Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2519

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
200.179.242/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming tot erkenning. Hof gaat voorbij aan de bezwaren van de moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2016/4934
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.179.242/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/346934/ FL RK 13-1441)

beschikking van de familiekamer van 24 maart 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. R. de Vries, kantoorhoudend te IJsselstein,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.T.N. Whiterod, kantoorhoudend te Utrecht.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

mr. [C] in haar hoedanigheid van bijzondere curator,

kantoorhoudende te [B] ,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 29 juli 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 28 oktober 2015;

- het verweerschrift met productie, ingekomen op 9 december 2015;

- een journaalbericht van mr. Whiterod van 21 januari 2016;

- een journaalbericht van mr. De Vries van 29 januari 2016.

2.2

Bij voornoemd journaalbericht van 21 januari 2016 is namens de moeder het hof verzocht om een tweede afzonderlijke zitting te plannen waarbij de vader niet aanwezig is. Het verzoek van de moeder is, gehoord ook de vader, afgewezen.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op dinsdag 16 februari 2016 plaatsgevonden. Verschenen zijn de vader, bijgestaan door zijn advocaat en namens de moeder mr. Broeders, een kantoorgenoot van mr. Whiterod. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is in het kader van zijn adviserende taak mevrouw [D] verschenen.

Mr. Broeders heeft ter zitting pleitaantekeningen overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken affectieve relatie is [in] 2009 geboren [de minderjarige] geboren. [de minderjarige] verblijft bij de moeder, die alleen het gezag heeft over haar. De moeder heeft uit een andere relatie twee (oudere) minderjarige kinderen die bij hun vader wonen.

3.2

De vader heeft op 20 juni 2013, en voor zover hier van belang, een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank tot onder meer het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning van [de minderjarige] . De moeder heeft verweer gevoerd. Mr. [C] voornoemd is door de rechtbank aangesteld als bijzondere curator en heeft in de procedure bij de rechtbank de belangen van [de minderjarige] vertegenwoordigd.

3.3

De raad heeft op verzoek van de rechtbank een onderzoek verricht naar onder meer de vraag of de belangen van [de minderjarige] dan wel de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] geschaad zullen worden indien het verzoek van de vader wordt toegewezen. Door de raad is rapport en advies uitgebracht op 10 november 2014.

3.4

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank conform het advies van de raad en de bijzondere curator het verzoek van de vader tot het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning van [de minderjarige] afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Volgens het bepaalde in artikel 1:204 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) zoals dat gold ten tijde van het indienen van het verzoekschrift, waardoor het in deze zaak van toepassing is, kan op verzoek van de man die het kind wil erkennen de ontbrekende toestemming van de moeder door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, en de man de verwekker is van het kind.

4.2

Niet in geschil is dat de vader de verwekker is van [de minderjarige] .

4.3

Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] of de belangen van [de minderjarige] niet zou schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de moeder, de vader en het kind. Hierbij geldt als uitgangspunt dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie in rechte wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. De moeder heeft er belang bij dat zij een ongestoorde relatie met het kind kan hebben. Van schade aan de belangen van het kind is slechts sprake, indien ten gevolge van de erkenning de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Erkenning zou er toe moeten leiden dat de moeder daardoor in een zodanige onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind een stabiel opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft. Bij de afweging van de belangen dient daarbij mede in aanmerking te worden genomen dat het noodzakelijkerwijs gaat om een verwachting omtrent toekomstige feiten, alsmede dat de na verkregen toestemming gedane erkenning onomkeerbaar is. Een ieder dient daarbij zijn of haar belang te stellen.

4.4

Nu door de vader wordt betwist dat door erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] of de belangen van [de minderjarige] worden geschaad, is het aan de moeder om haar stelling dat het verzoek van de vader niet toegewezen dient te worden, aannemelijk te maken. Ingevolge vaste jurisprudentie is daarvoor niet voldoende het feit dat de moeder vreest dat de vader vervolgens gezamenlijk gezag of omgang met het kind wil, er stress optreedt voor de moeder, dat er sprake is van ernstige weerstand of psychische problemen bij de moeder dan wel dat er sprake is van een moeizame of ernstig verstoorde verhouding tussen de moeder en de vader, of slechte of geen communicatie en loyaliteitsconflicten. Ook beschuldigingen aan het adres van de vader zoals misbruik of geweld, staan niet zonder meer in de weg aan toewijzing van het verzoek.

