Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2714

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
200.155.473/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Huisvesting asielzoeker. COA heeft in eerste aanleg verwijdering van asielzoeker uit AZC gevorderd omdat deze een reguliere woning ten onrechte heeft geweigerd. Asielzoeker heeft inmiddels AZC verlaten. COA heeft geen belang meer bij de vordering tot verwijdering. Asielzoeker heeft geen belang meer bij zijn tegenvordering tot voorzetting verblijf in AZC.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.155.473/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/134863 / KG ZA 14-163)

arrest van 5 april 2016

in de zaak van

Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA),

gevestigd te Rijswijk,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, tevens verweerder in reconventie;

hierna: COA

advocaat: mr. W.H.J. Semeijn, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

1 [geïntimeerde] ,

pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen:

  1. [kind]

  2. [kind]

  3. [kind]

  4. [kind]

  5. [kind]

allen wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden, tevens verzoeker in reconventie

hierna te noemen: [geïntimeerde] dan wel [geïntimeerden]

advocaat: mr. K.J. Meijer, kantoorhoudend te [plaats] .

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 15 december 2015 hier over.

1.2

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 17 februari 2016 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Daarna is de zaak naar de rol van 23 februari 2016 verwezen teneinde arrest te vragen

1.4

Vervolgens heeft uitsluitend COA de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 Ten aanzien van de feiten

2.1

[geïntimeerde] is afkomstig uit [land] . Aan hem is bij beschikking van 1 maart 2014 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onder a, Vreemdelingenwet 2000 verleend, met ingang van 11 februari 2014.

2.2

Hij verbleef op dat moment met zijn kinderen in het Asielzoekerscentrum (AZC) te [plaats] . Zijn echtgenote verbleef in [woonplaats] .

2.3

COA heeft bemiddeld een woning voor hem en zijn kinderen, hetgeen heeft geleid tot het aanbod van de woning [adres] te [woonplaats] bij brief van 11 maart 2014.

2.4

[geïntimeerde] heeft deze woning niet bezichtigd. Dochter [kind] heeft op 11 maart tweede en derdegraads brandwonden opgelopen aan haar benen waarvoor zij op 21 maart 2014 een operatie heeft moten ondergaan.

2.5

Op 17 april 2014 heeft een woningweigeringsgesprek plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en een locatiemedewerkster van het AZC. Op 6 mei 2014 heeft een tweede woningweigeringsgesprek plaatsgevonden waarbij aan [geïntimeerde] is meegedeeld dat het COA de woningweigering onterecht heeft bevonden en dat het COA een ontruimingsprocedure zou beginnen wanneer hij de opvanglocatie niet zou verlaten.

2.6

Op 9 mei 2014 is [geïntimeerde] gesommeerd het AZC te verlaten.

2.7

Nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan hebben [geïntimeerden] nog enige maanden in het AZC te [plaats] verbleven. In maart 2015 hebben zij het AZC verlaten en zijn in [woonplaats] gaan wonen, waar zij zelf een woning hebben gevonden.

3 De beslissing in eerste aanleg.

3.1

COA heeft in eerste aanleg in conventie de ontruiming van [geïntimeerden] uit het AZC gevorderd. In reconventie heeft [geïntimeerde] gevorderd dat het COA zal worden veroordeeld om de huisvesting van [geïntimeerden] in het AZC voort te zetten, inclusief ziektekostenverzekering en doorbetaling van de uitkering ingevolge de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva 2005).

3.2

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de opvang van een asielzoeker op grond van artikel 7 lid 1 sub a van de Rva 2005 in verband met artikel 44, lid 1 van de Vreemdelingenwet, van rechtswege eindigt nadat op de asielaanvraag inwilligend is beslist en naar het oordeel van COA passende huisvestiging buiten een centrum kan worden gerealiseerd.

Hoewel de aangeboden woning [adres] als passend moet worden aangemerkt, was [geïntimeerde] zich onvoldoende bewust van de consequenties toen hij de woning weigerde, onder meer omdat er geen tolk bij het woningweigeringsgesprek was. Bovendien werd [geïntimeerde] zo in beslag genomen door de brandwonden van zijn dochter [kind] dat hij zich onvoldoende rekenschap heeft kunnen geven van de consequenties van een woningweigering. De voorzieningenrechter heeft vervolgens geoordeeld dat geen sprake was van een woningweigering in de door COA bedoelde zin. Om die reden heeft de voorzieningenrecht de door COA gevorderde ontruiming afgewezen. In reconventie heeft hij COA veroordeeld om opvang in de zin van de Rva 2005 te verstrekken aan [geïntimeerden] tot dat [geïntimeerde] passende woonruimte heeft geaccepteerd dan wel passende woonruimte ten onrechte heeft geweigerd, alsmede doorbetaling van de ziektekostenverzekering en de financiële toelagen op grond van de Rva 2005.

4 De beoordeling van het appel

4.1

Het hof dient eerst conform vaste jurisprudentie te beoordelen of COA nog een spoedeisend belang bij het door haar gevorderde heeft. Het hof stelt vast dat nu [geïntimeerden] het AZC te [plaats] inmiddels per maart 2015 hebben verlaten, het COA geen belang - laat staan een spoedeisend belang - heeft bij hetgeen zij aanvankelijk in conventie heeft gevorderd en waarbij zij in hoger beroep heeft gepersisteerd.

4.2

COA heeft aangevoerd dat zij een in verband met mogelijke precedentwerking een principieel belang heeft bij de beoordeling van haar grieven tegen het oordeel van de voorzieningenrechter. Het hof oordeelt evenwel dat naar vaste jurisprudentie vrees voor precedentwerking niet kwalificeert als een voldoende procesbelang (HR 16 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0927, NJ 1993, 444).

4.3

Anders ligt dat met het hoger beroep voor zover gericht tegen de vordering in reconventie, waar reeds het feit dat COA in de daarop gevallen kosten is veroordeeld, voor haar een voldoende procesbelang in appel oplevert. Bij de memorie van grieven heeft COA ook om vernietiging van dit oordeel verzocht. Het hof dient vervolgens, zo nodig ambtshalve, te beoordelen of [geïntimeerde] thans nog belang heeft bij de door hem verzochte voorziening (vergelijk HR 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6341 en HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437). Het hof stelt vast dat dat belang is komen te ontvallen na zijn verhuizing naar [woonplaats] . Om die reden zal het hof het vonnis voor zover in reconventie gewezen, vernietigen en de vordering, ex nunc, oordelend, afwijzen.

COA heeft verder geen grieven opgeworpen tegen de beoordeling in reconventie. De procestukken ontberen dan ook aangrijpingspunten om te beoordelen of de voorziening in reconventie, ex tunc oordelende, voor de periode tot maart 2015, al dan niet terecht is gegeven, zodat het hof die beslissing van de voorzieningenrechter in stand zal laten.

De slotsom

4.4

Het hof zal het beroep van COA tegen het in conventie gewezen vonnis verwerpen en het hof zal het vonnis voor zover in reconventie gewezen vernietigen voor zover dat ziet op de periode na maart 2015 en voor het overige bekrachtigen. In appel zal het hof de kosten compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwerpt het beroep gericht tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, d.d. 1 augustus 2014 voor zover in conventie gewezen;

vernietigt dit vonnis, voor zover in reconventie gewezen en betrekking hebbende op de periode na maart 2015 en in zoverre op nieuw rechtdoende, wijst de vordering af vanaf het moment dat [geïntimeerden] het AZC in die maand hebben verlaten;

bekrachtigt het vonnis in reconventie voor het overige;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.E.L. Fikkers en mr. R.E. Weening en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 5 april 2016.