Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2456

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
01-04-2016
Zaaknummer
15/00040
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:6053, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:250
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking coffeeshop: voorraadadministratie voldoet niet aan de eisen, omkering en verzwaring van de bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/919
FutD 2016-0873
NTFR 2016/1124 met annotatie van mr. I.R. J. Thijssen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 15/00040

uitspraakdatum: 30 maart 2016

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 december 2014, nummer AWB LEE 13/2817, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De Inspecteur heeft met dagtekening 12 april 2013 een informatiebeschikking ten aanzien van belanghebbende vastgesteld met betrekking tot op te leggen aanslagen in de inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen voor de jaren 2007 tot en met 2010 en naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over het tijdvak 2007 tot en met 2011.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de informatiebeschikking gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 2 december 2014 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2016 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en haar gemachtigde mr. [A] . Namens de Inspecteur is verschenen [B] , bijgestaan door [C] .

1.7

Partijen hebben een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende drijft in [Z] een koffieshop onder de naam “ [D] ”. In de shop worden softdrugs en enkele andere producten (zoals koffie en frisdrank) verkocht. Belanghebbende beschikte in de jaren 2007 tot en met 2011 over een geheime bergplaats (hierna: de stash) waarin de voorraad werd bewaard, voor zover deze de door justitie gedoogde hoeveelheid te boven ging. In ieder geval tot het jaar 2010 werden hierin de ingekochte ruwe cannabisplanten (hierna: de planten) door belanghebbende verwerkt tot gereed product (snijden, afwegen en verpakken in zakjes, vervaardiging van joints). Naar behoefte en rekening houdend met het toegestane maximum werd de shop uit de stash bevoorraad.

2.2

De softdrugs werden door vier personeelsleden in de shop verkocht. De gerealiseerde verkopen werden door de personeelsleden per dienst op barlijsten (dagstaten) zowel in hoeveelheden als in omzetbedragen vastgelegd. Op de barlijsten is per soort in hoeveelheden vastgelegd: de voorraad aan het begin van de dienst, de aanvulling van de voorraad, de verkopen en de eindvoorraad. Aan het einde van de betreffende dienst vond kascontrole op de barlijsten plaats. Geconstateerde verschillen werden vastgelegd. De op de barlijsten vermelde omzet werd door belanghebbende vastgelegd in het door haar bijgehouden kasboek. In dit kasboek werden ook bedragen wegens inkoop van softdrugs vastgelegd, waarbij de soort, hoeveelheid en inkoopprijs werden vermeld. Uit de tot de gedingstukken behorende afschriften van het kasboek van de periodes 11 tot en met 21 maart 2009 en 22 tot en met 30 september 2009 blijkt dat nagenoeg dagelijks inkopen van softdrugs werden geboekt. Telkens betrof het inkopen van maximaal 500 gram van een bepaalde soort softdrugs.

2.3

Namens de Inspecteur is in het jaar 2013 bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de Inspecteur met dagtekening 12 april 2013 de thans in geschil zijnde informatiebeschikking vastgesteld. In deze beschikking is voor zover van belang het volgende vermeld:
“Tijdens het boekenonderzoek bij u, betreffende de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2007 t/m 2010 en omzetbelasting over de jaren 2007 t/m 2011, is vastgesteld dat u niet heeft voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 52 lid 1, lid 4 en lid 6 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Op basis van de AWR en jurisprudentie mag van een coffeeshophouder in redelijkheid worden verwacht dat deze d.m.v. dagstaten, zowel in hoeveelheden als in geld, bijhoudt welke bedragen ter zake van de inkoop van cannabisproducten op welke data zijn uitgegeven en dat deze een daarop aansluitende kas- en voorraadadministratie voert. Aan de hiervoor genoemde eisen is in meerdere opzichten niet voldaan. Tot 21 december 2010 kocht u softdrugs in partijen in en verpakte u deze zelf in zakjes en vervaardigde u zelf de joints. Over de hiervoor genoemde periode heeft u de inkopen van softdrugs vastgelegd in de kasadministratie. Later tijdens het onderzoek verklaarde u desgevraagd, dat de uitgaven voor softdrugs zoals die zijn vastgelegd in de kasadministratie, en de daarbij behorende data en omschrijvingen, de inkoop van softdrugs op een correcte wijze weergeven.

