Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2877

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
200.149.715/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Payroll overeenkomst. Ontbinding arbeidsovereenkomst door de payrollwerkgever met de payroll werknemer. In de overeenkomst tussen de payrollwerkgever en de materiële werkgever is bepaald dat de kosten van een ontslagprocedure voor rekening van laatstgenoemde zijn.

De payrollwerkgever wil de kosten van het ontslag (waaronder de toegekende ontbindingsvergoeding) verhalen op de materiële werkgever. Die voert echter aan dat dat de payrollwerkgever zich niet heeft gehouden aan haar instructie om de werknemer op staande voet te ontslaan, ondanks dat daar voldoende grond voor bestond. Bij een ontslag op staande voet zouden de onderhavige kosten niet zijn gemaakt, zodat die het gevolg zijn van het eigen tekortschieten van de payrollwerkgever, aldus de materiële werkgever. Het hof oordeelt dat de payrollwerkgever op goede grond de inschatting heeft kunnen maken dat een ontslag op staande voet geen stand zou houden en alleen maar tot nog hogere kosten zou leiden. Als de payrollwerkgever al gehouden zou zijn geweest om de instructie van de materiële werkgever tot het geven van ontslag op staande voet op te volgen, heeft de materiële werkgever van dat tekortschieten derhalve geen nadelige gevolgen ondervonden en ontheft dat haar niet van haar verplichting om aan de payrollwerkgever de kosten verbonden aan het ontslag te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1225
RAR 2016/111
AR-Updates.nl 2016-0463
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.149.715/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/95305 / HA ZA 12-267)

arrest van 12 april 2016

in de zaak van

Uitzendbureau Mutua Fides B.V.,

gevestigd te Hoogezand,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: MF,

advocaat: mr. J.A. Bezema, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.T. Slofstra, kantoorhoudend te Roden.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 13 november 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 5 februari 2014,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van MF (als opgenomen in de memorie van grieven) luidt:

"I. Het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, afdeling Privaatrecht, locatie Assen, van 13 november 2013 met rolnummer C/19/95305/HA ZA 12-267 tussen appellante en geïntimeerde - met uitzondering van de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van incassokosten - te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de bij voornoemde rechtbank in eerste aanleg ingestelde vorderingen van appellante alsnog toe te wijzen en de in eerste aanleg ingestelde vorderingen van geïntimeerde alsnog af te wijzen;
II. geïntimeerde te veroordelen om al hetgeen appellante ter uitvoering van het bestreden vonnis van de rechtbank aan geïntimeerde heeft voldaan, binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest aan appellante terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn tot de dag van algehele terugbetaling;
III. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg bij de rechtbank, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest en te vermeerderen met wettelijke rente vanaf bedoelde termijn tot de dag van algehele voldoening;

IV. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep bij Uw

Gerechtshof, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,- zonder betekening,

dan wel € 191,- in het geval van betekening, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest en te vermeerderen met wettelijke rente vanaf bedoelde termijn tot de dag van

algehele voldoening."
3. De feiten
Tussen partijen staan de volgende feiten vast, voor zover in hoger beroep van belang.
Het hof heeft bij deze vaststelling rekening gehouden met grief 1 die betrekking heeft op de feitenvaststelling door de rechtbank en met grief 3 die richt zich tegen een kennelijke schrijffout in het vonnis, zodat MF bij een verdere bespreking van die grieven geen belang heeft.

3.1

MF is een uitzendbureau dat zich (ook) bedient van ‘payrollconstructies’. [geïntimeerde] exploiteert/exploiteerde een cafébar en discotheek in [vestigingsplaats] .

