Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2458

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
200.181.997/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.181.997/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/111115 / JE RK 15-315)

beschikking van de familiekamer van 15 maart 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.M. Carabain-Klomp, kantoorhoudend te IJhorst,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Noord,

kantoorhoudend te Assen,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de pleegmoeder] ,

wonende te [A] ,

hierna te noemen: de pleegmoeder dan wel oma.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 15 september 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 15 december 2015, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 12 januari 2016, heeft de GI het verzoek van de moeder in hoger beroep bestreden.

2.3

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 24 december 2015 een brief van 22 december 2015 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) inhoudende dat de raad geen nadere adviezen en/of rapportage heeft;

- op 4 februari 2016 een brief van 3 februari 2015 (het hof begrijpt: 2016) van mr. Carabain-Klomp met bijlagen;

- op 9 februari 2016 een brief van 8 februari 2015 (het hof begrijpt: 2016) van mr. Carabain-Klomp met bijlage.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op maandag 15 februari 2016 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

Namens de GI zijn verschenen mevrouw [B] (jeugdbeschermer) en mevrouw [C] .

De heer [D] , de vader van de minderjarige, is eveneens verschenen

De raad is in het kader van zijn adviserende taak in de gelegenheid gesteld ter zitting te verschijnen maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. De pleegmoeder is eveneens uitgenodigd voor de zitting maar is niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de relatie van de vader en de moeder is [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) geboren [in] 2010. Deze relatie is inmiddels beëindigd. De moeder heeft het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .

3.2

Bij beschikking van 1 april 2015 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 1 april 2015 tot 1 april 2016 en de GI gemachtigd [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 1 april 2015 tot 1 oktober 2015.

Deze plaatsing is verlengd bij de bestreden beschikking van 15 september 2015 tot uiterlijk 1 april 2016.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van onder meer de raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c tweede lid BW kan de kinderrechter op verzoek van onder meer de GI de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

4.2

De moeder kan zich met de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet verenigen. De moeder bepleit dat zij goed voor [de minderjarige] kan zorgen en dat [de minderjarige] weer bij haar moet komen wonen.

4.3

De GI acht de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk. De vader stemt eveneens in met de bestreden beschikking.

4.4

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat, anders dan de moeder aanvoert, de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn. Het hof heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

4.5

[de minderjarige] is in haar eerste levensjaren getuige geweest van herhaaldelijk verbaal en fysiek huiselijk geweld. [de minderjarige] heeft zich tevens in een verwaarlozende verzorgings- en opvoedingssituatie bevonden. De moeder heeft erkend dat het [de minderjarige] vóór en ten tijde van de eerste machtiging tot uithuisplaatsing heeft ontbroken aan basale verzorging, toezicht, structuur, stabiliteit, (emotionele) beschikbaarheid en veiligheid; zij kon [de minderjarige] niet bieden wat zij nodig had.

4.6

[de minderjarige] is voorts teveel belast met de (stemmings)problematiek van de moeder. Bij de moeder is sprake van een belaste voorgeschiedenis en psychiatrische problematiek. Ze is gediagnosticeerd met ADHD maar er is ook sprake van depressieve klachten. De moeder wordt ervaren als een vrouw met zeer wisselvallige stemmingen. De moeder heeft dat in het raadsonderzoek ook toegegeven. Ze heeft laten weten dat ze zonder aanleiding soms blij, boos of verdrietig kan zijn, en dat ze het gevoel had dat ze een kort lontje had.

De moeder is ook wisselvallig en daarmee onbetrouwbaar gebleken in het nakomen van afspraken, zoals de omgangscontacten met [de minderjarige] maar ook met de GGZ.

4.7

Dit alles heeft nadelige gevolgen in elk geval voor [de minderjarige] 's welbevinden, haar gevoel van veiligheid en vertrouwen. Uit de stukken en het verhandelde is duidelijk geworden dat [de minderjarige] zich niet veilig voelt met de moeder alleen. [de minderjarige] vindt het moeilijk ook andere volwassenen te vertrouwen. [de minderjarige] is sterk geneigd om zelf de regie te houden en accepteert niet gemakkelijk dat er grenzen worden gesteld. Ze heeft slaapproblemen. Bovendien was er sprake van fysieke onveiligheid als [de minderjarige] urenlang beneden alleen werd gelaten.

De moeder was dan ook niet in staat [de minderjarige] een opvoedingsklimaat te bieden waarin de continuïteit van/en veiligheid in haar dagelijkse verzorging en opvoeding was gewaarborgd.

4.8

De moeder heeft gesteld dat de ontwikkeling in haar thuissituatie inmiddels met sprongen vooruit is gegaan, dat weliswaar haar diagnostiek voor onder andere PTSS nog niet rond is, maar zij al veel gesprekstherapie heeft gehad en is gestart met psychomotore therapie en daarin stappen heeft gezet. De moeder heeft naar voren gebracht dat ze eerder weliswaar antidepressiva, slaapmedicatie, medicatie om rustig te blijven en medicatie voor haar ADHD heeft gehad, maar nu alleen nog maar het laatste gebruikt.

De moeder heeft - terwijl dat op haar weg heeft gelegen - geen stukken in het geding gebracht ter onderbouwing van haar standpunt dat haar ontwikkeling met sprongen vooruit is gegaan, zodat het hof het gestelde niet heeft kunnen toetsen en vaststellen. Dat neemt niet weg dat het, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, belangrijk is dat de moeder de ingezette hulpverlening blijft voortzetten om haar persoonlijke problematiek te verwerken en haar leven weer blijvend op de rit te krijgen. De moeder heeft - zoals ze zelf ook ter zitting heeft aangegeven - nog stappen te gaan in haar therapieën. Het is dan ook nog te vroeg om te kunnen vaststellen dat er gedurende een langere periode een stabiele situatie bij de moeder is ontstaan.

4.9

De moeder heeft erover geklaagd dat zij onvoldoende kansen heeft om te laten zien dat ze [de minderjarige] nu wel kan opvoeden en heeft daarbij aangegeven dat zij een ouder-kindopname met [de minderjarige] bij [E] in [F] wil. Daarvoor is nodig dat de aanmelder een inschatting maakt van de haalbaarheid alvorens tot aanmelding over te gaan. De moeder voldeed voorheen niet aan de voorwaarden voor een opname en niet is gebleken dat ze inmiddels wel voldoet aan de voorwaarden voor een opname. De wens van moeder tot opname kan dan ook niet leiden tot een andere beslissing over de uithuisplaatsing.

4.10

Het hof heeft onvoldoende de overtuiging gekregen dat de moeder nu wel in staat is of binnen afzienbare termijn zal zijn om [de minderjarige] de verzorging en opvoeding te bieden die zij nodig heeft. Gelet op de omstandigheden waarin [de minderjarige] tot de uithuisplaatsing heeft verkeerd (verwaarlozing op alle fronten en getuige van huiselijk geweld) en wat dat voor haar heeft betekend, wijst het hof erop dat voor [de minderjarige] op korte termijn duidelijkheid nodig is over waar haar perspectief zal zijn omdat zij recht heeft op een langdurig stabiele opvoedingssituatie.

4.11

Omdat het hof van oordeel is dat bij het uitblijven van de verzochte verlenging de continuïteit van/en veiligheid van [de minderjarige] in haar dagelijkse verzorging en opvoeding niet is gewaarborgd beoordeelt het hof de verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk. Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 15 september 2015.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, mr. G. Jonkman en mr. H.J. de Ruijter, bijgestaan door de griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 maart 2016.