Tijdens het onderzoek heb ik het hierna genoemde geconstateerd:

cannabis/softdrugs

a. U heeft geen aantekening gehouden van de hoeveelheden gruis en verlies (indrogen, schimmel, toprot etc) welke zich voordoen als in partijen wordt ingekocht en in eigen beheer wordt verpakt;

b. U heeft soorten cannabis verkocht welke niet zijn genoemd onder de inkopen. Toen ik u daarmee confronteerde heeft u verklaard dat die constatering juist is, maar dat de oorzaak daarvoor volgens u moet worden gezocht in bedrijfseconomische / strategische redenen. Soorten die even niet zo goed lopen worden dan wel onder een andere naam aangeboden, zo vulde u aan. U heeft echter niet vastgelegd vanaf welke datum, welke hoeveelheid, van welke soort, daarna onder een andere naam is verkocht;

c. U heeft geen aantekening gehouden van wanneer, welke aantallen joints zijn vervaardigd en hoeveel cannabis van welke soort daarvoor is aangewend;

d. Aan de hand van detailcontroles op de geregistreerde inkopen en omzet van cannabis, per soort, heb ik herhaaldelijk vastgesteld dat meer van een bepaalde soort is geregistreerd als verkocht dan dat mogelijk was volgens de geregistreerde inkopen;

e. Eveneens aan de hand van detailcontroles op de geregistreerde inkopen en omzet van cannabis, per soort, heb ik herhaaldelijk vastgesteld dat van meerdere soorten beduidend meer is ingekocht dan dat er is verkocht. De oplopende voorraden welke alsdan per soort inzichtelijk worden stroken niet met de voorraden welke als begin en/of eindvoorraad zijn genoemd op de barlijsten en ook niet met de opgegeven voorraden per balansdata.

Volgens uw verklaring heeft u vanaf 21 december 2010 uitsluitend nog voorverpakte wiet en hasj en kant en klare joints ingekocht. Deze inkopen van softdrugs heeft u vastgelegd in de kasadministratie en op lijsten waarop u per dag en per soort onder meer de ingekochte hoeveelheden en prijzen van softdrugs heeft vastgelegd.

f. Ik stel vast dat er op 22 december 2010 een verschil van 86 gram is tussen de ingekochte

hoeveelheid softdrugs volgens de kasadministratie en de lijsten.
(…)”
(Hof: volgt een overzicht van de in- en verkopen van softdrugs in de periode van 21 tot en met 31 december 2010)

“Zoals uit dit overzicht blijkt is er op 22 december een verschil tussen de geregistreerde hoeveelheid op de lijsten en de hoeveelheid volgens de kasadministratie van 86 gram. In werkelijkheid bedraagt het verschil 76 gram omdat in het totaal van de lijst een telfout is gemaakt. Dit totaal bedraagt 214 in plaats van 204

g. Volgens uw kasadministratie heeft u regelmatig betalingen verricht ter grootte van meestal € 1.000 per keer, voor een totaalbedrag van € 31.000 in drie jaar. Dat bedrag moet volgens u worden gezien als een vergoeding voor geheime bergplaatsen voor softdrugs, de zogenaamde stash. Omdat behalve de vermelding in het kasboek op geen enkele wijze is onderbouwd aan wie die bedragen zijn betaald, kan de juistheid en het karakter van de opgevoerde bedragen niet worden vastgesteld en kunnen de geboekte bedragen daarom niet als zakelijke kosten in aftrek worden gebracht. Ik ga er van uit dat u wel gebruik heeft gemaakt van één of meerdere stash(es). De voorraadadministratie van de stash(es) ontbreekt echter.

Op grond van het bovenstaande (letters a t/m g) moet worden geconcludeerd dat de registratie van de inkoop en /of verkoop, alsmede de voorraadadministratie van softdrugs ernstig gebrekkig is. Omdat alle in- en verkopen van softdrugs contant zijn gegaan is een sluitende kasadministratie essentieel. Nu echter is vastgesteld dat de geregistreerde inkoop en/of verkoop van softdrugs ernstige gebreken vertoont en op onderdelen onmogelijk kan zijn geweest zoals door u is geregistreerd, kan ook de kasadministratie onmogelijk een juiste en volledige weergave geven van de geldstroom.

kasadministratie

a. Blijkens een nota van [E] is op 23 december 2010 een partij aanstekers gekocht voor een bedrag van 2155,45 (inclusief de O.B.). Op de nota is vermeld “contant voldaan” met een handtekening van de leverancier. De betaling is echter eerst verwerkt in de kasadministratie op 23 januari 2011. U heeft ten aanzien van dit punt desgevraagd verklaard dat de nota aanvankelijk is vergeten en om die reden later is geboekt. Deze verklaring is wel aannemelijk maar laat onverlet dat wel in december 2010 contant is betaald. Het boeksaldo op de kasstaat van december 2010 kan dus onmogelijk juist zijn. Indien kascontrole was toegepast zou een dergelijk verschil absoluut zijn opgemerkt. Nu van het vaststellen van een kasverschil echter niets blijkt uit de administratie moet worden geconstateerd dat er geen kascontrole heeft plaatsgevonden.

b. Een factuur van [F] van 27 oktober 2010 ad € 124,53 is contant voldaan, echter eerst in de kasadministratie geboekt op 2 november 2010, geen vermelding van een kasverschil aangetroffen.

