Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2479

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
200.180.585
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Bij brief van 21 mei 2015 heeft de advocaat van appellant verzocht uitvoering te geven aan de verkoop en overdracht van haar aandeel in de percelen, hetgeen geintimeerde 1 heeft geweigerd. Cambridge heeft vervolgens geintimeerde 1 en geintimeerde 2 in kort geding gedagvaard teneinde (samengevat) te bewerkstelligen dat geintimeerde 1 en 2 ertoe worden veroordeeld mee te werken aan de levering van het aandeel van geintimeerde 1 in de percelen, dan wel dat zij worden veroordeeld tot voortzetting van de onderhandelingen daarover. De vorderingen van Cambridge zijn door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag afgewezen bij vonnis van 6 augustus 2015, omdat - kort gezegd - niet aannemelijk is dat tussen Cambridge en geintimeerde 1 een overeenkomst bestaat, dan wel dat tussen die partijen is onderhandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.180.585/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/399958 / KL ZA 15-288)

arrest in incident tot zekerheidstelling van 29 maart 2016 in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ( Suriname ),

appellant in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel,

tevens verweerder in het incident,

in eerste aanleg: eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. A.J.F. Gonesh, kantoorhoudend te 's-Gravenhage,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal appel, eiseres in het incidenteel appel,

eiseres in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident,

hierna te noemen: [geïntimeerde 1],

advocaat: mr. S. van der Eijk, kantoorhoudend te 's-Gravenhage,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde 2],

niet verschenen.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis van 21 oktober 2015 (gewezen in de hoofdzaak en in het incident zekerheidstelling voor de proceskosten ex art. 224 Rv) van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling civielrecht, locatie Lelystad (hierna: de voorzieningenrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 11 november 2015;

- de verstekverlening tegen [geïntimeerde 2] ;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, tevens houdende incidentele vordering tot zekerheidstelling voor de proceskosten ex art. 224 Rv;

- de memorie van antwoord in het incident ex art. 224 Rv, tevens memorie van antwoord in incidenteel appel.

2.2

De conclusie van de appeldagvaarding strekt in de hoofdzaak (samengevat) tot vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter van 21 oktober 2015, voor zover gewezen in de hoofdzaak, en tot het alsnog toewijzen van de vorderingen van [appellant] , met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de kosten van beide procedures, uitvoerbaar bij voorraad.

2.3

[geïntimeerde 1] heeft (samengevat) geconcludeerd tot verwerping van het principaal appel, tot veroordeling van [appellant] tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten van € 4.018,- in het incident, en - in het incidenteel appel - tot het alsnog toewijzen van de vordering van [geïntimeerde 1] om [appellant] te veroordelen tot betaling van reis- en expertisekosten.

2.4

[appellant] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering en tot verwerping van het incidenteel appel.

2.5

Partijen hebben de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd.

3 De feiten, het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Het gaat in deze zaak - voor zover relevant voor de beoordeling in het incident - in het kort over het volgende.

3.2

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn gewezen echtgenoten. [geïntimeerde 1] heeft een aantal percelen met opstallen in Suriname geërfd, samen met haar broer [broer geintimeerde 1] , haar zus [zus geintimeerde 1] en de man van haar overleden broer, de heer [X] .

3.3

[appellant] heeft kenbaar gemaakt dat hij de percelen wil kopen. Met de broer en zus van [geïntimeerde 1] en met de heer [X] heeft [appellant] overeenstemming bereikt over de overdracht van hun aandeel in de nalatenschap. Tussen (de notaris van) [appellant] en [geïntimeerde 1] heeft e-mail correspondentie plaatsgevonden over de voorwaarden waaronder [geïntimeerde 1] tot overdracht van haar aandeel wenst over te gaan.

3.4

De broer en zus van [geïntimeerde 1] hebben hun aandeel in de percelen bij akte van 15 mei 2015 overgedragen aan de door [appellant] bestuurde Cambridge Opportunities N.V. (hierna: Cambridge). De heer [X] heeft hetzelfde gedaan bij akte van 11 juni 2015.

