Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2462

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
200.165.856/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Voorlopige bepaling. Tussen- of eindbeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.165.856/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/147379/FA RK 14-725)

beschikking van de familiekamer van 15 maart 2016

inzake

[verzoeker] ,
thans wonende in Tsjechië,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.J.J.M. van Roosmalen, kantoorhoudende te Emmen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [A] (Duitsland),

domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat,
verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.R.J.A. Olie-Hallmans, kantoorhoudende te Meppel.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 9 december 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van het geding in hoger beroep blijkt onder meer uit de volgende

ingediende stukken:

- het beroepschrift, ingekomen op 5 maart 2015;
- een journaalbericht met bijlagen van mr. Van Roosmalen van 18 maart 2015;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 21 april 2015;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 9 juni 2015 en;

- een journaalbericht met bijlagen van mr. Olie-Hallmans van 13 augustus 2015.

2.2

De mondelinge behandeling van de zaak heeft op 14 september 2015 plaatsgevonden, waarbij partijen en hun advocaten zijn verschenen. Door mr. Olie-Hallmans zijn pleitaantekeningen overgelegd. De vrouw heeft na toestemming een brief van [B] van 3 juli 2015 overgelegd.
Nagekomen stukken

2.3

Het hof heeft partijen na de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het antwoord van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) op prejudiciële vragen inzake het kindgebonden budget en heeft in verband daarmee de uitspraak enige tijd aangehouden. Het hof heeft kennisgenomen van de schriftelijke reacties van partijen (van de man van 19 november en 18 december 2015, van de vrouw van 24 november en 7 december 2015) en zal thans beschikking geven.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1997 op huwelijkse voorwaarden in de voormalige gemeente Smilde met elkaar gehuwd. Zij hebben beiden de Nederlandse nationaliteit.

3.2

Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, namelijk:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 1998 in de voormalige gemeente Middenveld,
thans gemeente Midden-Drenthe (verder te noemen: [de minderjarige1] ) en;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 1999 in de gemeente Assen (verder te
noemen: [de minderjarige2] ). Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1]
en [de minderjarige2] .

3.3

Bij beschikking van 27 augustus 2013 heeft de rechtbank Noord-Nederland de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 5 september 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand waardoor het huwelijk van partijen is ontbonden.

3.4

In de echtscheidingsbeschikking is opgenomen de inhoud van een tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant, gedagtekend 24 mei 2013, waarvan het daaraan gehecht ouderschapsplan d.d. 23 mei 2013 deel uitmaakt. In deze akten hebben partijen afspraken gemaakt over onder meer de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (co-ouderschapsregeling, hoofdverblijf bij de vrouw), de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderbijdrage voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (€ 500,- per maand in totaal voor beide kinderen), de door de vrouw aan de man verschuldigde partneralimentatie (€ 2.500,- bruto per maand) en de verdeling van de huwelijkse gemeenschap.

3.5

Partijen hebben voorts in het echtscheidingsconvenant de huwelijksgerelateerde behoefte van ieder der partijen vastgesteld op € 1.922,92 netto per maand, uitgaande van een netto gezinsinkomen van € 4.142,- per maand en kosten van de kinderen van € 937,13 per maand, gebaseerd op een bruto jaarinkomen aan de zijde van de vrouw van € 84.542,- en het ontbreken van inkomsten aan de zijde van de man.

3.6

De voormalige echtelijke woning van partijen is gelegen in [A] aan de [a-strasse] 6. Die woning en de daarbij behorende hypothecaire schuld zijn in het echtscheidingsconvenant aan de vrouw toegedeeld.

3.7

De vrouw heeft op 1 april 2014 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, waarin zij verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen van partijen hun hoofdverblijf bij de vrouw houden, de vrouw de zorgtaken voor haar rekening neemt en de kinderen één weekend per veertien dagen bij de man verblijven van vrijdagavond tot zondag eind van de middag, althans een zorgregeling vast stellen die de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren. Zij heeft daarnaast verzocht te bepalen dat de door de vrouw aan de man te betalen partneralimentatie met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift op nihil wordt gesteld, althans op een bedrag van € 307,- per maand, althans op een zodanige bijdrage en ingaande op een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

3.8

De man heeft op 2 juni 2014 een verweerschrift ingediend waarin hij verzoekt, voor zover mogelijk bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, primair de onbevoegdheid van de rechtbank uit te spreken waar het gaat om het verzoek ter zake de zorgregeling, subsidiair de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen en te bepalen dat de kinderen de helft van alle doordeweekse dagen en weekenddagen, als ook de helft van alle feestdagen en alle vakantieperioden, bij de man zullen verblijven. Hij heeft daarnaast verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek betreffende de partneralimentatie, dan wel dit verzoek af te wijzen.