3.2

Partijen zijn overeengekomen dat MF aan [geïntimeerde] payrolldiensten zou gaan verlenen. MF heeft in dat kader een aantal personeelsleden van [geïntimeerde] overgenomen en weer aan [geïntimeerde] ter beschikking gesteld. Deze constructie is ook gevolgd ten aanzien van de heer [X] , (hierna: [X] ) die destijds bij [geïntimeerde] de functie van bedrijfsleider had.
Ter zake de ter beschikkingstelling van [X] aan [geïntimeerde] hebben partijen een (afzonderlijke) overeenkomst gesloten welke inhield dat [X] door MF ingaande 5 november 2007 aan [geïntimeerde] ter beschikking werd gesteld voor gemiddeld 38 uur per week (hierna: de uitzendovereenkomst). In de door MF opgestelde en door beide partijen ondertekende brief van 21 november 2007 (prod. 1 bij inleidende dagvaarding) is terzake die overeenkomst onder meer het volgende opgenomen:

Hierbij bevestigen wij dat de heer [X] (…) aan u ter beschikking wordt gesteld. (…) Beëindiging van deze opdracht is slechts mogelijk indien de uitzendovereenkomst tussen MF Horeca [hof: MF Horeca = MF] en [X] [hof: het woord “eindigt” ontbreekt abusievelijk]. Indien MF Horeca gehouden is de uitzendovereenkomst via een ontslagprocedure te eindigen, zullen de kosten van de ontslagprocedure eveneens voor uw rekening komen. U realiseert zich dat, indien de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden via de Rechtbank, sector kanton, dit minimaal één maandsalaris per gewerkt jaar zal bedragen waarbij de hele periode dat de heer [X] bij u heeft gewerkt, ook de perioden voordat de heer [X] werkzaam was bij u via MF Horeca, meegeteld wordt.

Indien de uitzendovereenkomst tussen MF Horeca en de heer [X] beëindigd moet worden heeft u de keuze dit via een door u ingeschakelde advocaat te laten doen. De kosten van de advocaat komen voor uw rekening. Indien MF Horeca deze procedure zal moeten doen worden de kosten begroot op ongeveer € 1.000,-- ex BTW. Deze kosten komen voor uw rekening. (…)
In het kader van de afspraken tussen [geïntimeerde] en MF Horeca zullen MF Horeca en bovengenoemde uitzendkracht met ingang van 1 november 2007 een uitzendovereenkomst voor onbepaalde tijd met elkaar aangaan. (…)

3.3

In april 2010, rond de Pasen, is [X] gearresteerd op verdenking van seksueel misbruik naar aanleiding van een aangifte die tegen hem was gedaan door een (minderjarige) vrouw. Het misbruik zou hebben plaatsgevonden in de door [geïntimeerde] geëxploiteerde bar/discotheek. [X] heeft vanwege die verdenking vijf dagen in voorarrest gezeten. Nadat hij in vrijheid was gesteld heeft [X] zich ziek gemeld voor zijn werkzaamheden.

3.4

De aangifte tegen [X] is op enig moment ingetrokken en de strafzaak is geseponeerd.

3.5

MF heeft het dienstverband met [X] beëindigd middels een vaststellingsovereenkomst en een (pro forma) ontbindingsprocedure bij de kantonrechter. [X] heeft zich daarbij laten bijstaan door een advocaat.
De akte waarin de vaststellingsovereenkomst is vastgelegd, is gedateerd op 20 juli 2011. Daarin is (samengevat en voor zover van belang) opgenomen, (a) dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 april 2012, (b) dat [X] zich per 1 augustus 2011 weer zal melden als hersteld en dat hij met behoud van zijn salaris tot einde dienstverband zal zijn vrijgesteld van zijn werkzaamheden, (c) dat [X] aan opgebouwde vakantiedagen tot 1 augustus 2011 een bedrag van € 4.853,71 bruto zal ontvangen, maar dat nadien op te bouwen vakantiedagen geacht worden te zijn genoten, (d) dat aan [X] een bedrag van € 3.600,- excl. btw ter beschikking zal worden gesteld voor scholing en een bedrag van € 2.500,- excl. btw aan kosten voor juridische bijstand. Verder is in de vaststellingsovereenkomst bepaald dat aan [X] geen ontbindingsvergoeding wordt toegekend.

