Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2564

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
200.176.403/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind. Verzoek tot machtiging overhevelen vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, familie

zaaknummers gerechtshof 200.176.403 en 200.176.407

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 4179413 en 4207965)

beschikking van 31 maart 2016

in de zaak met nummer 200.176.403

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van na te noemen rechthebbende,
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de bewindvoerder,

moeder van de rechthebbende,

advocaat: mr. P.G. Knoppers te Utrecht,

en

[rechthebbende] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de rechthebbende.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

vader van de rechthebbende.

in de zaak met nummer 200.176.407

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van na te noemen rechthebbende,
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de bewindvoerder,

moeder van de rechthebbende,

advocaat: mr. P.G. Knoppers te Utrecht,

en

[rechthebbende] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de rechthebbende.

1. De gedingen in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Utrecht) van 10 juni 2015 en 8 juli 2015, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 De gedingen in hoger beroep

2.1

In de procedure met zaaknummer 200.176.403 is op 9 september 2015 ingekomen het beroepschrift met producties.

2.2

In de procedure met zaaknummer 200.176.407 is op 9 september 2015 ingekomen het beroepschrift met producties.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 23 februari 2016 plaatsgevonden. Gelet op de samenhang van de beide zaken, zijn deze zaken gevoegd behandeld. De bewindvoerder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Ook is de vader verschenen.

Daarnaast zijn mr. [notaris], notaris (hierna te noemen: de notaris), en mr. [A], kandidaat-notaris, beiden verbonden aan Olenz notarissen te [vestigingsplaats], verschenen. Zij zijn door het hof aangemerkt als informanten.

3 De vaststaande feiten

3.1

In 1996 is het vermogen van de rechthebbende onder bewind gesteld met benoeming van zijn moeder, [verzoekster] voornoemd, tot bewindvoerder. De rechthebbende lijdt aan een geestelijke beperking, waardoor hij nimmer in staat zal zijn zijn vermogen te beheren.

200.176.403

3.2

Op 2 december 2013 heeft de vader de besloten vennootschap [rechthebbende] Jr. Beheer B.V. (hierna: de BV) opgericht. Direct na de oprichting is door middel van een akte van schenking het enige aandeel in de BV aan de rechthebbende geschonken. Eind december 2013 heeft de bewindvoerder € 160.000,- uit het vermogen van de rechthebbende (toen circa € 200.000,-) ondergebracht in de BV. De bewindvoerder en de vader hebben voor deze weg gekozen om daarmee een afname van de door de rechthebbende te betalen eigen bijdrage CAK en een verhoging van het te behalen rendement op diens liquiditeiten te realiseren en aldus diens vermogen zoveel als mogelijk te beschermen.

3.3

Op 1 juni 2015 heeft bij de kantonrechter een zitting plaatsgevonden naar aanleiding van gerezen vragen bij de in januari 2015 ingediende rekening en verantwoording over 2013 en de eind 2013 opgerichte BV waarin voormeld kapitaal van de rechthebbende is ondergebracht. In de bestreden beschikking van 10 juni 2015 heeft de kantonrechter overwogen dat de ontvangen informatie en hetgeen ter terechtzitting is besproken, wordt opgevat als het achteraf vragen door de bewindvoerder van toestemming voor het oprichten van een besloten vennootschap. De kantonrechter heeft overwogen dit machtigingsverzoek te zullen beoordelen omdat duidelijk is geworden dat de rechthebbende de strekking van dit verzoek niet kan overzien. Bij voornoemde beschikking is dit machtigingsverzoek afgewezen. In de overwegingen heeft de kantonrechter de bewindvoerder verzocht om de opgerichte vennootschap uiterlijk op 31 december 2015 te liquideren.