3.9

Partijen hebben daarna nog aanvullende stukken ingediend, waarbij de vrouw tevens een aanvullend verzoek heeft gedaan om haar vervangende toestemming te verlenen met de kinderen te verhuizen naar [C] (Nederland) zodra de voormalige echtelijke woning in Duitsland is verkocht.

3.10

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting op 24 september 2014 en heeft tevens die dag, afzonderlijk, de kinderen gehoord. Partijen hebben ter zitting de bevoegdheid van de rechtbank aanvaard voor wat betreft de ouderlijke verantwoordelijkheid en voor wat betreft de partneralimentatie uitdrukkelijk gekozen voor de toepassing van Nederlands recht.

3.11

Op 28 oktober 2014 zijn door partijen aanvullende aktes ingediend op het punt van de partneralimentatie.

3.12

In de bestreden beschikking van 9 december 2014 heeft de rechtbank woordelijk als volgt beslist:
"wijzigt de beschikking van 27 augustus 2013, waarin het echtscheidingsconvenant,
waarvan het ouderschapsplan deel uitmaakt, als volgt:
stelt de volgende voorlopige zorg- en contactregeling vast:
bepaalt dat de kinderen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] iedere dinsdag, woensdag en
donderdag bij de man verblijven en de overige dagen van de week bij de vrouw,
waarbij partijen de begin- en eindtijden in onderling overleg dienen te regelen. Deze
regeling geldt als basisregeling. Het staat partijen vrij om in onderling overleg van
deze regeling af te wijken;
bepaalt dat de vrouw met ingang van 1 april 2014 aan de man als voorlopige bijdrage
in de kosten van zijn levensonderhoud een bedrag van € 802,- per maand, inclusief fiscaal
voordeel, dient te betalen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing met betrekking tot de verzochte verhuizing, de definitieve zorg- en
contactregeling en de definitieve partneralimentatie aan voor de duur van zes maanden
(te rekenen vanaf de zittingsdatum) en verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 24
maart 2015 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over
het verloop van de voorlopige zorg- en contactregeling. Daarnaast worden partijen in
de gelegenheid gesteld hun actuele financiële gegevens, conform het procesreglement
alimentatie, in het geding te brengen.
Deze beschikking is gegeven door (..) "

3.13

De man is per 1 april 2015 in Tsjechië gaan wonen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Het onderhavige hoger beroep van partijen richt zich tegen de hiervóór vermelde beslissing van de rechtbank inzake de voorlopige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man per 1 april 2014.

4.2

De man is met vier grieven in principaal hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen (voor zover het de beslissing over de voorlopige onderhoudsbijdrage betreft) en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek van de vrouw tot verlaging van die bijdrage wordt afgewezen, dan wel deze bijdrage te bepalen op een hoger bedrag dan is bepaald bij de beschikking van 9 december 2014 en, indien de onderhoudsbijdrage naar beneden wordt aangepast, de ingangsdatum te bepalen op de datum van de te geven beschikking, één en ander voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad.

4.3

De vrouw heeft in haar verweerschrift/incidenteel appelschrift geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking op het punt van de partneralimentatie en verzocht de partneralimentatie op nihil te stellen, subsidiair te bepalen dat de partneralimentatie over 2014 vanaf 1 april 2014 € 587,- bruto per maand wordt en over 2015 € 818,- bruto per maand, althans een bijdrage die het hof juist acht, alsmede de man te veroordelen de teveel betaalde alimentatie aan de vrouw terug te betalen, uitvoerbaar bij voorraad.

4.4

De man heeft in zijn verweerschrift tegen het incidenteel appel van de vrouw geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing ervan.
De geschilpunten

4.5

De geschilpunten tussen partijen in het principaal appel betreffen:
- de draagkracht van de vrouw op de volgende punten:
* het inkomen (bonusuitkeringen);
* kosten van de kinderen (post 134 overige kosten)
* hypotheekaflossing (post 123)
- de ingangsdatum van de wijziging.

4.6

De geschilpunten tussen partijen in het incidenteel appel betreffen:
- de ingangsdatum van de wijziging en (eventuele) terugbetalingsverplichting;
- de draagkracht van de vrouw op het punt van de kosten van de kinderen;
- de behoeftigheid van de man.

4.7

Het hof zal de geschilpunten tussen partijen hierna gezamenlijk bespreken nu de zaak zich daarvoor leent.