3.5

Bij brief van 21 mei 2015 heeft de advocaat van [appellant] verzocht uitvoering te geven aan de verkoop en overdracht van haar aandeel in de percelen, hetgeen [geïntimeerde 1] heeft geweigerd. Cambridge heeft vervolgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in kort geding gedagvaard teneinde (samengevat) te bewerkstelligen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ertoe worden veroordeeld mee te werken aan de levering van het aandeel van [geïntimeerde 1] in de percelen, dan wel dat zij worden veroordeeld tot voortzetting van de onderhandelingen daarover. De vorderingen van Cambridge zijn door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag afgewezen bij vonnis van 6 augustus 2015, omdat - kort gezegd - niet aannemelijk is dat tussen Cambridge en [geïntimeerde 1] een overeenkomst bestaat, dan wel dat tussen die partijen is onderhandeld.

3.6

Vervolgens heeft [appellant] in eerste aanleg in kort geding in de hoofdzaak de in 3.5 bedoelde vorderingen ingesteld tegen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , kosten rechtens.

3.7

In het vonnis van de voorzieningenrechter van 21 oktober 2015, waarvan beroep, is de incidentele vordering van [geïntimeerde 1] tot zekerheidstelling voor de proceskosten afgewezen en is [geïntimeerde 1] verwezen in de kosten van [appellant] (nihil). In de hoofdzaak zijn de vorderingen afgewezen en is [appellant] verwezen in de proceskosten van [geïntimeerde 1] , waarbij de voorzieningenrechter heeft overwogen geen aanleiding te zien voor toewijzing van de door [geïntimeerde 1] gevorderde reis-, verlet- en expertisekosten. De kostenveroordeling in de hoofdzaak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 De beoordeling

4.1

Art. 224 lid 1 Rv bepaalt - voor zover hier relevant - dat degene die zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland een vordering instelt in een geding alhier, verplicht is om op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan hij veroordeeld zou kunnen worden. Op grond van art. 353 lid 2 Rv geldt deze verplichting ook voor de oorspronkelijk eiser, die in appel komt.

4.2

Het staat vast dat [appellant] geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Tevens is [appellant] de partij die bij een Nederlandse rechter een vordering heeft ingesteld. Art. 224 lid 1 Rv is derhalve op [appellant] van toepassing.

4.3

Terecht heeft [appellant] echter gewezen op de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de wederzijdse erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke zaken (Trb. 1976, 144). Op grond van dit verdrag kan een veroordeling van [appellant] tot betaling van proceskosten en schadevergoeding ten uitvoer worden gelegd ter plaatse waar hij zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Aldus doet zich hier de uitzondering op de verplichting tot zekerheidstelling voor zoals bedoeld in art. 224 lid 2, aanhef en onder b, Rv.

4.4

Hieraan doet niet af, zoals [geïntimeerde 1] stelt, dat het voor haar in de praktijk nagenoeg ondoenlijk zal zijn om een dergelijke vordering op [appellant] in Suriname te innen. [geïntimeerde 1] stelt dat een uitspraak van een Nederlandse rechter in Suriname niet gerespecteerd wordt en dat [appellant] , ondanks de toezegging van zijn advocaat ten tijde van de zitting bij de voorzieningenrechter, niet bereid is de proceskostenveroordeling in eerste aanleg te voldoen. [geïntimeerde 1] heeft echter niet concreet onderbouwd welke (vergeefse) pogingen zij heeft ondernomen om het beroepen vonnis te executeren, noch heeft zij anderszins aannemelijk gemaakt dat de tenuitvoerlegging op voorhand kansloos zal zijn. Het hof vermag niet in te zien waarom - zoals zij stelt, maar niet onderbouwt - haar gezondheidssituatie het [geïntimeerde 1] zou beletten om een deurwaarder in Suriname in te schakelen teneinde de proceskostenveroordeling bij [appellant] te innen. Anders dan [geïntimeerde 1] ingang wil doen vinden, is het daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat [appellant] zich jegens haar beroept op het in 4.3 vermelde verdrag ter afwering van haar incidentele vordering. Wel is het hof van oordeel dat van [appellant] verwacht mag worden dat hij de toezeggingen die zijn gedaan ten overstaan van de voorzieningenrechter gestand doet.

4.5

Op grond van vorenstaande overwegingen zal de incidentele vordering worden afgewezen.

4.6

De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden gereserveerd tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

in het incident ex art. 224 Rv

wijst de vordering af;

bepaalt dat omtrent de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 26 april 2016 voor uitlating partijen (akte/pleidooi/arrest).

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.E.L. Fikkers en mr. L. Groefsema, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 29 maart 2016.