4.5

Naar het oordeel van het hof heeft de moeder onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat zich zodanige gronden voordoen dat die een toewijzing van het verzoek van de vader in de weg staan.

4.6

De moeder heeft een groot aantal feiten en omstandigheden naar voren gebracht die betrekking hebben op de voormalige partnerrelatie, welke relatie door de moeder als (zeer) problematisch is ervaren. Zij houdt de vader ervoor verantwoordelijk, zo begrijpt het hof, dat haar twee oudste kinderen inmiddels hun hoofdverblijf bij hun vader hebben en zij het contact met haar oudste kinderen (nagenoeg) heeft verloren. Zij houdt de vader ook verantwoordelijk voor de oorzaak van de problemen die haar oudste zoon thans ondervindt. De moeder beschuldigt de vader van huiselijk geweld jegens haar en haar twee oudste kinderen en is van mening dat hij een zeer ontwrichtende invloed op het gezin van de moeder heeft gehad. Als gevolg van het handelen van de vader, alsook door andere gebeurtenissen in haar leven stelt zij een zeer beperkte belastbaarheid en draagkracht te hebben. In dat kader geeft zij aan te kampen met een posttraumatische stressstoornis. De vader erkent dat sprake is geweest van escalaties ten tijde van de relatie maar betwist de lezing daarover van de moeder. Hij geeft daarbij ook aan dat het inmiddels jarenlang rustig is tussen partijen. Voor het hof is niet vast te stellen wiens lezing de juiste is. Wel staat vast dat sprake is van problematiek tussen gewezen partners waarbij wederzijds een aangifte van mishandeling is gedaan, beiden wederzijds belastende verklaringen van derden overleggen en professionele hulpverlening betrokken is geweest bij de moeder, haar toenmalige gezin en ook de vader. Wat daar ook verder van zij, uit de gebeurtenissen die zich volgens de moeder in het verleden ten tijde van de partnerrelatie en in de periode kort daarna hebben voorgedaan, volgt niet zonder meer de conclusie dat thans door erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] of de belangen van [de minderjarige] worden geschaad. Vast is immers komen te staan dat [de minderjarige] zich reeds langere tijd uitstekend ontwikkelt en er op dit moment geen zorgen zijn die haar ontwikkeling betreffen. Ook de raad, alsmede de bijzondere curator hebben geconcludeerd dat [de minderjarige] zich op dit moment goed ontwikkelt.

4.7

De raad is van mening dat de moeder een zeer beperkte draagkracht heeft en de beleving van de moeder over de vader zodanig sterk aanwezig is dat dit van negatieve invloed is op haar functioneren en psychische gesteldheid. Zij constateren dat het belang van [de minderjarige] dat haar relatie tot de vader wordt erkend als een familierechtelijke betrekking, moet wijken voor het belang dat de moeder niet gedestabiliseerd wordt door de aanwezigheid van vader als vader van [de minderjarige] en mogelijk daaropvolgende procedures omtrent omgang en gezag. De bijzondere curator heeft zich bij dit advies aangesloten.

4.8

Het hof volgt het advies van de raad en de bijzondere curator in deze niet en komt tot een andere belangenafweging. Het hof stelt allereerst vast dat met betrekking tot de persoon van de vader, diens leefwijze of diens omstandigheden geen zodanige feiten zijn komen vast te staan dat die in weg staan aan erkenning. Hetzelfde geldt voor [de minderjarige] . De feiten of omstandigheden die zich zouden kunnen voordoen, betreffen de persoon van de moeder en dan meer specifiek haar onevenwichtige psychische toestand en de invloed daarvan op het opvoedingsklimaat van [de minderjarige] . Het hof stelt vast dat bij de moeder sprake is van een belast verleden, veel verdriet over met name ook het verlies van haar oudste kinderen en de moeder kampt met een forse aversie tegen de vader. Het hof is er evenwel niet van overtuigd geraakt dat de feiten en de omstandigheden die de moeder betreffen in overwegende dan wel belangrijke mate gekoppeld zijn, en in negatieve zin verder beïnvloed worden door erkenning en wel zodanig dat daardoor de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] of de belangen van [de minderjarige] zouden worden geschaad. Voor zover sprake is van een onevenwichtige psychische toestand van de moeder, is het hof er veeleer van overtuigd dat deze toestand in overwegende mate gerelateerd is aan haar eigen zijn en los staat van een mogelijke invloed door de erkenning.

