Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2471

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
15/00415
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:9521, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges. Legalisaties van appartementen. Aanvraag ingediend voor omgevingsvergunning? Bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/794
Belastingblad 2016/224 met annotatie van L.J. Boone
V-N 2016/31.22.12
FutD 2016-0941
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/00415

uitspraakdatum: 30 maart 2016

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum (hierna: de heffingsambtenaar)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 maart 2015, nummer UTR 13/3769, in het geding tussen heffingsambtenaar en

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is een bedrag van € 510 aan leges in rekening gebracht.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar het bedrag aan leges gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 13 maart 2015 gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd en het in rekening gebrachte bedrag aan leges vernietigd.

1.4

De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2016 te Arnhem. Daarbij is verschenen en gehoord [A] , als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [B] , alsmede mr. [C] namens de heffingsambtenaar.

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan de [a-straat] 355 te [D] (hierna: de onroerende zaak). Belanghebbende heeft de onroerende zaak ongeveer 40 jaar geleden gekocht van een dierenarts, die op de benedenverdieping praktijk hield, op de bovenverdieping woonde en de zolderverdieping verhuurde.

2.2

Belanghebbende heeft op de benedenverdieping een tandartspraktijk. Belanghebbende verhuurt op de bovenverdieping en de zolderverdieping van de onroerende zaak in totaal drie aparte wooneenheden.

2.3

In hoger beroep heeft de heffingsambtenaar een afschrift van een ingevuld ‘Aanvraagformulier Legalisatie Omgevingsvergunning appartementen vóór 2003’ overgelegd. Het formulier is op 26 november 2012 ondertekend door belanghebbende en zijn echtgenote. De meeste vragen op het formulier zijn beantwoord met de afkorting: “n.v.t.”.

2.4

Op 28 februari 2013 is de aanslag leges opgelegd. De leges zijn op de voet van onderdeel 2.3.1.1 van de Tarieventabel 2011, als onderdeel behorende bij de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2012 van de gemeente Hilversum (hierna: de Verordening) vastgesteld op 3,4% van de bouwkosten exclusief btw. De bouwkosten zijn geschat op € 5.000 per gerealiseerde wooneenheid, dus in totaal € 15.000. Tegen de aanslag is tijdig bezwaar gemaakt.

2.5

De dagtekening van de uitspraak op bezwaar is 4 juni 2013.

2.6

Vanwege het uitblijven van een betaling heeft de heffingsambtenaar een aanmaning aan belanghebbende gestuurd. De dagtekening van de aanmaning is 14 juni 2013.

2.7

Op 28 juni 2013 is de uitspraak op bezwaar na telefonisch verzoek per e-mail aan de gemachtigde van belanghebbende gezonden.

2.8

Het beroepschrift heeft dagtekening 24 juli 2013 en is op 26 juli 2013 door de griffie van de Rechtbank ontvangen.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is primair of de Rechtbank het beroep terecht ontvankelijk heeft verklaard. Subsidiair is in geschil of belanghebbende een aanvraag heeft gedaan voor een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).

3.2

De heffingsambtenaar stelt zich primair op het standpunt dat de Rechtbank het beroep ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. De uitspraak op bezwaar is op 4 juni 2013 ter post bezorgd en één dag of hooguit twee dagen later bij de gemachtigde van belanghebbende bezorgd. [C] heeft de uitspraak op bezwaar op 4 juni 2013 zelf in de postkamer van zijn kantoor afgegeven. Aldaar afgegeven stukken worden dezelfde dag verzonden. Tijdens een gesprek op 6 december 2013 heeft belanghebbendes gemachtigde bevestigd dat hij in de maanden juni, juli en augustus 2013 in het buitenland zat. Dit verklaart waarom de ontvangst van de uitspraak op bezwaar van 4 juni 2013 onopgemerkt is gebleven, aldus de heffingsambtenaar. In ieder geval was de uitspraak op bezwaar op 28 juni 2013 bekend bij belanghebbende en zijn gemachtigde. Er had dus tijdig binnen de zeswekentermijn beroep kunnen worden ingesteld, desnoods pro forma. De heffingsambtenaar stelt zich subsidiair op het standpunt dat belanghebbende een aanvraag heeft ingediend voor een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo die in behandeling is genomen. De aanslag is dan ook terecht opgelegd.

