Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2557

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
200.111.616/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Regeling verdeling zorg- en opvoedingstaken en ondertoezichtstelling. Voldoende gronden die ‘omgangsondertoezichtstelling’ – zoals mondeling door de raad verzocht – rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.111.616

(zaaknummer rechtbank Utrecht 319899)

beschikking van de familiekamer van 31 maart 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.M. Schoots te Amsterdam,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. A. Boumanjal te Utrecht.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 14 maart 2013, 8 juli 2014 en 9 december 2014 tussenbeschikkingen gegeven. Voor het verloop van het geding tot 9 december 2014 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

  • -

    een journaalbericht van mr. Schoots van 2 april 2015 met bijlagen, ingekomen op 3 april 2015;

  • -

    een journaalbericht van mr. Boumanjal van 7 april 2015, ingekomen op die dag;

  • -

    een journaalbericht van mr. Boumanjal van 26 oktober 2015 met bijlagen, ingekomen op 27 oktober 2015;

  • -

    een journaalbericht van mr. Schoots van 1 december 2015 met bijlagen, ingekomen op die dag;

  • -

    een journaalbericht van mr. Boumanjal van 4 december 2015 met bijlagen, ingekomen op 7 december 2015;

  • -

    een journaalbericht van mr. Schoots van 12 februari 2016 met bijlage, ingekomen op 15 februari 2016;

  • -

    een journaalbericht van mr. Schoots van 25 februari 2015 met bijlagen, ingekomen op 26 februari 2016;

  • -

    een journaalbericht van mr. Schoots van 29 februari 2015 met bijlagen, ingekomen op 1 maart 2016.

1.3

Op 8 maart 2016 is de mondelinge behandeling voortgezet. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Aan de zijde van de man is voorts verschenen [tolk] als tolk in de Marokkaanse taal (registratienummer [0000]). Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is [A] verschenen.

2 De motivering van de beslissing

Inleiding

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 9 december 2014, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

In die beschikking heeft het hof, voor zover hier van belang, de behandeling van de zaak aangehouden tot 1 april 2015 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om te profiteren van de vrijwillige hulpverlening door het Omgangshuis Amsterdam met het verzoek aan partijen uiterlijk die datum aan het hof, met afschrift aan de wederpartij, te berichten over de resultaten van de vrijwillige hulpverlening en het verloop van de begeleide bezoeken. Het hof heeft vervolgens bepaald dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op de mondelinge behandeling van 21 april 2015. Op verzoek van partijen is de zaak aangehouden in afwachting van de resultaten van de vrijwillige hulpverlening door het Omgangshuis Amsterdam.

2.3

In het eindrapport van het Omgangshuis van 26 november 2015 staat het volgende vermeld, voor zover van belang:

“ Conclusies en advies:

Het Omgangshuis stelt dat een traject bij een ander Omgangshuis een terugval betekent in de contactgroei en het toewerken naar een zelfstandige omgangsregeling. [kind] en vader zijn er aan toe om samen en alleen op stap te gaan en de band tussen hen te versterken. Er is geen reden om dit contact nog langer zo intensief te begeleiden anders dan om toe te zien dat moeder [kind] niet belast met een negatief en vervreemdend beeld van haar vader. Vader toont zich voldoende sensitief naar zijn dochter en [kind] reageert daar positief op wanneer haar moeder er niet bij is. Doordat moeder [kind] blijft belasten en vader negatief blijft bejegenen blijft het advies van het Omgangshuis onveranderd: er dient een zelfstandige omgangsregeling te komen, welke met behulp van toezicht en indien noodzakelijk, dwangmaatregelen gegarandeerde continuïteit biedt van contact tussen vader en dochter.”

2.4

De moeder stelt zich zorgen te maken over [kind]. Volgens de moeder heeft [kind] angst voor de vader en dient de raad een onderzoek te doen naar een wenselijke omgangsregeling. De moeder stelt verder dat in de tussentijd uitsluitend een begeleide omgangsregeling kan plaatsvinden.