5. De motivering van de beslissing


De rechtsmacht en het toepasselijk recht

5.1

Gelet op het internationale karakter van de zaak is allereerst aan de orde of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om van het verzoek kennis te nemen en welke rechtstelsel op de beoordeling van het verzoek van toepassing is. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking gemotiveerd uiteengezet waarom zij bevoegd is kennis te nemen van de verzoeken en waarom Nederlands recht van toepassing is. Na ambtshalve toetsing verenigt het hof zich daarmee. Nu op dit punt geen grief is opgeworpen zal het hof dit verder onbesproken laten.
De ontvankelijkheid

5.2

Artikel 358 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat van tussenbeschikkingen afzonderlijk hoger beroep niet is toegelaten, behoudens het geval dat de rechtbank daarvoor verlof heeft verleend hetgeen zich hier niet voordoet. Gelet daarop dient te worden vastgesteld of de hier bestreden voorlopige partneralimentatie al dan niet als tussenbeschikking moet worden aangemerkt dan wel als eindbeschikking.

5.3

Voor het onderscheid tussen een (al dan niet gedeeltelijke) eindbeschikking en een tussenbeschikking is volgens vaste rechtspraak doorslaggevend of door middel van de beslissing in het dictum van de beschikking een eind is gemaakt omtrent enig deel van het verzochte. Daarbij is doorslaggevend of de beslissing een onherroepelijk karakter heeft in die zin dat de beschikking, eenmaal geëffectueerd, in haar gevolgen niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Het hof verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad van 23 november 2007 (NJ 2007, 623).

5.4

Zoals uit r.o. 3.12 volgt heeft de rechtbank een voorlopige partneralimentatie bepaald en de beslissing over de definitieve partneralimentatie aangehouden. In de overwegingen van de rechtbank (blz. 5 bovenste alinea) staat onder meer het volgende:
"Vanwege de onzekerheden die zich ten aanzien van de financiële positie van de vrouw voordoen, zal de rechtbank conform het niet weersproken verzoek van de vrouw een voorlopige alimentatie vaststellen en de beslissing over de definitieve bijdrage aanhouden voor de duur van zes maanden".

5.5

Met de zinsnede 'conform het niet weersproken verzoek van de vrouw' doelt de rechtbank kennelijk mede op de inhoud van het schrijven van de advocaat van de vrouw van 27 oktober 2014, waarin onder meer het volgende staat te lezen: 'De vrouw doet dan ook het uitdrukkelijke verzoek het onderhavige alimentatiewijzigingsverzoek ook aan te houden voor dezelfde periode als de zorgregeling in verband met de mogelijke veranderingen die gaan optreden (baanverlies / geen bonus / lagere bonus) en een voorlopige alimentatie te bepalen'.

5.6

In het licht van het voorgaande dient naar het oordeel van het hof de bestreden beschikking op het punt van de voorlopige partneralimentatie aldus te worden verstaan dat in het dictum omtrent een deel van het verzochte definitief is beslist en de rechtbank zich slechts wat betreft toekomstige wijzigingen, waaronder de punten van de zorgregeling en inkomenssituatie van de vrouw, heeft voorbehouden later anders te beslissen. Het betreft aldus geen tussenbeschikking maar een (gedeeltelijke) eindbeschikking, zodat het hoger beroep ontvankelijk is.
Ten aanzien van het wijzigingsverzoek

5.7

Het inleidend verzoek van de vrouw strekt tot wijziging van het in de beschikking van de rechtbank van 27 augustus 2013 opgenomen convenant op het punt van de partneralimentatie en is gegrond op de stelling dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW die een nieuwe beoordeling rechtvaardigt.

5.8

De man heeft in zijn beroepschrift geconcludeerd dat geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de draagkracht van de vrouw ten opzichte van de oorspronkelijk overeengekomen partneralimentatie van € 2.500,- bruto per maand gelegen. Volgens de berekening van de man heeft de vrouw een draagkracht voor partneralimentatie van € 2.594,- bruto per maand.

5.9

Het hof schaart zich, gelet op de stukken en hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd, achter de conclusie van de rechtbank in de bestreden beschikking dat een nieuwe beoordeling van de onderhoudsverplichting is gerechtvaardigd. Het hof acht daarvoor redengevend dat de in het convenant tussen partijen overeengekomen zorgregeling na korte tijd feitelijk is gewijzigd nu de man eind juli 2013 bij zijn moeder in [D] is gaan wonen op een afstand van ongeveer 60 kilometer van de kinderen en de vrouw feitelijk in die periode (grotendeels) de zorgtaken op zich heeft genomen.
De ingangsdatum en eventuele terugbetalingsverplichting

5.10

Tussen partijen is de ingangsdatum van de (eventuele) wijziging in geschil. De rechtbank heeft die in de bestreden beschikking bepaald op 1 april 2014, zijnde de dag van indiening van het inleidend verzoekschrift door de vrouw.

