïntimeerde] omstreeks eind juli 2012 op basis van de (concept)overeenkomst met Bouwgroep Heerenveen een aantal hypotheekoffertes voor de financiering van de te bouwen woning aangevraagd. Nadat Veenstra aan [geïntimeerde] heeft medegedeeld dat er sprake is van een meerprijs voor kunststofkozijnen heeft op 20 augustus 2012 een bespreking plaatsgevonden. Deze bespreking heeft geleid tot de brief van 22 augustus 2012 van [geïntimeerde] aan Veenstra en de brief van Veenstra aan [geïntimeerde] van 23 augustus 2012. Veenstra heeft, door [geïntimeerde] onvoldoende weerlegd, gesteld (memorie van antwoord onder 26) dat [geïntimeerde] in het gesprek van 20 augustus 2012 heeft gezegd “de woning niet te kunnen betalen” in verband met de genoemde meerprijs van de kozijnen.

5.11

Het hof is van oordeel dat de uitlatingen van [geïntimeerde] in het gesprek van

20 augustus 2012 – nadat Veenstra bij e-mail van 16 augustus 2012 op de meerprijs voor kozijnen en een wijziging in het btw-tarief met ingang van 1 oktober 2012 had gewezen - bij Veenstra ten minste de indruk hebben kunnen wekken dat prijstechnische kwesties (zoals een meerprijs voor de kozijnen) van de te bouwen woning aanleiding zouden geven tot discussie, daargelaten de vraag of die kozijnen nu wel of niet in de oorspronkelijke aanbieding waren opgenomen, zoals [geïntimeerde] stelt. Uit de geschetste feiten en omstandigheden blijkt dat de offerte van 13 april 2012 weliswaar aanleiding gaf tot een bespreking over diverse punten, maar ook dat [geïntimeerde] Veenstra in het ongewisse heeft gelaten of hij zich in hoofdlijnen met de offerte kon verenigen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat partijen op verschillende onderdelen van de offerte geen overeenstemming hadden bereikt, hetgeen steun vindt in de brief van [geïntimeerde] van 22 augustus 2012 (hiervoor onder 3.9) blijkt dat vanwege verschil van inzicht op belangrijke punten door [geïntimeerde] de conclusie wordt getrokken dat er geen overeenstemming is bereikt. Die conclusie van [geïntimeerde] sluit ook aan bij de omstandigheid dat [geïntimeerde] niet tot ondertekening van de door Veenstra verstrekte (concept)-overeenkomsten is overgegaan, ondanks diens dringende verzoek daartoe bij e-mail van 16 augustus 2012 (hiervoor onder 3.8). In die omstandigheden, in onderling verband en samenhang beoordeeld, afgemeten aan de in 5.6 weergegeven maatstaf, stond het Veenstra naar het oordeel van het hof nog vrij de onderhandelingen met [geïntimeerde] af te breken zonder jegens [geïntimeerde] schadeplichtig en tot vergoeding van diens kosten in verband met het inschakelen van [B] en Flevo Finance gehouden te zijn.

5.12

De door [geïntimeerde] gestelde lange duur van de onderhandelingen vanaf augustus 2011, - waarbij die lange duur van het onderhandelingsproces te wijten zou zijn aan talmend gedrag van Veenstra en deze niet aan redelijke verzoeken van [geïntimeerde] om stukken toe te zenden voldeed - kan, wat hier ook van zij, gelet op de in 5.6 weergegeven maatstaf geen grond opleveren om Veenstra schadeplichtig te achten,. Gelet op hetgeen in 5.11 is overwogen was er ondanks de duur van die onderhandelingen nog steeds geen zicht op dat die onderhandelingen zouden leiden tot een overeenkomst.

5.13

De grieven waarmee de beslissing van de kantonrechter omtrent de aansprakelijkheid van Veenstra wordt aangevochten slagen dan ook, zodat het vonnis van 19 maart 2014 van de kantonrechter niet in stand kan blijven, Het hof zal dat vonnis vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijzen. Een bespreking van de grieven die betrekking hebben op de omvang van de schade aan de zijde van [geïntimeerde] en tegen het niet opdragen van bewijs aan Veenstra kan bij gebrek aan (zelfstandig) belang bij die grieven achterwege blijven.

5.14

Veenstra heeft in haar dagvaarding in hoger beroep gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen om al hetgeen Veenstra ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan aan Veenstra terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling. Die vordering is als zodanig niet op zelfstandige gronden door [geïntimeerde] betwist, zodat het hof die vordering zal toewijzen.

5.15

Als de alsnog in het ongelijk te stellen partij zal [geïntimeerde] in de proceskosten van Veenstra in eerste aanleg en in hoger beroep worden veroordeeld. Het hof stelt de kosten in eerste aanleg vast op nihil nu Veenstra in persoon verschenen en zij niet heeft gesteld zij in eerste aanleg proceskosten heeft gemaakt De proceskosten in hoger beroep zullen tot op heden aan de zijde van Veenstra worden vastgesteld op xxx aan verschotten en overeenkomstig op 1,5 punt in tarief I voor salaris van de advocaat, vermeerderd met de gevorderde nakosten en wettelijke rente..

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van 19 maart 2014 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, en wijst de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af;

veroordeelt [geïntimeerde] al hetgeen Veenstra ter uitvoering van het bestreden

vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan aan Veenstra terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door Veenstra tot de dag van terugbetaling door [geïntimeerde] ;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van Veenstra, waarbij de kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Veenstra worden vastgesteld op nihil en de kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Veenstra tot aan deze uitspraak worden vastgesteld op aan verschotten en € 948,- voor salaris van de advocaat, te vermeerderen met de nakosten ten bedrag van € 131,- of in geval van betekening € 199,- te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten vanaf de dag van betekening tot aan de dag van betaling;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Smit, mr. G. van Rijssen en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 12 april 2016.