200.176.407

3.4

Op de zitting van 1 juni 2015 bij de kantonrechter naar aanleiding van gerezen vragen bij de in januari 2015 ingediende rekening en verantwoording over 2013 en bij de eind 2013 opgerichte BV waarin kapitaal van de rechthebbende is ondergebracht, was ook de (bij de oprichting betrokken) notaris aanwezig. De notaris heeft nadien bij de bewindvoerder een nota ingediend voor door hem verrichte werkzaamheden voor een totaalbedrag van € 1.796,85.

3.5

Bij de bestreden beschikking van 8 juli 2015 heeft de kantonrechter het verzoek van de bewindvoerder om machtiging te verlenen tot betaling van de bewuste nota van 8 juni 2015, afgewezen.

4 De omvang van het geschil

200.176.403

4.1

De bewindvoerder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 juni 2015. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De bewindvoerder heeft haar verzoeken zoals geformuleerd in het petitum van het beroepschrift tijdens de mondelinge behandeling aangevuld. Zij verzoekt het hof thans bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 10 juni 2015 te vernietigen en:

- primair: voor recht te verklaren dat bij de beoordeling van de rekening en verantwoording over het jaar 2013 en alle daarna volgende jaren de oprichting van de BV, de schenking van de aandelen in de BV door de vader aan de rechthebbende, het daarin belegde vermogen van de rechthebbende, dan wel alle andere zaken verband houdende met de BV geen belemmering vormen voor goedkeuring van die rekening en verantwoording,

- subsidiairindien het hof oordeelt dat sprake is van een verzoek om (achteraf) machtiging te verlenen voor het overhevelen van € 160.000,- vanuit het vermogen van de rechthebbende naar de BV - dit machtigingsverzoek in te willigen,

- voor zover nodig voor recht te verklaren dat de BV niet hoeft te worden geliquideerd,

- meer subsidiair: - indien de machtiging niet wordt verleend en de BV wél moet worden geliquideerd - een liquidatietermijn vast te stellen van één jaar gerekend vanaf de datum waarop de door het hof te geven beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

200.176.407

4.2

De bewindvoerder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 8 juli 2015. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De bewindvoerder verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 8 juli 2015 te vernietigen en te bepalen dat machtiging wordt verleend voor betaling van de factuur van Olenz notarissen van 8 juni 2015 voor een totaalbedrag van € 1.796,85.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:441 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) draagt de bewindvoerder zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende. De bewindvoerder kan voorts voor de rechthebbende alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen.

Op grond van het tweede lid van artikel 1:441 BW behoeft de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter voor een aantal, in die bepaling onder a tot en met f genoemde handelingen. Daartoe behoort (onder a) het beschikken en aangaan van overeenkomsten tot beschikking over een onder het bewind staand goed, tenzij de handeling als een gewone beheersdaad kan worden beschouwd of krachtens rechterlijk bevel geschiedt, en (onder b) het aannemen van een making of gift waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden.