5.11

De man bepleit een latere ingangsdatum en heeft er in dit verband op gewezen dat de verlaging van de partneralimentatie (met ingang van 1 april 2014) in de bestreden beschikking (van 9 december 2014) tot gevolg heeft dat hij een bedrag dient terug te betalen aan de vrouw. De man stelt dat hij geen inkomen, noch vermogen heeft dat hij liquide kan maken en daarom (vanwege die beslissing) onder het bestaansminimum komt. Indien er wel een verlaging van de partneralimentatie plaatsvindt dient de datum volgens de man niet met terugwerkende kracht te worden bepaald maar op de datum van de beschikking van de rechtbank zodat er geen sprake is van een terugbetalingsverplichting. De man verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad van 25 januari 2008, LJN: BB9246 (ECLI:NL:HR:2008:BB9246).

5.12

De vrouw schaart zich achter de door de rechtbank gekozen ingangsdatum en klaagt in incidenteel appel dat de rechtbank ten onrechte geen terugbetalingsverplichting heeft opgelegd aan de man voor de teveel betaalde alimentatie. De rechtbank heeft in dat kader ten onrechte ook geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de vrouw schulden is aangegaan bij haar moeder van € 8.800,- en bij [E] B.V. van € 6.000,- om onder meer aan haar alimentatieverplichting te kunnen voldoen. In de toelichting bij de grief wijst de vrouw op een uitspraak van de Hoge Raad van 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001 waaruit zij afleidt dat in geval van een verlaagde partneralimentatie de rechtsgrond aan betaling is komen te ontvallen en het teveel betaalde zal moeten worden terugbetaald. De vrouw weet dat de man nog vermogen heeft en zij ziet mede daarom niet in waarom zij zich in de schulden zou moeten steken voor de alimentatie of de man niet zou hoeven terug te betalen hetgeen hij teveel heeft ontvangen aan partneralimentatie.

5.13

Het hof overweegt dat, in geval van een verlaging van de alimentatie met terugwerkende kracht, als uitgangspunt heeft te gelden dat door de onderhoudsgerechtigde aan de onderhoudsplichtige terug zal moeten worden betaald hetgeen teveel door de onderhoudsplichtige is betaald, omdat de rechtsgrond daaraan is komen te ontvallen. De alimentatierechter die beslist over een verzoek als het onderhavige heeft echter de bevoegdheid te bepalen dat hetgeen teveel is betaald niet terug hoeft te worden betaald of kan worden verrekend indien de onderhoudsbijdragen inmiddels zijn verbruikt overeenkomstig de behoefte voor het doel waarvoor deze zijn verstrekt (levensonderhoud). Alsdan zal het hof dienen te beoordelen in hoeverre in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde kan worden verlangd dat deze gehouden is tot terugbetaling van hetgeen naar behoefte reeds is uitgegeven aan levensonderhoud. Het is voorts gebruikelijk in zaken als de onderhavige dat de ingangsdatum van de eventuele wijziging wordt bepaald op de dag van indiening van het verzoekschrift, in dit geval 1 april 2014. Het hof ziet geen reden daarvan in het onderhavige geval af te wijken. Gelet daarop zal het hof hierna eerst de onderhoudsverplichting beoordelen aan de hand van de wettelijke maatstaven per 1 april 2014 en vervolgens bezien of al dan niet aanleiding wordt gevonden, in hetgeen ten processe is gebleken, te bepalen dat hetgeen eventueel teveel is betaald door de vrouw aan de man ten titel van levensonderhoud door hem zal moeten worden terugbetaald.


De behoefte

5.14

De rechtbank is in de bestreden beschikking aan de hand van de zogenoemde hofnorm (zijnde kort gezegd 60% van het netto gezinsinkomen minus de kosten van de kinderen) uitgegaan van een behoefte aan de zijde van de man van € 1.920,20 per maand. Daarbij is de rechtbank uitgegaan van een netto gezinsinkomen in 2013 van € 4.124,- per maand, als vermeld in het echtscheidingsconvenant, en een bedrag van € 941,66 voor de kosten van de kinderen. De aldus berekende behoefte van de man (€ 4.124,- minus € 941,66 x 60% =
€ 1.920,-) bedraagt geïndexeerd naar 1 januari 2014 € 1.937,28 netto per maand.

