Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2518

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
200.176.565/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag en omgang. Moeder alleen met gezag belast. De vereiste minimale communicatie tussen de ouders ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.176.565/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/169959/FA RK 15-765)

beschikking van de familiekamer van 24 maart 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.C.F. Kooijmans, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.E. Grosscurt, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 11 juni 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 9 september 2015, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof die beschikking te vernietigen voor zover deze het gezag, de omgang en de kinderalimentatie betreft en in zoverre opnieuw beslissende de door de vrouw in het inleidend verzoekschrift onder 1 en 3 geformuleerde verzoeken (ouderlijk gezag en kinderalimentatie) af te wijzen en het onder 2 geformuleerde verzoek (omgangsregeling) af te wijzen, voor zover de omgangsregeling minder is dan een weekend in de veertien dagen en de helft van de schoolvakanties, althans minder dan een in goede justitie te bepalen omgangsregeling en een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige vast te stellen van een weekend in de veertien dagen en de helft van de schoolvakanties, althans een in goede justitie te bepalen omgangsregeling.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 2 oktober 2015, heeft de vrouw de verzoeken in hoger beroep van de man bestreden en verzocht deze niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen.

2.3

Daarbij heeft de vrouw tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig onder verbetering van de gronden, en daarbij te bepalen dat de omgangsregeling zal plaatsvinden in het omgangshuis te [B] , begeleid door [C] en dat [C] na een jaar dient te rapporteren over het perspectief van de omgang, te weten of omgang onbegeleid kan plaatsvinden, wat de frequentie hiervan moet zijn en wat het overige kader is waarin de omgang kan plaatsvinden, waarbij het CJG toezicht houdt op de afspraken tussen partijen.

2.4

Daarop heeft de man in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 13 november 2015, waarin de man het hof verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het incidenteel appel, althans haar (gewijzigde) verzoek (voor zover dat afwijkt van het verzoek van de man) af te wijzen, kosten rechtens.

2.5

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- een brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) van 17 september 2015; - een brief van de raad van 24 november 2015;

- een journaalbericht met bijlagen van 21 december 2015 van mr. Kooijmans;

- een brief van de raad gedateerd 24 november 2015, binnengekomen op 19 februari 2016.

2.6

De mondelinge behandeling heeft op 29 februari 2016 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Kooijmans en mr. Grosscurt hebben ieder het woord gevoerd mede aan de hand van de door hen overgelegde pleitnotities.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit die relatie is [in] 2011 geboren [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ). De man heeft [de minderjarige] erkend. [de minderjarige] verblijft bij de vrouw.

3.2

De vrouw heeft op 1 april 2015 een inleidend verzoekschrift bij de rechtbank ingediend waarbij zij heeft verzocht het gezag te wijzigen naar eenhoofdig gezag, een zorgregeling c.q. omgangsregeling vast te stellen alsmede een kinderbijdrage van € 50,- per maand vast te stellen. De man heeft op 11 mei 2015 een verweerschrift ingediend, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek.

3.3

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank bepaald dat het gezag over [de minderjarige] voortaan alleen aan de vrouw toekomt. Tevens heeft de rechtbank een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] vastgesteld van eenmaal per drie maanden (ofwel vier keer per jaar), telkens voor de duur van twee uur, alsmede op de verjaardag van de man (31 oktober) en op de verjaardag van de minderjarige ( [----] ). Voorts is bepaald dat de man met ingang van 1 april 2015 een bedrag van € 50,- per maand aan de vrouw voldoet als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

Ten aanzien van het gezag

4.1

Ingevolge artikel 1:253n BW kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.2

Het hof stelt voorop dat een minimale communicatie tussen de ouders noodzakelijk is om op een goede manier invulling te kunnen geven aan gezamenlijk ouderschap. In ieder geval moeten de ouders beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg (kunnen) nemen, althans ten minste moeten de ouders in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond het kind (kunnen) voordoen, zonder het kind daarmee te belasten. Het hof acht de ouders hiertoe niet in staat.

4.3

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de ouders al langere tijd niet in staat zijn tot de vereiste minimale communicatie als hiervoor bedoeld. De relatie tussen partijen is ernstig verstoord en zij hebben daardoor geen, althans nauwelijks, overleg met elkaar over [de minderjarige] . De ouders hebben (mede) in verband hiermee jarenlang ondersteuning gehad van een gezinsvoogdijinstelling. Vanwege de slechte onderlinge verstandhouding hebben zij diverse gesprekken met hulpverleners gevoerd en mediation ingezet. Ook is een zorgregisseur bij de ouders betrokken. De ingeschakelde hulp en begeleiding hebben evenwel niet tot verbetering van de onderlinge communicatie geleid.

4.4

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de communicatieproblemen tussen de ouders in het onderhavige geval zodanig ernstig zijn dat er een reëel en onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders wanneer deze gezamenlijk het gezag over haar blijven uitoefenen en met elkaar in overleg zullen moeten treden over zaken die de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] betreffen. Gelet op de vergeefse pogingen tot herstel van de communicatie tussen de ouders verwacht het hof niet dat daarin binnen afzienbare tijd verandering zal komen. Het hof acht het daarom, evenals de rechtbank, in het belang van [de minderjarige] dat alleen de moeder met het gezag over haar wordt belast.

Ten aanzien van de omgangsregeling

4.5

Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de man de omgangsregeling die bij de bestreden beschikking is opgelegd is nagekomen en dat [de minderjarige] het naar haar zin heeft tijdens de omgangsmomenten met de man. [de minderjarige] is na de omgangsmomenten, behalve het hier na te melden moment, vrolijk bij de vrouw teruggekomen. Weliswaar heeft de vrouw aangevoerd dat [de minderjarige] na het omgangsmoment op 9 december 2015 overstuur was omdat de man [de minderjarige] had verteld dat zij bij hem zal komen wonen, maar de man heeft daarop aangegeven dat hij absoluut niets in die trant tegen [de minderjarige] heeft gezegd en dat dit ook geenszins aan de orde is.

