Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2520

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
200.184.451/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Moeder niet in staat een veilig, stabiel en stimulerend opvoedingsklimaat te bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.184.451/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/112106 / JE RK 15-446)

beschikking van de familiekamer van 24 maart 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.T. van Daatselaar, kantoorhoudend te Hoogeveen,

en

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

kantoorhoudend te Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen (verder te noemen: de rechtbank), van 28 oktober 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 januari 2016, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen, het hof begrijpt onder afwijzing van het inleidend verzoek van de GI.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 15 februari 2016, heeft de GI het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden en verzocht het door de moeder ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3

Ter griffie van het hof zijn voorts binnengekomen:

- een brief van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Overijssel, Locatie Almelo (verder te noemen: de raad), waarin de raad mededeelt niet ter zitting aanwezig te zullen zijn;

- een brief met bijlagen d.d. 28 januari 2016 van mr. Van Daatselaar;
- een brief met bijlagen d.d. 24 februari 2016 van de GI.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 1 maart 2016 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door mr. Van Daatselaar;
- namens de GI: mevrouw [B] en mevrouw [C] (jeugdzorgwerkers).
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.5

Namens de GI is ter zitting - met instemming van het hof en de moeder - de beschikking van de rechtbank van 10 februari 2016 betreffende de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige3] in het geding gebracht.

3 De vaststaande feiten

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van de minderjarigen:
- [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2010 te [D] ; en
- [de minderjarige2] (verder te noemen: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2012 te [E] , over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. De ouders hebben daarnaast nog een dochter [de minderjarige3] , geboren [in] 2014, de moeder heeft een dochter [de minderjarige4] , geboren [in] 2008 en de vader heeft een zoon [de minderjarige5] , geboren [in] 2009.

3.2

Bij beschikking van de rechtbank van 14 oktober 2010 is de toen nog ongeboren [de minderjarige1] onder toezicht gesteld. [de minderjarige2] is onder toezicht gesteld bij beschikking van de rechtbank van 3 december 2014. Bij beschikking van de rechtbank van 13 mei 2015 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] laatstelijk verlengd tot 26 mei 2016.

3.3

Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 15 oktober 2015, heeft de GI verzocht op grond van artikel 1:265b BW een machtiging te verlenen om de kinderen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gespecialiseerde instelling voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.4

Bij beschikking van 15 oktober 2015 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verleend voor de duur van vier weken en is het verzoek voor het overige aangehouden.

3.5

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gedurende dag en nacht in een gespecialiseerde instelling tot uiterlijk 26 mei 2016.

3.6

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven in een gezinshuis van [F] , waar ook [de minderjarige3] verblijft.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Uit artikel 1:265b, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van een minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, de gecertificeerde instelling bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet die belast is met de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

4.2

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] door de persoonlijke problematiek van beide ouders te maken hebben gehad met een instabiele en onvoorspelbare opvoedingssituatie. Vanaf februari 2015 was er ambulante begeleiding in het gezin van [F] . Ondanks deze begeleiding bleven er grote zorgen over de kinderen bestaan. [de minderjarige1] had een hoog schoolverzuim en ook [de minderjarige2] miste veel dagdelen op de peuterspeelzaal. De ouders leken moeite te hebben om de kinderen een dagstructuur aan te bieden. Ten aanzien van [de minderjarige2] waren er vermoedens van een ontwikkelingsachterstand. Hij praatte niet en er viel moeilijk contact met hem te krijgen. Daarnaast waren er zorgen over de hygiëne van de kinderen. De kinderen waren niet altijd gewassen, droegen vieze kleding, roken naar urine, liepen op blote voeten en hadden zwarte randen onder de nagels. Ook ten aanzien van de omgang van de ouders met elkaar in bijzijn van de kinderen bestonden zorgen. [in] 2015 zijn de ouders getrouwd en een week later zijn ze uit elkaar gegaan. In die periode zijn de ouders soms verbaal en fysiek agressief naar elkaar geweest in het bijzijn van de kinderen. Na het uiteengaan van de ouders is de moeder met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij haar huidige partner [G] gaan wonen. [de minderjarige3] bleef bij de vader wonen. De moeder kreeg hulpverlening van [H] en de vader kreeg hulpverlening van [F] . De zorgen bleven echter in beide opvoedsituaties bestaan.

4.3

Uit het verslag van de gedragswetenschapper van [F] d.d. 17 februari 2016 blijkt dat [de minderjarige1] bij aanvang van de uithuisplaatsing gedrag liet zien dat past bij een onveilige hechtingsontwikkeling. Hij oogde angstig en paniekerig en was bang om fouten te maken. Hij vond het moeilijk zijn emoties te uiten en moest wennen aan de omgang met andere kinderen, bijvoorbeeld op school. Verder moest dikwijls worden benadrukt dat hij niet voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] hoefde te zorgen. Ook ten aanzien van [de minderjarige2] waren er signalen van een onveilige hechtingsontwikkeling. Opvallend was dat hij in de eerste periode iedereen om de nek vloog en daarbij geen onderscheid maakte tussen gezinshuisbegeleiders of vreemden. Ook ging [de minderjarige2] erg zijn eigen gang en was veel in zijn eigen wereldje. Inmiddels is bij beide kinderen een positieve ontwikkeling zichtbaar. De gedragsdeskundige constateert dat [de minderjarige1] vanuit een rustige benadering en vanuit vertrouwen en stabiliteit tot ontwikkeling komt. Ook [de minderjarige2] heeft baat bij de geboden structuur, regelmaat, duidelijkheid en rust.

4.4

Hoewel niet vast is komen te staan dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] seksueel zijn misbruikt door de nieuwe partner van de moeder, worden in de verslaglegging van het gezinshuis zeer zorgelijke signalen met betrekking tot de seksuele ontwikkeling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beschreven. Wat de oorzaak hiervan ook is, het hof is van oordeel dat dit maakt dat een nog groter belang moet worden gehecht aan behoud van de stabiliteit die [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in het gezinshuis krijgen geboden en voortzetting van de positieve ontwikkeling die zij de afgelopen periode hebben doorgemaakt. Het hof is er op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende van overtuigd geraakt dat de moeder, met haar beperkingen, in staat is [de minderjarige1] en [de minderjarige2] het veilige, stabiele en stimulerende opvoedingsklimaat te bieden dat zij nodig hebben. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de moeder eerder ook met hulp vanuit [H] zelfs basale doelen als schoolgang en hygiëne niet behaalde en dat de moeder ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat zij de geconstateerde zorgen in het geheel niet herkent. Gebleken is bovendien dat de moeder nog altijd voortdurend beschuldigingen uit jegens de vader, hetgeen een goede communicatie over de kinderen belemmert en voor de kinderen een gebrek aan basisveiligheid met zich brengt, dat hen kan belemmeren in hun verdere ontwikkeling.

4.5

Het hof is op grond van al het vorenstaande, in onderlinge samenhang beschouwd, van oordeel dat bij het uitblijven van de verzochte verlenging de continuïteit van en de veiligheid in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onvoldoende is gewaarborgd en is van oordeel dat aan de gronden voor een uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is voldaan.
De slotsom

4.6

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 28 oktober 2015.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. A.W. Beversluis en mr. D.J. Buijs en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 24 maart 2016.