200.176.403

5.2

De bewindvoerder stelt dat zij 19 jaar zonder problemen het bewind heeft gevoerd. Samen met de vader heeft zij vele jaren alle kosten voor de rechthebbende volledig voldaan en zij heeft nimmer kosten voor haar werkzaamheden als bewindvoerder in rekening gebracht. Dit maakte mogelijk dat de rechthebbende een vermogen van circa € 200.000,- heeft kunnen opbouwen van de uitkeringen die hij ontving. De rechthebbende woonde achter het huis van zijn ouders, maar sinds twee jaar is externe opvang noodzakelijk. Door de verandering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), inmiddels de Wet Langdurige Zorg (WLZ), is thans sprake van bijtelling bij het inkomen van de rechthebbende van 8% fictief rendement op zijn box 3-vermogen. Daardoor zou de rechthebbende, als zijn vermogen niet in de BV zou zijn belegd, de maximaal verplichte eigen bijdrage CAK moeten voldoen, terwijl de eigen bijdrage op basis van alleen zijn inkomen lager is. De hogere eigen bijdrage CAK overstijgt dan het maandelijkse inkomen van de rechthebbende, waardoor hij fors moet interen op zijn vermogen. De vader en de bewindvoerder hebben altijd voor ogen gehad dat de rechthebbende over voldoende middelen zou beschikken om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien en ook met dat oogmerk hebben zij getracht vermogen voor hem op te bouwen. Teneinde zo gunstig mogelijk gebruik te kunnen maken van de faciliteiten van estate planning voor hun zoon, hebben zij zich tot de notaris gewend. Op 2 december 2013 heeft de vader, na advies van de notaris, de BV opgericht. Bestuurders van deze BV zijn de vader en de bewindvoerder. Bij akte van schenking van dezelfde datum, 2 december 2013, is het enig aandeel in de BV geschonken aan de rechthebbende, waarna € 160.000,- uit het vermogen van de rechthebbende in de BV is ondergebracht. Fiscaal gezien is het vermogen van de rechthebbende daarmee in box 2 terechtgekomen en wordt dit niet meer in aanmerking genomen voor de berekening van de eigen bijdrage CAK. Ter onderbouwing licht de bewindvoerder toe dat de eigen bijdrage CAK in 2014, na verlegging van het peiljaar naar 2014 en daarmee rekening houdend met de BV, op € 800,35 per maand is vastgesteld, terwijl de eigen bijdrage voor 2015 oorspronkelijk, toen nog geen verzoek tot verlegging van het peiljaar was ingediend, op basis van de oude vermogenspositie op € 1.848,33 per maand was vastgesteld.

In de toelichting op grief I stelt de bewindvoerder dat de kantonrechter ten onrechte heeft beslist op een niet gedaan verzoek. Zij, de bewindvoerder, heeft alleen gevraagd om goedkeuring van de rekening en verantwoording. Er is geen verzoek gedaan om het verlenen van machtiging tot oprichting van de BV.

In de toelichting op grief II voert de bewindvoerder aan dat een verzoek tot het verkrijgen van toestemming voor het oprichten van de BV ook niet noodzakelijk was, omdat deze BV is opgericht door de vader van de rechthebbende. De kantonrechter heeft volgens de bewindvoerder dan ook ten onrechte geconstateerd dat toestemming nodig is voor het oprichten van de BV. De kantonrechter heeft geen toezichthoudende functie met betrekking tot het vermogen van de vader. Gelet hierop is het onbegrijpelijk dat de kantonrechter heeft verzocht de vennootschap te liquideren. De bewindvoerder heeft wel een schenking aangenomen voor de rechthebbende, zijnde de aandelenportefeuille van de BV, maar hiervoor is geen toestemming van de kantonrechter vereist nu daaraan geen lasten of voorwaarden verbonden zijn. Voorts is op grond van punt 5 van de aanbevelingen meerderjarigenbewind LOVCK, versie 8 juni 2015, voor het beleggen van het vermogen in de BV evenmin toestemming vereist.

Volgens de bewindvoerder is het liquideren van de vennootschap niet in het belang van de rechthebbende, omdat dit mogelijk juist ongunstige gevolgen voor diens vermogen zal hebben. De belegging in de BV leidt wat betreft de eigen bijdrage CAK tot een besparing van circa € 13.000,- per jaar en geeft een fiscaal voordeel van circa € 2.000,- per jaar, terwijl het bovendien een zeer defensief beleggingsprofiel betreft.

Naar de bewindvoerder aanvoert, heeft de notaris ter zitting in eerste aanleg verklaard “een bestuursbesluit te zullen laten nemen door het bestuur van de vennootschap, dat alle handelingen boven de € 1.500,-- conform de regelgeving LOVCK goedkeuring van de kantonrechter behoeven”, zodat de controle op het vermogen volledig bij de kantonrechter blijft. Ter zitting in hoger beroep heeft de bewindvoerder de notulen overgelegd van de op 8 september 2015 gehouden algemene vergadering van aandeelhouders van de BV. Blijkens die notulen is besloten om besluiten van het bestuur waarmee een bedrag van boven € 1.500,- is gemoeid, aan de voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering te onderwerpen als bedoeld in artikel 21 van de statuten van de BV.