3.6

Bij brief van 2 november 2011 heeft [geïntimeerde] aan MF bericht geen gebruik meer te willen maken van de diensten van MF. In de brief deelt [geïntimeerde] mee dat het bedrijf geheel door brand is verwoest en dat zij nog geen besluit heeft genomen over de eventuele voortzetting ervan.

3.7

MF heeft in februari/maart 2012 aan [geïntimeerde] facturen toegezonden terzake de doorbetaling aan [X] van zijn loon over de periode van 1 augustus 2011 tot 1 april 2012, in totaal een bedrag van € 41.350,54 (incl. btw). Die facturen zijn door MF onbetaald gelaten.

4
4. De vorderingen in eerste aanleg en de beslissing daarop

4.1

MF heeft, kort samengevat, veroordeling gevorderd van [geïntimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van de bedragen die zij ingevolge de vaststellingsovereenkomst aan [X] heeft (door)betaald, het bedrag aan doorbetaling van loon te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. Daarnaast heeft MF nog betaling gevorderd van een bedrag van € 902,17 aan buitengerechtelijke kosten die zijn gemaakt voor de incasso van een andere vordering. Alles te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten (te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten).

4.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

4.3

De rechtbank heeft de vorderingen betreffende de vaststellingsovereenkomst afgewezen. De vordering betrekkelijk tot de incassokosten is toegewezen tot een bedrag van € 500,-. Verder is MF veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 5.365,-.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep.

5.1

MF heeft zes grieven gericht tegen het vonnis. De grieven 1 en 3 zijn hiervoor reeds besproken. In de grieven 2, 4, 5 en 6 komt MF op verschillende gronden en vanuit verschillende invalshoeken op tegen de afwijzing van haar op de vaststellingsovereenkomst met [X] gebaseerde vorderingen. Het hof zal die vorderingen opnieuw beoordelen.

5.2

MF stelt dat [geïntimeerde] uit hoofde van de uitzendovereenkomst, in het bijzonder de onder 3.2 weergegeven passages daarvan, aan MF de kosten dient te vergoeden die zij heeft gemaakt om het dienstverband met [X] te beëindigen.
5.3 [geïntimeerde] heeft niet bestreden dat zij in beginsel jegens MF daartoe verplicht is, maar heeft aangevoerd dat MF zich in dit geval niet op het bestaan van deze verplichting kan beroepen. [geïntimeerde] voert daartoe aan dat MF zelf tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en dat de gevorderde kosten daaruit voortvloeien.

5.4

Volgens [geïntimeerde] had MF namelijk gevolg moeten geven aan de instructie van [geïntimeerde] om [X] op staande voet te ontslaan, nu [geïntimeerde] materieel de werkgever was van [X] en voor een ontslag op staande voet ook voldoende grond bestond. In plaats daarvan heeft MF met [X] de vaststellingsovereenkomst gesloten, zonder dat met [geïntimeerde] te overleggen en zonder [geïntimeerde] de in de uitzendovereenkomst vastgelegde keus te bieden om het ontslag zelf te regelen. Als MF [X] op staande voet zou hebben ontslagen, zou zij de thans gevorderde kosten niet hebben gehad, aldus [geïntimeerde] .

5.5

MF heeft dit bestreden en erop gewezen dat aan het verlenen van een ontslag op staande voet het risico was verbonden dat dit ontslag, in geval van betwisting daarvan door [X] , geen stand zou houden, in welk geval de ontbindingsvergoeding hoger zou worden vastgesteld omdat het ontslag de relatie met MF/ [geïntimeerde] zou hebben ontwricht en dit aan de werkgever zou worden toegerekend.
heeft hiertegenover niet (gemotiveerd) aangevoerd dat MF ten tijde van haar instructie om [X] op staande voet te ontslaan, beschikte over voldoende bewijs voor [X] ’s (beweerdelijke) misdragingen om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Ook niet waar het betreft het (beweerdelijk) seksueel misbruik van anderen dan de aangeefster wier verklaring tot zijn arrestatie heeft geleid. Verklaringen daarover zijn anoniem en dateren ook van na de afwikkeling van de arbeidsovereenkomst.
Dat onvoldoende bewijs voor de beweerdelijke misdragingen voorhanden was, vindt bevestiging in de omstandigheid dat op enig moment de aangifte die tot de voorlopige hechtenis leidde, is ingetrokken en dat de strafzaak tegen [X] is geseponeerd.