4.6

Aangezien de man de omgangsmomenten is nagekomen en deze doorgaans goed zijn verlopen, acht het hof het in het belang van [de minderjarige] deze uit te breiden en op te bouwen naar een zaterdag per maand van 10.00 uur tot 17.00 uur. Mede gelet op haar leeftijd is regelmatig contact tussen [de minderjarige] en de man belangrijk. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat tevens omgang dient plaats te vinden op de verjaardag van [de minderjarige] en op de verjaardag van de man. Naar het oordeel van het hof zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen die zich verzetten tegen uitbreiding van de omgangsregeling zoals door het hof zal worden bepaald. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de man zich niet, althans onvoldoende, kan inleven in de behoeftes van [de minderjarige] , heeft de vrouw haar stelling, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende onderbouwd. Dat de man onvoldoende betrokken op [de minderjarige] zou zijn, is in het licht van de betwisting door de man evenmin komen vast te staan. Deze verwijten plaatst het hof in het perspectief van de moeizame verhouding tussen de gewezen partners, waarin ieder zijn eigen beleving heeft. Anders dan de vrouw heeft gesteld, acht het hof hulpverlening voor de man geen noodzakelijke voorwaarde voor de onderhavige uitbreiding van de omgangsregeling. Een (opbouw naar een) reguliere omgangsregeling van een weekend per twee weken alsmede de helft van de schoolvakanties, zoals de man heeft verzocht, acht het hof gelet op het verloop van de omgangsmomenten in het verleden en de verstoorde onderlinge communicatie tussen de ouders thans niet in het belang van [de minderjarige] .

4.7

Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat de omgang als volgt wordt opgebouwd. In de periode vanaf heden tot 1 juli 2016 zal eenmaal per maand, telkens voor de duur van twee uren omgang tussen de man en [de minderjarige] plaatsvinden. Over de periode van 1 juli 2016 tot 1 oktober 2016 zal eenmaal per maand, telkens voor de duur van vier uren, omgang tussen de man en [de minderjarige] plaatsvinden. Vanaf 1 oktober 2016 zal de man een zaterdag per maand van 10.00 uur tot 17.00 uur omgang met [de minderjarige] hebben. De door de rechtbank bepaalde omgangsregeling voor de verjaardagen blijft in stand.

4.8

Anders dan de vrouw heeft gesteld, ziet het hof op grond van de stukken en de behandeling ter zitting geen aanleiding voor begeleide omgang. De stelling van de vrouw dat onbegeleide omgang tussen de man en [de minderjarige] niet veilig is, volgt het hof niet. Dat [de minderjarige] haar vinger heeft gebroken tijdens een omgangsmoment met de man en hij vervolgens geen contact met de vrouw heeft opgenomen, zoals zij heeft gesteld, maakt het oordeel van het hof niet anders, gelet op de nuanceringen die de man daarop heeft aangebracht. De vrouw heeft nog aangevoerd dat de zorgregisseur van het CJG begeleide omgang heeft geadviseerd. Nog daargelaten dat het hof dit niet uit de overgelegde stukken kan opmaken, nu de zorgregisseur enkel in haar e-mailbericht van 9 september 2015 heeft aangegeven dat begeleide omgang via een gedwongen kader dient te worden geregeld, brengt de enkele omstandigheid dat er sprake is van een slechte communicatie tussen de ouders nog niet mee dat er een noodzaak bestaat voor begeleide omgang. Het hof ziet evenmin aanleiding te bepalen dat het CJG toezicht houdt op de afspraken tussen de ouders.

4.9

Het hof wijst de man erop dat [de minderjarige] erop moet kunnen vertrouwen dat hij de omgangsmomenten nakomt. Indien de man zich niet aan de afspraken ten aanzien van de omgang houdt, bestaat het risico dat de frequentie van de omgangsmomenten zal moeten worden teruggebracht.

4.10

Ten aanzien van de vrouw wenst het hof op te merken dat het hof van haar verwacht dat zij de man behoorlijk van informatie over [de minderjarige] voorziet.

Ten aanzien van de kinderalimentatie

4.11

Ter zitting zijn partijen tot overeenstemming gekomen ten aanzien van de kinderalimentatie. In verband hiermee heeft de man zijn verzoek in hoger beroep ingetrokken voor zover dit de kinderalimentatie betreft. Gelet hierop behoeven de grieven ten aanzien van de kinderalimentatie geen bespreking meer.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking (mede om doelmatigheidsredenen) vernietigen voor zover deze de omgangsregeling betreft en beslissen als hierna vermeld. Voor het overige zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel van 11 juni 2015 voor zover deze de omgangsregeling betreft;

en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt tussen de man en [de minderjarige] , geboren [in] 2011, een omgangsregeling vast, inhoudende dat zij bij de man zal verblijven:

- met ingang van heden tot 1 juli 2016 eenmaal per maand, telkens voor de duur van twee uren;

- met ingang van 1 juli 2016 tot 1 oktober 2016 eenmaal per maand, telkens voor de duur van vier uren;

- vanaf 1 oktober 2016 een zaterdag per maand van 10.00 uur tot 17.00 uur;

- twee uren op de verjaardag van de man (31 oktober);

- twee uren op de verjaardag van [de minderjarige] ( [----] );

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel van 11 juni 2015 voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 24 maart 2016 in bijzijn van de griffier.