2.5

Volgens de vader doet de moeder er alles aan om omgang tussen hem en [kind] te frustreren. De vader verzoekt de zorgregeling gefaseerd op te bouwen naar een reguliere weekendregeling, onder verbeurte van een dwangsom zonder maximering.

2.6

De raad heeft geadviseerd om een omgangsregeling tussen de vader en [kind] vast te stellen. Volgens de raad dient op korte termijn te worden gewerkt naar een onbegeleide omgangsregeling. De raad heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verzocht [kind] onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland (hierna ook: de GI). De zorgregeling kan in dat geval nader worden vormgegeven onder regie van de jeugdbeschermer. Totdat de jeugdbeschermer vanuit de GI erbij is betrokken, zou een door het hof te bepalen begeleide omgangsregeling kunnen plaatsvinden.

2.7

Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten. Het verzoek van de moeder om een onderzoek door de raad te laten verrichten wordt afgewezen.

Ondertoezichtstelling

2.8

Ingevolge het artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

  1. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

  2. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

2.9

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de raad mondeling een verzoek tot ondertoezichtstelling van [kind] gedaan. Partijen hebben verklaard te kunnen instemmen met de ondertoezichtstelling van [kind].

2.10

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken van gronden die een ondertoezichtstelling van [kind] -zoals door de raad is verzocht- rechtvaardigen. De raad heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat door de voortdurende strijd tussen de ouders ernstige zorgen zijn ontstaan over de ontwikkeling van [kind]. De hulpverlening die tot op heden vanuit het vrijwillige kader is ingezet, heeft niet geleid tot verbetering van de situatie. De problemen bij het tot stand brengen en het uitvoeren van een omgangsregeling leveren een zo grote emotionele belasting voor [kind] op, dat voldoende is komen vast te staan dat zij hierdoor zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor [kind] of voor de ouders die het gezag uitoefenen, door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, terwijl de verwachting is gerechtvaardigd dat de ouders binnen een, gelet op de persoon en de ontwikkeling van [kind], aanvaardbaar te achten termijn, in staat zijn de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding te dragen.

Met de juiste inzet van hulp in het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling kan worden gewerkt aan verbetering van de onderlinge verstandhouding tussen de ouders, waardoor de strijd tussen hen kan verminderen en de spanning die het contact van met de vader bij [kind] veroorzaakt kan afnemen. Het hof gaat ervan uit dat in het kader van de ondertoezichtstelling, onder regie van de jeugdbeschermer een verantwoorde (uitbreiding van de) zorgregeling zal worden gerealiseerd, waarbij zoveel mogelijk moet worden toegewerkt naar een reguliere (onbegeleide) zorgregeling. Partijen dienen daartoe de aanwijzingen van de jeugdbeschermer in acht te nemen.