In de toelichting op grief III betoogt de bewindvoerder dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek tot goedkeuring van de rekening en verantwoording. Zij verzoekt om die reden het hof om, kort gezegd, een verklaring voor recht op dit punt.

De bewindvoerder biedt aan al haar stellingen te bewijzen, in het bijzonder door het doen horen van de betrokken medewerkers van Olenz Notarissen en de vader die allen kunnen verklaren omtrent de gang van zaken bij de procedure in eerste aanleg, de totstandkoming van en de gang van zaken rond de oprichting van de BV, alsmede omtrent haar eigen bedoelingen.

5.3

Het hof overweegt omtrent het voorgaande als volgt. In samenspraak met de bewindvoerder heeft de vader ter bescherming van het vermogen van de rechthebbende de BV opgericht. Vervolgens heeft de bewindvoerder, na ontvangst via schenking van de aandelenportefeuille van de BV, € 160.000,- overgeheveld vanuit het vermogen van de rechthebbende naar de BV. Naar het oordeel van het hof is hiermee sprake van een handeling van de bewindvoerder in de zin van artikel 1:441 lid 2, aanhef en onder a, BW, die niet is te beschouwen als een gewone beheersdaad als daar bedoeld. Het aldus overhevelen van dit kapitaal vanuit het vermogen van de rechthebbende naar de BV is niet aan te merken als een reguliere vorm van beleggen waarop in punt 5 van de aanbevelingen meerderjarigenbewind LOVCK wordt gedoeld. Het voorgaande betekent dat voor deze handeling machtiging van de kantonrechter is vereist nu de rechthebbende zelf niet in staat is ter zake toestemming te geven.

5.4

De kantonrechter heeft het verzoek tot goedkeuring van de rekening en verantwoording ten onrechte aangemerkt als een verzoek (achteraf) tot het verlenen van machtiging voor het oprichten van de BV. De bewindvoerder voert terecht aan dat een dergelijk verzoek niet is gedaan, en ook niet behoefde te worden gedaan omdat het de vader is, die de BV heeft opgericht. Om die reden kan de beschikking van de kantonrechter niet in stand blijven en zal deze worden vernietigd.

Naar het oordeel van het hof ligt in het verzoek van de bewindvoerder tot goedkeuring van de rekening en verantwoording wel besloten het verzoek om (achteraf) machtiging te verlenen voor het overhevelen van € 160.000,- vanuit het vermogen van de rechthebbende naar de BV.

5.5

Zonder enig waardeoordeel te willen geven over de (morele) aanvaardbaarheid van de door de bewindvoerder en de vader gekozen oplossing om het vermogen van de rechthebbende zoveel mogelijk te beschermen, constateert het hof dat door verlening van de bewuste machtiging het vermogen van de rechthebbende in hoofdzaak aan het met wettelijke waarborgen omklede stelsel van (direct) toezicht van de kantonrechter zal worden onttrokken. Door het overhevelen van € 160.000,- uit het vermogen van de rechthebbende naar de BV gaat het overgrote deel van het vermogen van de rechthebbende namelijk behoren tot het vermogen van de BV, die een afzonderlijke juridische entiteit vormt. Het beheer van en de beschikking over het overgehevelde kapitaal zijn vanaf dat moment voorbehouden aan het bestuur van de BV, zijnde de vader en de bewindvoerder. De omstandigheid dat de rechthebbende in plaats van dat kapitaal de aandelenportefeuille van de BV verkrijgt, doet aan het voorgaande niet af. Voor zover de kantonrechter invloed kan uitoefenen op de wijze waarop de bewindvoerder namens de rechthebbende met de aandelenportefeuille en het daaraan verbonden stemrecht omgaat, heeft de kantonrechter daarmee immers nog geen zeggenschap over het vermogen van de BV. Dat inmiddels is besloten dat bestuursbesluiten waarmee een bedrag van meer dan € 1.500,- is gemoeid aan voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering en daarmee aan voorafgaande goedkeuring van de bewindvoerder zijn onderworpen, doet aan het voorgaande evenmin af. De kantonrechter heeft ten aanzien van de BV geen wettelijke taak of bevoegdheid. Het in artikel 2:239 BW bepaalde staat eraan in de weg dat beslissingen van het bestuur of de algemene vergadering worden onderworpen aan de goed- of afkeuring van de kantonrechter, dan wel dat de kantonrechter aan deze organen van de BV bindende aanwijzingen zou kunnen geven omtrent de uitoefening van hun bevoegdheden.