Uitgaande van de situatie dat onvoldoende bewijs voorhanden was voor een ontslag op staande voet mocht MF terecht verwachten dat [X] een ontslag op staande voet met succes zou aanvechten en dat een vernietiging van dat ontslag alleen maar tot nog hogere kosten zou leiden in de vorm van (langere) doorbetaling van loon en een hogere ontbindingsvergoeding vanwege (verdere) ontwrichting van de arbeidsverhouding als gevolg van een onterecht gegeven ontslag op staande voet. Omdat duidelijk was dat [geïntimeerde] [X] niet meer wilde laten terugkeren, lag beëindiging van de arbeidsverhouding door MF middels het indienen van een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter in de rede.
Dat het beëindigen van de arbeidsrelatie met [X] door middel van een (pro forma) ontbinding en een vaststellingsovereenkomst heeft geleid tot hogere kosten vergeleken met de situatie dat [X] op staande voet zou zijn ontslagen, kan op grond van het voorgaande niet worden aangenomen.

5.6

Met betrekking tot de kosten van de getroffen regeling overweegt het hof dat de verschillende bezwaren die [geïntimeerde] heeft opgeworpen tegen in die regeling aan [X] toegekende vergoedingen en met hem gemaakte afspraken, ongegrond zijn. Het hof overweegt in dat verband het volgende.

5.6.1

Niet is gebleken van aanknopingspunten om te veronderstellen in het kader van de ontbindingsprocedure [X] nog wel met vrucht tegengeworpen had kunnen worden dat sprake zou zijn geweest van seksueel intimiderend gedrag. Uitgaande van een indiensttreding van [X] bij [geïntimeerde] in 1993, kan de ontbindingsvergoeding (in de vorm van doorbetaling van het salaris gedurende acht maanden) dan niet als bovenmatig worden beschouwd. Het hof gaat daarbij voorbij aan de tegenwerping van [geïntimeerde] dat er verschillende onderbrekingen van het dienstverband zijn geweest van meer dan drie maanden en dat daarom geen sprake is geweest van een ononderbroken dienstverband vanaf 1993, nu [geïntimeerde] die stelling niet heeft onderbouwd.

5.6.2

De berekening door MF van het als ontbindingsvergoeding aan [X] doorbetaalde bedrag aan salaris op € 41.350,54 is door [geïntimeerde] niet betwist, zodat ook het hof van dat bedrag uitgaat.

5.6.3

Het bezwaar van [geïntimeerde] tegen de vrijstelling van [X] van zijn werkzaamheden gaat eraan voorbij dat [geïntimeerde] zelf niet meer wilde dat [X] nog werkzaamheden voor haar zou verrichten. Verder miskent [geïntimeerde] dat het hier een ontbindingsvergoeding betreft in de vorm van doorbetaling van loon, waartoe de datum waarop de dienstbetrekking eindigt is uitgesteld met acht maanden. Daarmee strookt dat in die periode [X] geen arbeid hoeft te worden verricht.

5.6.4

Anders dan [geïntimeerde] kennelijk meent, blijkt uit de regeling niet dat daarin (als extra vergoeding) nog een opzegtermijn is verdisconteerd.

5.6.5.