5.15

Het is het hof gebleken dat partijen het aanvankelijk eens waren over de aldus bepaalde behoefte van de man. Ter zitting van het hof is evenwel namens de vrouw aangevoerd dat in verband met de emigratie van de man naar Tsjechië per 1 april 2015, de zogenoemde 'Big Mac-index' op de behoefte moet worden toegepast omdat de kosten van levensonderhoud in Tsjechië lager zijn. De vrouw heeft in dit verband mede aan de hand van genoemde index geconcludeerd dat de kosten van levensonderhoud in Tsjechië in een verhouding staan van 2,92 tot 4,00. De man heeft deze stelling niet betwist. Gelet op de door de man niet betwiste kengetallen (Tsjechië 2,92 en Nederland 4,00) zal het hof de voor Nederland vastgestelde behoefte verminderen met een kwart voor de periode vanaf 1 april 2015 en van een behoefte van afgerond € 1.450,- netto per maand uitgaan. Het hof zal voor de periode van 1 april 2014 tot 1 april 2015 uitgaan van een behoefte van de man van
€ 1.937,28 netto per maand.
De behoeftigheid

5.16

Voor het bepalen van de behoeftigheid wordt rekening gehouden met de eigen inkomsten dan wel de redelijkerwijs te verwerven inkomsten van de onderhoudsgerechtigde. De onderhoudsgerechtigde kan daarmee immers (deels) in de eigen behoefte voorzien.

5.17

De rechtbank is de vrouw niet gevolgd in haar stelling dat aan de man een verdiencapaciteit kan worden toegekend van € 1.250,- netto per maand. Eerst bij de bepaling van de definitieve partneralimentatie zal volgens de rechtbank moeten worden bezien op welke wijze de behoeftigheid van de man daarbij moet worden betrokken, afhankelijk van de omstandigheden op dat moment, waaronder de pogingen van de man om inkomsten te verwerven en de situatie van de vrouw op haar werk.

5.18

De vrouw klaagt in incidenteel appel dat de rechtbank ten onrechte de behoeftigheid van de man niet in de beoordeling heeft betrokken en ten onrechte geen verdiencapaciteit aan de man heeft toegekend. De man heeft volgens de vrouw op geen enkele wijze aangetoond dat hij moeite heeft gedaan om aan werk te komen terwijl partijen al geruime tijd uit elkaar waren, sinds juli 2013. Daarbij vermoedt de vrouw dat de man inkomsten heeft uit verhuur van hun gezamenlijke onroerende zaak in Tsjechië. Hij heeft hierin geen inzage gegeven en de vrouw meent dat van een fictief inkomen uitgegaan dient te worden van zo'n € 1.200,- à
€ 1.500,- netto per maand. Ten onrechte legt de man de verantwoordelijkheid volledig bij de vrouw neer.

5.19

De man heeft zich verweerd tegen deze incidentele grief. Hij stelt dat hij vooralsnog geen verdiencapaciteit heeft. Momenteel is de man bezig de onroerende zaak in Tsjechië op te knappen zodat hieruit inkomen (huur) kan worden verworven maar zover is het volgens de man nog niet. Eerst moeten kosten gemaakt worden en zullen deze kosten afgelost moeten worden uit de inkomsten die volgen. De man heeft geld geleend van zijn moeder. Hij voegt bij het verweerschrift een overzicht van de kosten, een overzicht van de schulden aan zijn moeder (totaal € 28.000,- volgens de man) en bankafschriften. De man wil alvast wat inkomen uit verhuur proberen te behalen. Hij schat dat op € 2.000,- maar gelet op de gemaakte kosten zal hij vooralsnog geen positief saldo hebben. De man merkt voorts op dat hij enige tijd als zzp-er heeft gewerkt voor een huizenbemiddelaar maar dat was op provisiebasis en helaas heeft dat niets opgeleverd. Verder heeft de man gesolliciteerd middels persoonlijke benadering van bedrijven. Hiervan kan hij geen bewijs overleggen. De man stelt voorts dat hij kampt met diverse lichamelijke problemen waardoor hij geen zwaar werk kan doen. De man heeft voorts onder meer toegelicht dat hij de MTS-werktuigbouwkunde heeft gevolgd, dat hij wel eens in loondienst heeft gewerkt en dat hij tijdens het huwelijk een eigen bedrijf had. Dat bedrijf hebben partijen destijds verkocht omdat zij in Tsjechië een camping wilden beginnen.