c. In de kasadministratie (SD) over 2010 komen gedurende het jaar onwaarschijnlijk hoge boeksaldi naar voren. Het jaar wordt begonnen met een boeksaldo van ruim € 48.600. Gedurende het jaar loopt dat boeksaldo op tot bijna € 70.000. Door tegen het einde van het jaar de opnames voor privé doeleinden drastisch te verhogen, wordt per ultimo 2010 een boeksaldo bereikt van afgerond € 2.888. Gelet op de sterk wisselende privé-uitgaven (2008 € 45.215, 2009 € 11.880, 2010 € 137.603 en 2011 € 78.189) en mede gelet op de frequentie van de privé opnames en de hoogte van die bedragen heb ik ernstige twijfel over de juistheid van de geboekte bedragen voor privé-doeleinden. In 2010 is € 134.050 opgenomen uit de kas (kas2 cannabis) zie onderstaand overzicht.
(…)”
(Hof: volgt een overzicht van de privé opnames in het jaar 2010, waaruit naar voren komt dat van de in dat jaar geboekte privé opnames van € 134.050 een bedrag van € 131.000 in de maanden november en december is opgenomen.)

“Bewaarplicht

a. U heeft verklaard dat u de gripzakjes welke benodigd zijn voor het verpakken van de softdrugs heeft ingekocht bij [G] te [H] . De desbetreffende inkoopnota’s zijn niet bij de administratie bewaard en aan mijn verzoek om deze inkoopnota’s alsnog beschikbaar te stellen voor onderzoek heeft u niet voldaan.

Brutowinstmarges

a. Tijdens het onderzoek is mij gebleken dat de combinatie van sterk wisselende brutowinstmarges en de stijging van de brutowinstmarges over 2010 en 2011 in relatie tot de bedrijfsvoering en prijs hantering zeer onwaarschijnlijk zijn en onlogisch. Hierna volgt een overzicht van de gerealiseerde brutowinstmarges uitgedrukt in een percentage van de inkopen.

2011 2010 2009 2008 2007 2006

101% 114% 62% 62% 80% 47%

Gelet op al het hiervoor genoemde ben ik van oordeel dat de administratie niet voldoet aan de daaraan in redelijkheid te stellen eisen en dermate ernstig gebrekkig is dat deze niet kan dienen als basis voor de winstberekening. Bovendien ben ik van oordeel dat als gevolg van de geconstateerde gebreken niet de vereiste aangiften zijn gedaan.

Gelet op de geconstateerde gebreken in de administratie en de wijze waarop de administratie is ingericht en bijgehouden, bleek deze niet binnen een redelijke termijn te controleren zoals bedoeld in artikel 52 zesde lid van de AWR.

Ik stel u alsnog in de gelegenheid om de ontbrekende informatie alsmede toelichtingen en bescheiden te schriftelijk verstrekken, binnen een termijn van drie weken na de dagtekening van dit schrijven. Het betreft:

- de aankoopnota’s van gripzakjes;

- de voorraadadministratie van de. Stash(es);

- de inkoopadministratie;

- verklaringen voor het genoemde onder “kasadministratie”;

- verklaringen voor de wisselende brutowinstmarges.

(…)”
(Hof: volgt rechtsmiddelverwijzing)

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de informatiebeschikking terecht is vastgesteld.

3.2

Belanghebbende stelt dat de wijze waarop zij haar administratie heeft ingericht voldoet aan de wettelijke voorschriften. Ook zijn er volgens belanghebbende geen inhoudelijke gebreken in de administratie of zijn deze zo klein dat deze geen schending van de administratieplicht inhouden. Belanghebbende biedt aan de administratie zo nodig te completeren. Tevens is belanghebbende van mening dat de informatiebeschikking ten onrechte op de heffing van omzetbelasting ziet en dat een eventuele correctie moet worden gebaseerd op een correctie van de inkopen.

3.3

De Inspecteur betwist dat de administratie aan de wettelijke voorschriften voldoet. Ook is volgens de Inspecteur sprake van inhoudelijke gebreken in de administratie. Een mogelijkheid tot herstel bestaat volgens de Inspecteur niet meer. Volgens de Inspecteur ziet de informatiebeschikking terecht ook op de heffing van omzetbelasting en staat de wijze waarop hij bij het opleggen van aanslagen een eventuele correctie dient te berekenen niet ter discussie in onderhavige zaak.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Artikel 52, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaalt, voor zover hier van belang, dat administratieplichtigen gehouden zijn van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, naar de eisen van dat bedrijf, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Artikel 52, vierde lid, van de AWR bepaalt dat administratieplichtigen verplicht zijn de in de voorgaande leden bedoelde gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren. Het zesde lid van artikel 52 van de AWR bepaalt dat de administratie zodanig dient te zijn ingericht en te worden gevoerd en dat de gegevensdragers zodanig dienen te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Daartoe verleent de administratieplichtige de benodigde medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie.