Zorgregeling

2.11

Uit de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen niet met elkaar kunnen overleggen over [kind] en dat hun verklaringen over het verloop van de omgang in de afgelopen periode haaks op elkaar staan. Gebleken is dat de moeder nog onvoldoende vertrouwen in de vader heeft. Het hof is, gelet op de inhoud van de rapportages van het Omgangshuis, van oordeel dat er geen contra-indicaties zijn voor vaststelling van een zorgregeling. Het hof acht het van belang dat [kind] en de man door middel van een zorgregeling in staat worden gesteld hun (hechtings)relatie te onderhouden en verder uit te bouwen. Gelet op de onveranderd slechte verstandhouding tussen de ouders, is het hof van oordeel dat het wenselijk is de zorgregeling gefaseerd uit te breiden naar een reguliere weekendregeling. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is verder gebleken dat het laatste contact tussen de man en [kind] in november 2015 is geweest. Het hof acht het in het belang van [kind] dat de zorgregeling tussen de vader en [kind] weer zo snel mogelijk wordt opgestart. Onder regie van de nog aan te wijzen jeugdbeschermer kan de zorgregeling stapsgewijs worden uitgebreid tot een reguliere (onbegeleide) weekregeling. Omdat het mogelijk nog enige tijd zal duren voordat de jeugdbeschermer daadwerkelijk aan het werk zal gaan en hervatting van de zorgregeling voor [kind] van groot belang wordt geacht, zal het hof de hierna te bepalen zorgregeling vaststellen. De vader zal eerst drie tot ten hoogste vijf keer begeleide omgang met [kind] hebben, inhoudende dat de man en [kind] eens per veertien dagen op de zondag van 12.00 uur tot 15.00 uur bij het Omgangshuis in Houten contact met elkaar hebben, waarbij het precieze aantal omgangsmomenten (drie, vier of vijf keer) nader zal worden bepaald door dit Omgangshuis. Deze zorgregeling dient binnen vier weken na deze beschikking te worden opgestart. Daarna zal de man drie keer op zondag onbegeleide omgang met [kind] hebben, inhoudende dat de man en [kind] eens per veertien dagen op de zondag van 12.00 uur tot 15.00 uur contact met elkaar hebben, waarbij de overdracht zal plaatsvinden ter plaatse van het Omgangshuis in Houten. Vervolgens zal de man eens per veertien dagen op de zondag van 12.00 uur tot 17.00 uur omgang met [kind] hebben, waarbij de overdracht zal plaatsvinden ter plaatse van het Omgangshuis te Houten. Daarna zal de omgangsregeling in overleg met en onder regie van de jeugdbeschermer worden bepaald. Het hof gaat ervan uit dat in het kader van de ondertoezichtstelling een voor [kind] verantwoorde uitbreiding van de zorgregeling kan worden gerealiseerd en dat door de jeugdbeschermer zal worden toegewerkt naar een reguliere (onbegeleide) weekendregeling. Partijen dienen daartoe de aanwijzingen van de jeugdbeschermer in acht te nemen.

2.12

Het hof ziet gaan aanleiding om aan de zorgregeling een dwangsom te verbinden, zoals door de vader verzocht, nu de ondertoezichtstelling een voldoende dwingend kader zal hebben en de GI, indien nodig, partijen bindende aanwijzingen zal kunnen geven.

3 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

stelt de minderjarige [kind], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats], onder toezicht van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Utrecht, met ingang van 31 maart 2016, voor de duur van één jaar, tot 31 maart 2017;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 16 mei 2012, en opnieuw beschikkende:

verdeelt de zorg- en opvoedingstaken aldus dat:

- de vader eerst drie tot ten hoogste vijf keer begeleide omgang met [kind] zal hebben, uiterlijk 28 april 2016, inhoudende dat de man en [kind] eens per veertien dagen op de zondag van 12.00 uur tot 15.00 uur bij het Omgangshuis in Houten met elkaar contact hebben, waarbij het precieze aantal omgangsmomenten (drie, vier of vijf keer) nader zal worden bepaald door dit Omgangshuis;

- de man daarna drie onbegeleide omgang met [kind] zal hebben, inhoudende dat de man en [kind] eens per veertien dagen op de zondag van 12.00 uur tot 15.00 uur contact met elkaar hebben, waarbij de overdracht zal plaatsvinden ter plaatste van het Omgangshuis in Houten;

- de man vervolgens eens per veertien dagen op de zondag van 12.00 uur tot 17.00 uur omgang met [kind] zal hebben, waarbij de overdracht zal plaatsvinden ter plaatse van het Omgangshuis te Houten;

- de omgangsregeling voorts in overleg met en onder regie van de jeugdbeschermer stapsgewijs verder zal worden uitgebreid, waarbij dient te worden toegewerkt naar een (onbegeleide) reguliere weekendregeling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven op 8 maart 2016 door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, G.P.M. van den Dungen en J.W.P. Verheugt, bijgestaan door mr. A.B. de Wit als griffier, en is op 31 maart 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.