5.20

Het hof stelt vast dat de man geen onderbouwing met relevante bescheiden heeft gegeven van zijn arbeidsinspanningen en (inkomsten uit) vermogen. Het hof beschikt evenmin over stukken met betrekking tot de stellingen van de man ter zitting dat de onroerende zaak in Tsjechië te koop staat, noch met betrekking tot de verbouwing ervan of huurinkomsten en gestelde sollicitaties in Tsjechië of daarbuiten. Anderzijds staat vast dat de man ten tijde van het echtscheidingsconvenant geen inkomen had, reden waarom partijen een partneralimentatie van € 2.500,- hebben afgesproken, en dat de onroerende zaak in Tsjechië tijdens het huwelijk van partijen is gekocht (via een Tsjechische bv) in verband met plannen van partijen om zich na verloop van tijd in Tsjechië te vestigen en daar een camping o.i.d. te exploiteren. Alles afwegende vindt het hof het redelijk om met ingang van 1 april 2015, het moment waarop de man naar Tsjechië is verhuisd, een verdiencapaciteit aan de man toe te kennen van € 800,- netto per maand. In de periode tot 1 april 2015 zal het hof nog geen verdiencapaciteit aannemen aan de zijde van de man.

5.21

De behoeftigheid van de man kan hiermee worden becijferd op afgerond € 1.937,- netto per maand in de periode van 1 april 2014 tot 1 april 2015 en op afgerond € 650,- netto per maand (€ 1.450,- minus € 800,-) in de periode vanaf 1 april 2015.

De draagkracht van de vrouw
* te onderscheiden perioden

5.22

Onder verwijzing naar het navolgende zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de vrouw onderscheid maken in de periode van 1 april 2014 tot 1 januari 2015, de periode van 1 januari 2015 tot 1 augustus 2015 en de periode vanaf 1 augustus 2015 (in verband met door de vrouw per 1 januari 2015 ontvangen kindgebonden budget respectievelijk gewijzigde woonlasten per 1 augustus 2015).
* het inkomen: de bonus

5.23

Het hof stelt vast dat de man de grief dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de bonus van de vrouw voor het jaar 2014 ter zitting heeft ingetrokken naar aanleiding van de met stukken onderbouwde toelichting namens de vrouw. Het hof zal daarom bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uitgaan van het door de rechtbank in de bestreden beschikking in aanmerking genomen inkomen aan de zijde van de vrouw van
€ 72.660,-.
* het inkomen: het kindgebonden budget

5.24

Overeenkomstig voormelde uitspraak van de Hoge Raad op prejudiciële vragen, dient het kindgebonden budget bij het inkomen in aanmerking te worden genomen. Het hof gaat er in deze procedure vanuit dat de vrouw in 2014 niet in aanmerking kwam voor kindgebonden budget gelet op de hoogte van haar inkomen. In dit verband heeft het hof een proefberekening gemaakt aan de hand van de reken-tool op de website van de belastingdienst uitgaande van voormeld inkomen van de vrouw in 2014. Anders is dit voor 2015 in verband met de hervorming van de kindregelingen. Namens de vrouw is ter zitting van het hof onbetwist toegelicht dat de vrouw in 2015 aanspraak heeft op kindgebonden budget van omgerekend € 190,- per maand. Het hof zal dat bedrag voor 2015 in aanmerking nemen als netto inkomen in de draagkrachtberekening ten aanzien van de vrouw.
* aflossing woning

5.25

De man heeft in zijn beroepschrift opgemerkt dat hij thans in hoger beroep alsnog een bedrag van € 998,- ter zake van de lasten van de vrouw aan aflossing voor de woning aan de orde wenst te stellen omdat de economische overdracht van de woning inmiddels heeft plaatsgevonden en de aflossing derhalve een spaarpot is voor de vrouw. De man vindt de woonlasten van de vrouw te hoog en onredelijk en is van mening dat slechts met de helft van de aflossing rekening dient te worden gehouden.

