Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2781

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-04-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
200.184.029
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling. Tienjaarstermijn. Aangevoerde omstandigheden onvoldoende om imperatieve afwijzingsgrond opzij te zetten. Geen ruimte voor toepassing van de hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.184.029

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/404309 en C/16/404312)

arrest van 7 april 2016

inzake

[appellant]
en
[appellante],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,
hierna: [appellant] en [appellante],

advocaat: mr. F.B.A. Verbeek.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 januari 2016 zijn de verzoeken van [appellant] en [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar deze vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 19 januari 2016 ingekomen verzoekschrift zijn [appellant] en [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemde vonnissen en hebben zij het hof verzocht deze vonnissen te vernietigen en de wettelijke schuldsaneringsregeling op hen van toepassing te verklaren, kosten rechtens.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 maart 2016, waarbij [appellant] en [appellante] zijn verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Verbeek. Tevens is ten behoeve van [appellant] en [appellante] verschenen [bewindvoerder], werkzaam als beschermingsbewindvoerder bij BCN Bewindvoering & Inkomensbeheer te [plaats].

2.4

Na de mondelinge behandeling heeft het hof van mr. Verbeek een op 4 april 2016 ingediend V6 formulier ontvangen, waarbij een brief van die datum met één productie (een rekeningafschrift van de Rabobank van 4 februari 2016) was gevoegd.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.
[appellant], geboren op [geboortedatum] 1970, en [appellante], geboren op [geboortedatum] 1972, zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Op 24 september 2014 is beschermingsbewind voor hen ingesteld.
De schuldenlast van [appellant] en [appellante] bedraagt volgens de bij het verzoekschrift wsnp ex art. 284 Fw gevoegde crediteurenlijst in totaal bijna € 32.000,-.

3.2

Op [appellant] en [appellante] is eerder, in 2006, de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Bij - overigens niet aan het hof overgelegde - vonnissen van 4 februari 2009 heeft de rechtbank deze regelingen tussentijds beëindigd. Naar [appellant] en [appellante] hebben gesteld, zijn zij in 2010 in staat van faillissement verklaard en hebben zij toentertijd al hun schuldeisers voldaan.

3.3

De rechtbank heeft de verzoeken van [appellant] en [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat vaststaat dat op [appellant] en [appellante] in de tien jaar voorafgaand aan de dag waarop hun verzoekschrift is ingediend deze regeling op hen van toepassing is geweest en geen sprake is van de in artikel 288 tweede lid, aanhef en onder d Fw genoemde uitzonderingsgronden.

3.4

Het hof oordeelt als volgt. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de hiervoor onder rov. 3.2 genoemde vonnissen van 4 februari 2009 volgt dat op [appellant] en [appellante] minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop hun verzoekschrift is ingediend, de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest en dat van beëindiging op grond van artikel 350 derde lid, aanhef en onder a, b of d Fw geen sprake is geweest. Deze omstandigheid levert ingevolge het bepaalde in artikel 288 tweede lid, aanhef en onder d Fw een imperatieve afwijzingsgrond op, zodat de verzoeken van [appellant] en [appellante] tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling moeten worden afgewezen.

Het standpunt van [appellant] en [appellante] dat, kort samengevat, erop neerkomt dat zij bij de beëindiging van hun faillissement in 2010 terecht in de veronderstelling mochten verkeren dat zij alle schulden betaald hadden en ‘schuldenvrij’ waren (hetgeen volgens [appellant] en [appellante] toch niet het geval bleek te zijn, omdat na het verbindend verklaren van de slotuitdelingslijst zich nieuwe schuldeisers, waaronder de woningbouwvereniging en de Belastingdienst, bij de curator meldden) en dat door hen niet toe te rekenen (administratieve) onkunde en beperkingen (waarvoor - uiteindelijk - in 2014 een maatregel in de vorm van beschermingsbewind is getroffen) de na dat faillissement ontstane schuldenlast hen niet mag worden aangerekend, kan genoemde imperatieve afwijzingsgrond niet opzij zetten. Dit zelfde gaat op voor het in het onder rov. 2.4 genoemde nagezonden faxbericht van de advocaat ingenomen standpunt dat [appellant] en [appellante] ruim € 5.000,- hebben gespaard die zij in geval van een (hernieuwde) toelating tot de schuldsaneringsregeling aan hun schuldeisers ten goede willen laten komen en dat [appellant] een goed verdienende baan heeft waardoor het grootste deel en mogelijk zelfs alle schulden afbetaald zouden kunnen worden.
Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen het overigens ontbreken van een onderbouwde uitleg waarom de wettelijke termijn van tien jaar door het hof opzij gezet zou moeten worden, is er geen ruimte voor een andere beslissing dan een afwijzing van de verzoeken en kan in een dergelijk geval evenmin de hardheidsclausule van artikel 288 derde lid Fw worden toegepast.

3.5

Dit oordeel wordt niet anders indien het hof de beschikking zou hebben gehad over de hiervoor onder rov. 3.2 genoemde vonnissen van de rechtbank van 4 februari 2009.
Het ter zitting in hoger beroep door de advocaat van [appellant] en [appellante] ingediende verzoek tot aanhouding van de zaak om hem in de gelegenheid te stellen deze vonnissen (die volgens de advocaat wel bij de rechtbank waren opgevraagd maar nog niet waren ontvangen) in het geding te brengen wijst het hof dan ook af.

3.6

Het hof zal beslissen als hierna te melden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

wijst het verzoek van [appellant] en [appellante] tot aanhouding van de beslissing op het verzoek in hoger beroep om nadere gedingstukken te overleggen af;

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
11 januari 2016.

Dit arrest is gewezen door mrs. Ch.E. Bethlem, R.A. van der Pol en I. Brand, en is op 7 april 2016 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.