4.9

De moeder maakt de vader zeer grote verwijten, maar lijkt voorbij te gaan aan haar eigen problematiek, rol en verantwoordelijkheid in het geheel. De voorstellen tot mediation zijn door de vrouw afgeslagen en ook anderszins investeert zij reeds lange tijd niet in een verbetering van haar situatie. Zij weert de vader uit haar leven en zet daarmee de belangen van [de minderjarige] niet op de eerste plaats. Uit het raadsrapport komt het beeld naar voren dat de moeder, zoals ook de vader stelt, hem geen rol in het leven van [de minderjarige] wil toedichten omdat haar nieuwe partner reeds de vaderrol voor [de minderjarige] vervult en hij ook bereid is om [de minderjarige] te erkennen. Daarnaast geeft zij bij de raad aan tegen een erkenning door de vader te zijn, omdat zij de vrijheid wenst te houden om naar Zwitserland, de huidige woonplaats van haar oudste kinderen, te verhuizen. Dat is volgens de moeder bij een erkenning niet meer mogelijk. Het hof is evenwel van oordeel dat deze houding van de moeder niet kan en mag leiden tot afwijzing van het verzoek van de vader. Uitgangspunt is, zoals ook hiervoor overwogen, dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend. In slechts zeer uitzonderlijk gevallen wordt van dit uitgangspunt afgeweken. Een kind heeft er immers recht en belang bij om haar vader ook in juridische zin te kennen.

4.10

Vanwege de langdurige psychische problematiek van de moeder, heeft de raad in haar rapport van 10 november 2014 geconcludeerd dat deskundige hulpverlening voor moeder van een professional noodzakelijk is. De raad heeft daarbij aangegeven dat van de moeder verwacht mag worden dat zij aan de slag gaat met een behandelplan dat gericht is op haar psychische problematiek. Ter zitting is gebleken dat de moeder het dringende advies van de raad om haar moverende redenen niet heeft opgepakt en geen hulpverlening ontvangt. Het hof is evenwel van oordeel dat van de moeder tenminste mag worden verlangd, dat zij zich al dan niet met professionele hulp inspant om tot een verbetering van de ex-partnerrelatie te komen. Niet is gebleken dat zij daar niet toe in staat is dan wel dit niet van de moeder zou kunnen worden verwacht. Voorts heeft de moeder haar stelling dat vanwege haar psychisch welzijn en de invloed daarvan op [de minderjarige] er geen erkenning moet plaatsvinden onvoldoende onderbouwd met medische stukken. Weliswaar heeft zij verklaringen van een arts overgelegd, respectievelijk gedateerd 30 september 2013, alsmede 12 juni 2014, echter nu de vader deze verklaringen heeft betwist en deze verklaringen niet zijn ondertekend, gaat het hof aan deze verklaringen voorbij, te meer nu ter zitting onduidelijk is gebleven of het hier zou gaan om een behandelend arts, dan wel een onafhankelijk arts. Ten overvloede merkt het hof op dat ook de inhoud van deze verklaringen het hof er niet van overtuigen dat door erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] of de belangen van [de minderjarige] worden geschaad terwijl het hier voorts niet gaat om actuele gegevens. Het enkele relaas van de moeder dat zij het niet aankan is onvoldoende om het verzoek van de vader af te wijzen.

4.11

De overige door de moeder geuite bezwaren richten zich tegen het feit dat door de erkenning de juridische mogelijkheid zich voordoet dat de vader in de toekomst (mede) met het gezag over [de minderjarige] wil worden belast en aanspraak wil maken op omgang tussen hem en [de minderjarige] . Echter de erkenning als zodanig leidt op zichzelf niet tot (gezamenlijk) gezag dan wel contacten tussen de vader en [de minderjarige] . Aan deze bezwaren van de moeder gaat het hof derhalve voorbij. Ten overvloede merkt het hof op dat voor een omgangsregeling een erkenning niet zonder meer is vereist, en de vrees van de moeder in dat opzicht derhalve ook niet juist is.

4.12

Nu het, mede gelet op hetgeen de raad en de bijzondere curator hieromtrent naar voren hebben gebracht, voor het overige ook allerminst is komen vast te staan dat [de minderjarige] door de erkenning door de vader in haar ontwikkeling wordt bedreigd of kan worden bedreigd zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de vader toewijzen.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen en zal het hof opnieuw rechtdoende het verzoek van de vader toewijzen.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 29

juli 2015;

verleent de vader vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] , geboren [in] 2009, in de gemeente [B] ;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. I.A. Vermeulen en mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2016 in bijzijn van de griffier.