5.6

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat geen machtiging (achteraf) dient te worden verleend voor het overhevelen van € 160.000,- uit het vermogen van de rechthebbende naar de BV. De door de bewindvoerder en de vader gekozen opzet biedt aanzienlijke financiële voordelen voor de rechthebbende en is in zoverre in het belang van de rechthebbende. Dit laat evenwel onverlet het hiervoor gegeven oordeel dat aldus het vermogen van de rechthebbende in hoofdzaak aan het met wettelijke waarborgen omklede stelsel van (direct) toezicht van de kantonrechter wordt onttrokken. Dit laatste acht het hof niet wenselijk. Toewijzing van het door de bewindvoerder in hoger beroep gedane primaire en subsidiaire verzoek stuit hierop af. Het bewijsaanbod van de bewindvoerder wordt als niet ter zake dienend gepasseerd.

5.7

Aan de orde is nog de door de bewindvoerder in hoger beroep bestreden overweging van de kantonrechter, waarin de kantonrechter de bewindvoerder verzoekt de BV uiterlijk 31 december 2015 te liquideren. De bewindvoerder heeft het hof verzocht voor zover nodig voor recht te verklaren dat de BV niet behoeft te worden geliquideerd. Naar het oordeel van het hof is het niet aan de op het bewind toezicht houdende rechter om te beslissen over het al dan niet in stand houden van de BV. Het hof zal zich daarom onthouden van het geven van de verzochte verklaring voor recht. De bewindvoerder dient evenwel te beseffen dat het naar de BV overgehevelde kapitaal van de rechthebbende weer uit de BV moet worden gehaald om alsnog goedkeuring van de rekening en verantwoording te kunnen verkrijgen.

5.8

Gelet op het voorgaande zal het hof de beschikking van 10 juni 2015 vernietigen en beslissen als in het dictum vermeld.

200.176.407

5.9

Met grief I komt de bewindvoerder op tegen de in de bestreden beschikking van 8 juli 2015 opgenomen overweging dat zij in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord (op het verzoek om machtiging voor het betalen van de factuur van de notaris ad € 1.796,85), maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt. De bewindvoerder voert in dit kader het navolgende aan. Nadat de kantonrechter in de zaak aangaande, kort gezegd, de BV de beschikking van 10 juni 2015 had gegeven, heeft de bewindvoerder de kantonrechter schriftelijk verzocht de kosten van de notaris voor diens werkzaamheden verband houdend met de oproeping van de notaris voor de zitting in de procedure aangaande de BV, te mogen voldoen uit het vermogen van de rechthebbende. De kantonrechter heeft dit verzoek opgevat als een nieuw (machtigings)verzoek. Op 29 juni 2015 heeft de kantonrechter bekend gemaakt voornemens te zijn dat verzoek af te wijzen op basis van hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling op 1 juni 2015. Bij brief van 6 juli 2015 heeft de notaris namens de bewindvoerder te kennen gegeven dat hiertegen bezwaar wordt gemaakt. Vervolgens heeft de kantonrechter, zonder dat een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, bij de bestreden beschikking van 8 juli 2015 het machtigingsverzoek afgewezen. De bewindvoerder heeft de kantonrechter verzocht gehoord te worden. Daarom is ten onrechte overwogen dat zij hiertoe in de gelegenheid is gesteld, maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt.