3.3

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar niet heeft aangetoond dat de uitspraak op bezwaar is verzonden. Een derde, AK-Administratie, registreert de binnenkomende post van het kantoor van de gemachtigde, scant deze en mailt deze zo nodig door vanwege de veelvuldige en langdurige reizen van de gemachtigde in het buitenland. Het is de ervaring van de gemachtigde dat de postbezorging door PostNL de laatste tijd te wensen overlaat. Ook de interne postbezorging binnen de gemeente Hilversum is niet op orde, zo blijkt uit een recente ervaring. Pas na ontvangst van de aanmaning door belanghebbende heeft de gemachtigde contact opgenomen met de heffingsambtenaar om te informeren naar de reden van de hervatte invordering. De heffingsambtenaar heeft op geen enkele wijze aangetoond dat de uitspraak op bezwaar op 4 juni 2013 is verzonden, laat staan aangekomen is. De beroepstermijn is derhalve eerst gaan lopen na ontvangst van een digitale kopie van de uitspraak op bezwaar op 28 juni 2013. Het beroepschrift is binnen de termijn bij de Rechtbank ingediend. Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat hij geen aanvraag heeft gedaan voor een omgevingsvergunning. De vragen die betrekking hebben op de activiteit ‘bouwen’ zijn beantwoord met ‘n.v.t.’. Er kunnen geen leges in rekening worden gebracht voor de legalisering van een verbouwing die lang geleden plaatsvond. De verdeling in aparte wooneenheden is kort na de oorlog op instigatie van de gemeente gebeurd, als gevolg van de woningnood.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel ongegrondverklaring van het beroep.

3.6

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, en tot toekenning van een proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase.

4 Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid beroep

4.1

De heffingsambtenaar heeft hoger beroep ingesteld tegen het oordeel van de Rechtbank dat het beroep van belanghebbende ontvankelijk is.

4.2

Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

4.3

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 4 juni 2013 ongegrond verklaard. Het daartegen gerichte beroepschrift, met dagtekening 24 juli 2013, is op 26 juli 2013 bij de Rechtbank binnengekomen. De gemachtigde van belanghebbende heeft gesteld dat hij de uitspraak op bezwaar pas op 28 juni 2013 per e-mail heeft ontvangen nadat, na ontvangst van de aanmaning, telefonisch contact was opgenomen met de heffingsambtenaar.

4.4

Belanghebbende betwist dat de uitspraak op bezwaar vóór 28 juni 2013 aan hem bekend is gemaakt. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar niet aannemelijk kunnen maken dat de uitspraak op bezwaar vóór 28 juni 2013 rechtsgeldig is bekendgemaakt. De enkele stelling van [C] dat hij de uitspraak op bezwaar op 4 juni 2013 persoonlijk bij de postkamer van zijn kantoor heeft afgegeven, zegt niets over de daadwerkelijke terpostbezorging van dit stuk.

4.5

In een geval als het onderhavige, waarin niet aannemelijk kan worden gemaakt op welke datum de uitspraak op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, vangt de beroepstermijn pas aan op de dag waarop belanghebbende een afschrift van die uitspraak heeft gekregen (HR 17 april 2015, nr. 14/05377, ECLI:NL:HR:2015:960). Belanghebbende heeft gesteld dat dit het geval was op 28 juni 2013.

4.6

Gelet op het voorgaande is de beroepstermijn op 28 juni 2013 aangevangen. Derhalve heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat belanghebbende tijdig beroep heeft ingesteld.

Leges

4.7

De gemeente Hilversum is een project gestart om legalisatie van appartementen die vóór 1 januari 2003 illegaal zijn gebouwd, te faciliteren. De aanslag leges is opgelegd omdat in verband met voornoemd project een aanvraag van belanghebbende voor een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo in behandeling zou zijn genomen. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

4.8

Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende een aanvraag heeft gedaan voor een omgevingsvergunning in de onder 4.7 bedoelde zin. Belanghebbende heeft gesteld dat de werkzaamheden die hij of zijn rechtsvoorganger(s) onder bijzondere titel (onder wie de dierenarts) in de onroerende zaak hebben laten verrichten niet meer behelzen dan de plaatsing van twee keukenblokken, twee douches en wellicht een extra tussendeur. Belanghebbende heeft een formulier ingediend voor de legalisatie van deze, in een ver verleden gerealiseerde werkzaamheden. Het is onbekend of voor deze werkzaamheden toentertijd een aanvraag als bedoeld onder 4.7 ingediend had moeten worden. In de verordening ontbreekt de legalisatie van een omgevingsvergunning als een belastbaar feit. De heffingsambtenaar heeft daarom de aanvraag van de legalisatie van de omgevingsvergunning aangemerkt als de aanvraag van een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo (onderdeel 2.3.1.1 van de Tarieventabel 2011). Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat de door belanghebbende ingediende aanvraag ziet op een bouwactiviteit als bedoeld in voornoemd artikel. Aangezien de heffingsambtenaar desgevraagd heeft bevestigd dat de grondslag voor de aanslag enkel artikel 2 van de Verordening in verbinding met onderdeel 2.3.1.1 van de Tarieventabel 2011 is, is de aanslag ten onrechte opgelegd.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenvergoeding voor hoger beroep. De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2 punten (1 punt voor verweerschrift en 1 punt voor zitting)  wegingsfactor 1  € 496  factor 1 = € 992 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6 Beslissing

Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 992,

– bepaalt dat van de heffingsambtenaar op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 497.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 30 maart 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel)

(A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 maart 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.