De stelling van [geïntimeerde] dat het ongebruikelijk is om vakantiedagen te vergoeden die worden opgebouwd tijdens een periode van vrijstelling van werk ziet eraan voorbij dat de regeling daarin ook niet voorziet. Het in de regeling opgenomen bedrag aan niet genoten vakantiedagen heeft namelijk alleen betrekking op de periode tot 1 augustus 2011 en (dus) niet op de periode daarna. Betreffende die periode is in de vaststellingsovereenkomst juist opgenomen dat daarin die periode opgebouwde vakantiedagen geacht worden te zijn genoten.
5.6.6 Anders dan [geïntimeerde] is het hof van oordeel dat de in de regeling opgenomen vergoedingen voor advocaatkosten en scholing niet ongebruikelijk zijn en ook in verhouding staan tot de duur van de onderhandelingen (de advocaatkosten) en de lengte van het dienstverband (de vergoeding voor scholing).

5.7

Het hof is aldus van oordeel dat voor zover MF jegens [geïntimeerde] zou zijn tekortgeschoten in haar verplichtingen uit hoofde van de uitzendovereenkomst, [geïntimeerde] daarvan geen nadeel heeft ondervonden. Het beroep van [geïntimeerde] op tekortkomingen van MF ontheft haar daarom niet van haar verplichting om aan MF de kosten te vergoeden die zijn verbonden aan het ontslag van [X] .

5.8

De gevorderde wettelijke rente over de doorbetaling van het loon, te berekenen vanaf 24 september 2012 (de dagvaarding in eerste aanleg), is toewijsbaar als op de wet gegrond.
Bij brief van 7 maart 2012 (productie 4 bij dagvaarding) heeft MF namelijk al aan [geïntimeerde] geschreven dat zij in gebreke was, doordat de termijn voor de betaling van de desbetreffende factuur inmiddels was verstreken. Dat [geïntimeerde] toen meende niets verschuldigd komt voor haar risico en staat niet in de weg aan toewijzing van deze nevenvordering.
5.9 De vordering om [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling aan MF van al hetgeen zij aan [geïntimeerde] heeft voldaan ter uitvoering van het bestreden vonnis van de rechtbank is toewijsbaar, aangezien daartegen geen verweer is gevoerd.

Slotsom

5.10

De grieven slagen, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd, behalve waar het betreft de veroordeling van [geïntimeerde] onder 1. (de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 500,- aan incassokosten uit hoofde van de vorderingen van MF sub 5. en 6. in de dagvaarding), nu tegen die veroordeling geen grieven zijn gericht (principaal noch incidenteel). Het hof zal [geïntimeerde] als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van MF zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten

82,17

- griffierecht

1.789,-

totaal verschotten

1.871,17

en voor salaris advocaat/gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief:

4 punten x € 894,-

3.576,-

Te vermeerderen met wettelijke rente en nasalaris

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van MF zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten

80,17

- griffierecht

1.920,-

totaal verschotten

2.000,17

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

1 punt x € 1.631,-

1.631,-

te vermeerderen met wettelijke rente en nasalaris.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

6.1

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling privaatrecht, locatie Assen van 13 november 2013, behalve waar het betreft de veroordeling in dat vonnis uitgesproken onder 1., bekrachtigt dat vonnis voor wat betreft die veroordeling en doet voor het overige opnieuw recht;

6.2

veroordeelt [geïntimeerde] om aan MF tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen

- € 41.350,54, terzake van de doorbetaling van het salaris aan [X] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 2012 tot die der algehele voldoening.

- € 4.853,71 terzake de opgebouwde vakantiedagen

- € 3.600,- exclusief BTW voor scholingskosten

- € 2.500,- exclusief BTW vanwege kosten rechtsbijstand;

6.3

veroordeelt [geïntimeerde] om aan MF terug te betalen al hetgeen MF aan [geïntimeerde] heeft voldaan ter uitvoering van voormeld vonnis van 13 november 2013, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van algehele voldoening;

6.4

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van MF wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 3.576,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.871,17 voor verschotten, en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 1.631,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 2.000,17 voor verschotten, te vermeerderen met de wettelijke rente over voormelde bedragen vanaf 14 dagen na betekening van deze uitspraak tot de dag der algehele voldoening en met € 131,- voor nasalaris van de advocaat, te vermeerderen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

6.5

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

6.6

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. H.E. de Boer, mr. G. van Rijssen en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 12 april 2016.