In de toelichting op grief II voert de bewindvoerder aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat een zitting niet nodig was op de grond dat (in de brief van 6 juli 2015 waarin is verzocht gehoord te worden) geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangedragen. Ter zitting op 1 juni 2015 is in het geheel niet gesproken over een vergoeding van de kosten en zij is niet in de gelegenheid gesteld haar verzoek nog mondeling toe te lichten. Daarom heeft de kantonrechter niet kunnen beoordelen of er nieuwe feiten en omstandigheden waren, aldus de bewindvoerder.

Met grief III komt de bewindvoerder op tegen de overweging van de kantonrechter dat de door de notaris gemaakte kosten voor het voorbereiden en bijwonen van de zitting niet als kosten kunnen worden beschouwd die door de rechthebbende dienen te worden betaald. De notaris is niet alleen op verzoek van de bewindvoerder namens de rechthebbende en in het belang van de rechthebbende in de procedure verschenen om een toelichting te geven, maar de kantonrechter heeft bovendien zelf om toelichting van de notaris verzocht. De notaris heeft een oproep gekregen om gehoord te worden, zo voert de bewindvoerder aan.

5.10

Het hof stelt vast dat in eerste aanleg geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden met betrekking tot het hier aan de orde zijnde machtigingsverzoek. Dit gebrek is in de procedure in hoger beroep hersteld door het bepalen van een mondelinge behandeling ten overstaan van dit hof.

5.11

Het hof is van oordeel dat de bewindvoerder en de notaris genoegzaam hebben toegelicht dat de op de factuur van de notaris van 8 juni 2015 vermelde werkzaamheden voor een totaalbedrag van € 1.796,85 betrekking hadden op de werkzaamheden in het kader van de op 1 juni 2015 gehouden mondelinge behandeling bij de kantonrechter in de zaak aangaande de BV. Deze mondelinge behandeling heeft de notaris niet alleen bijgewoond op verzoek van de bewindvoerder, maar ook naar aanleiding van een oproepingsbrief die de notaris van de kantonrechter heeft ontvangen. De kantonrechter vond een toelichting van de notaris op de in overleg met de notaris genomen beslissing van de bewindvoerder en de vader om de BV op te richten en daarin vermogen van de rechthebbende onder te brengen, kennelijk ook passend. Gelet op een en ander is het hof van oordeel dat de werkzaamheden waarop de onderhavige factuur ziet, zijn uitgevoerd in het kader van de uitvoering van het bewind en dat de betaling van deze factuur in redelijkheid ten laste van het bewindsvermogen mag worden gebracht. Dat geen machtiging wordt afgegeven voor het overhevelen van € 160.000,- uit het vermogen van de rechthebbende naar de BV, doet hier niet aan af. Het hof zal het verzoek van de bewindvoerder om machtiging te verlenen voor betaling namens de rechthebbende van de factuur van de notaris van 8 juni 2015 voor een totaalbedrag van € 1.796,85, alsnog toewijzen. De beschikking van 8 juli 2015 zal worden vernietigd.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in de zaak met nummer 200.176.403

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Utrecht, van 10 juni 2015, en opnieuw beschikkende:

wijst af hetgeen de bewindvoerder overigens, een en ander als omschreven in rechtsoverweging 4.1, heeft verzocht;

in de zaak met nummer 200.176.407

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Utrecht, van 8 juli 2015, en opnieuw beschikkende:

verleent alsnog machtiging voor betaling door de bewindvoerder namens de rechthebbende van de factuur van Olenz notarissen van 8 juni 2015 voor een totaalbedrag van € 1.796,85.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, G.P.M. van den Dungen en J.P. Balkema, bijgestaan door de griffier, en is op 31 maart 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.