5.26

De vrouw heeft deze grief van de man bestreden en daartoe onder meer opgemerkt dat de aflossing een huwelijkse verplichting is die de vrouw mede ten bate van de man heeft overgenomen. Partijen hebben dat gewild en hebben dat in het echtscheidingsconvenant opgenomen. De vrouw heeft de man ook al enige tijd geleden zijn deel uit de echtelijke woning uitbetaald. Zij heeft inmiddels de echtelijke woning verkocht maar heeft wel een boete moeten betalen vanwege aflossing van de hypotheek. Dat is gebruikelijk in Duitsland maar daarmee is geen rekening gehouden bij de echtscheiding. Feitelijk was er ten tijde van de scheiding geen andere keus dan dat de vrouw de woning zou overnemen en de vrouw vindt het onredelijk dat de man nu aanvoert dat sprake is van een onredelijke woonlast, te meer omdat de man zelf niet aantoonbaar initiatieven heeft ontplooid om inkomen te verwerven. De vrouw heeft aangevoerd dat wel rekening dient te worden gehouden met het volledige bedrag dat ziet op aflossing. In de gegeven omstandigheden is het volgens de vrouw niet juist te spreken van een onredelijke woonlast. De vrouw heeft in dit verband een toelichting gegeven op haar woonsituatie.

5.27

Het hof ziet aanleiding om bij de woonlasten van de vrouw de aflossingen van de vrouw op haar hypothecaire lening buiten beschouwing te laten omdat die, anders dan de rentebetalingen op de hypothecaire lening, in feite neerkomen op vermogensvorming voor de vrouw. Nu de man zich evenwel op het standpunt heeft gesteld dat met de helft van de aflossing rekening kan worden gehouden zal het hof gelet op de grenzen van de rechtsstrijd de helft van de aflossing in aanmerking nemen. De vrouw heeft voorts ter zitting toegelicht dat zij inmiddels de voormalige echtelijke woning heeft verkocht en een nieuwe woning heeft betrokken in [C] (per 1 augustus 2015). Ter zitting heeft de vrouw een stuk overgelegd van haar hypotheekverstrekker [B] waaruit een rentelast blijkt van € 669,50 per maand, hetgeen de man niet heeft bestreden. Dat bedrag zal het hof opnemen in de draagkrachtberekening. Ter zitting is namens de vrouw voorts toegelicht dat de vrouw daarnaast een annuïteit heeft van € 459,66 voor de nieuwe woning maar het hof zal die buiten beschouwing laten nu ook dat in feite vermogensopbouw voor de vrouw betreft.
* de kosten van de kinderen

5.28

De man heeft in zijn tweede grief geklaagd dat de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de vrouw ten onrechte rekening heeft gehouden met een bedrag van € 950,- aan kosten voor de kinderen en ten onrechte ervan is uitgegaan dat de vrouw alle kosten van de kinderen op zich neemt. De kinderen zijn ten minste drie dagen per week bij de man zodat het niet juist is te stellen dat de vrouw alle kosten van de kinderen op zich neemt. De behoefte is € 475,24 per kind per maand dus in totaal € 950,48 per maand. Verminderd met 35% zorgkorting (3 dagen per week) resteert een bedrag aan de zijde van de vrouw voor de kosten van de kinderen van € 617,28 per maand. Laatstgenoemd bedrag dient volgens de man in de draagkrachtberekening van de vrouw te worden betrokken.

5.29

De vrouw heeft bij haar verweerschrift berekeningen gevoegd waarin zij voor 2014 uitgaat van een bedrag van € 713,- eigen aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen en in 2015 van € 647,-. Die bedragen dienen volgens de vrouw niet als last opgenomen te worden in de draagkrachtberekening ten aanzien van de vrouw zoals de rechtbank heeft gedaan in eerste aanleg (post 134) maar onder post 141.

5.30

Ter zitting van het hof is gebleken dat de zorgregeling tussen de man en de kinderen niet ten volle is nageleefd door partijen, zowel voor als na het vertrek van de man naar Tsjechië. De precieze omvang van de tijd die de kinderen bij de man hebben verbleven en zullen verblijven is naar het oordeel van het hof niet vast te stellen op grond van de beschikbare gegevens. Het hof zal daarom naar redelijkheid een zorgkorting van 15% toepassen, in aanmerking genomen hetgeen partijen over en weer hebben verklaard omtrent de duur en frequentie van de bezoeken van de kinderen in het verleden en in de toekomst. Daaruit volgt dat de man verondersteld wordt in natura met 15% te voorzien in de behoefte van de kinderen. Het bedrag van € 950,48 zal het hof daarom verminderen met een bedrag van € 142,57 zodat een bedrag van afgerond € 808,- per maand in totaal voor beide kinderen resteert als zijnde op de draagkracht van de vrouw drukkende kosten voor de kinderen. Overeenkomstig de tremanormen zal het hof dat bedrag opnemen onder post 141 in de draagkrachtberekening van de vrouw. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen wordt het kindgebonden budget niet in aanmerking genomen bij de bepaling van de kosten van de kinderen maar in het kader van de draagkracht van de vrouw.
De draagkrachtberekeningen ten aanzien van de vrouw
* de periode 1 april 2014 tot 1 januari 2015

5.31

Uit de berekening met betrekking tot deze periode blijkt dat de vrouw een bedrag van € 925,- per maand inclusief fiscaal voordeel beschikbaar heeft voor partneralimentatie. Het hof verwijst naar de aan deze beschikking gehechte en door de griffier van het hof gewaarmerkte draagkrachtberekening (tarieven 2014/2).
* de periode van 1 januari 2015 tot 1 augustus 2015

5.32

Uit de berekening met betrekking tot deze periode blijkt dat de vrouw een bedrag van € 1.208 ,- per maand inclusief fiscaal voordeel beschikbaar heeft voor partneralimentatie. Het hof verwijst naar de aan deze beschikking gehechte en door de griffier van het hof gewaarmerkte draagkrachtberekening (tarieven 2015/1).
* de periode vanaf 1 augustus 2015

5.33

Uit de berekening met betrekking tot deze periode, eveneens aan deze beschikking gehecht (tarieven 2015/2), blijkt ten slotte dat de vrouw een bedrag van € 1.604,- per maand inclusief fiscaal voordeel beschikbaar heeft voor partneralimentatie.
Slotoverwegingen en conclusies

5.34

Al hetgeen hiervóór is overwogen leidt tot de volgende conclusies.

5.35

Het hof memoreert dat de behoeftigheid van de man in de periode van 1 april 2014 tot 1 april 2015 afgerond € 1.937,- (netto) per maand bedraagt en vanaf 1 april 2015 € 650,- (netto) per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt in de periode van 1 april 2014 tot 1 januari 2015 € 925,- (bruto) per maand, in de periode van 1 januari 2015 tot 1 augustus 2015 (dus tot ver na 1 april 2015) € 1.208,- (bruto) per maand. De draagkracht van de vrouw overstijgt aldus ruim de behoeftigheid van de man van € 650,- netto per maand in de periode vanaf 1 april 2015. De in geding zijnde onderhoudsverplichting vindt met andere woorden in de periode van 1 april 2014 tot 1 april 2015 zijn grens in de draagkracht van de vrouw en vanaf 1 april 2015 in de behoeftigheid van de man.

5.36

In beginsel bestaat daarom aanleiding de door de vrouw aan de man verschuldigde partneralimentatie over de periode van 1 april 2014 tot 1 januari 2015 te bepalen op € 925,- (bruto) per maand, over de periode van 1 januari 2015 tot 1 april 2015 op € 1.208,- (bruto) per maand en over de periode vanaf 1 april 2015 op het bruto equivalent van de voormelde netto behoeftigheid van de man van € 650,- per maand. Nu de man onduidelijkheid heeft laten bestaan op het punt van zijn inkomen door dit niet voldoende te onderbouwen met relevante bescheiden, heeft de man het hof de mogelijkheid onthouden om de netto behoeftigheid van de man om te rekenen naar een realistisch bruto bedrag. Een complicerende factor is daarbij dat de man inmiddels in Tsjechië woont. Het hof laat de onduidelijkheid op dit punt voor rekening en risico van de man op zodanige manier dat het hof zal bepalen dat de vrouw met ingang van 1 april 2015 voormeld bedrag van € 650,- per maand als bruto bedrag aan de man dient te voldoen.

5.37

Deze uitkomsten geven het hof geen aanleiding voor verdere beslissingen omtrent de terugbetalingsverplichting zoals bedoeld in de voorgaande rechtsoverwegingen met betrekking de ingangsdatum (vgl. 5.13) . Voor een deel van de periode waarop de berekeningen betrekking hebben is het door het hof vast te stellen bedrag hoger dan het bedrag van € 802,- dat de rechtbank heeft vastgesteld, over een ander deel lager. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof in dit verband niet gebleken dat deze uitkomst tot rechtens onaanvaardbare gevolgen voor partijen leidt.

6 De slotsom

6.1

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven voor zover aan dit hoger beroep onderworpen en dat het hof zal beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 9 december 2014 voor zover het de beslissing over de partneralimentatie betreft;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de vrouw aan de man verschuldigde partneralimentatie met ingang van
1 april 2014 tot 1 januari 2015 op € 925,- (bruto) per maand, over de periode van 1 januari 2015 tot 1 april 2015 op € 1.208,- (bruto) per maand en over de periode vanaf 1 april 2015 op € 650,- (bruto) per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.J. Buijs, mr. I.A. Vermeulen en mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2016 in bijzijn van de griffier.