4.2

Artikel 52a, eerste lid, van de AWR bepaalt, voor zover van belang, dat indien met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge (onder andere) artikel 52 van die wet, de inspecteur dit kan vaststellen bij voor bezwaar vatbare informatiebeschikking.

4.3

Artikel 25, derde lid, van de AWR bepaalt, voor zover van belang, dat indien een bezwaar is gericht tegen een aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag met betrekking tot welke sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking, de belastingaanslag wordt gehandhaafd tenzij is gebleken dat en in hoeverre die belastingaanslag onjuist is. Ingevolge het eerste lid van artikel 27e van de AWR geldt hetzelfde voor de beroepsfase.

4.4

Bij de beantwoording van de vraag of een belastingplichtige heeft voldaan aan de administratieplicht moet rekening worden gehouden met de aard en omvang van de onderneming. Vanwege de aan de in- en verkoop van softdrugs verbonden strafrechtelijke problematiek mag van de exploitant van een koffieshop niet worden verwacht dat deze beschikt over facturen en betalingsbewijzen van de inkoop van softdrugs. Op de voet van het bepaalde in artikel 52 van de AWR mag echter wel worden verwacht dat de exploitant op een systematische wijze en voor de Inspecteur inzichtelijke en controleerbare wijze de inkoop van softdrugs in zijn administratie vastlegt (vergelijk HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). Dit houdt onder meer in dat de ondernemer door middel van dagstaten in hoeveelheden, soorten softdrugs en geld bijhoudt op welke data de inkopen zijn verricht en dat hij een hierop aansluitende voorraadadministratie voert.

4.5

Belanghebbende heeft gesteld dat zij met de wijze waarop zij haar administratie heeft ingericht, aan deze voorwaarden voldoet. In dit verband heeft zij gesteld dat zij de inkopen van de planten waaruit de softdrugs worden vervaardigd op de datum van aankoop in haar kasboek heeft geregistreerd, onder vermelding van soort, hoeveelheid, inkoopprijs per gram en totale inkooprijs. Ook heeft zij gewezen op de door de personeelsleden bijgehouden barlijsten, waaruit de verkoop van de softdrugs (verpakt in plastic zakjes en joints) vanuit de shop blijkt. Zij wijst erop dat zij weliswaar geen volledige en sluitende administratie per dag of week heeft gevoerd, maar dat die administratie wel is te reconstrueren. Zij heeft in dit kader voor de jaren 2008 tot en met 2010 overzichten verstrekt van de per soort softdrugs ingekochte en verkochte hoeveelheden. De hoeveelheden ingekochte softdrugs zijn hierbij ontleend aan de boekingen in het kasboek en de hoeveelheden verkochte softdrugs aan de barlijsten. Volgens belanghebbende werden sommige ingekochte softdrugs onder verschillende namen verkocht. Dit verklaart waarom volgens de door haar verstrekte overzichten van sommige soorten meer is verkocht dan is ingekocht.

4.6

De Inspecteur betwist dat de in het kasboek geregistreerde inkopen de ingekochte planten betreffen. Volgens de Inspecteur gaat het hier niet om de planten, maar om de uit die planten vervaardigde softdrugs in de vorm van zakjes en joints en de daar door belanghebbende aan toegerekende inkoopprijs. Hij voert hiertoe aan dat het gebruikelijk is dat bij inkoop van planten de gehele oogst van een kweker wordt opgekocht en dat, anders dan belanghebbende stelt, niet kan worden gekozen voor telkens hoeveelheden van minder dan 500 gram. Op deze wijze worden volgens de Inspecteur de daadwerkelijke inkopen en de betaling daarvan niet geregistreerd. Daarnaast ontbreekt volgens de Inspecteur ieder zicht op het verloop van de planten nadat deze door belanghebbende zijn ingekocht. Weliswaar worden de voorraad en de verkoop in de shop op de barlijsten vastgelegd, maar van de mutaties in de voorraad in de stash wordt niets geregistreerd. Ook van snij- en ander verlies bij de verwerking van de planten is niets vastgelegd. Tevens wijst de Inspecteur op de omstandigheid dat van verschillende soorten softdrugs meer wordt verkocht dan is ingekocht. Hij betwist de daarvoor door belanghebbende gegeven verklaring dat een soort onder meerdere namen kan worden verkocht. Daarnaast voert de Inspecteur aan dat er ook sprake is van materiële gebreken in de administratie van belanghebbende. Zo wijst hij op de sterke schommeling in de verantwoorde brutowinstpercentages, op een drietal onjuist geboekte kasuitgaven en op opmerkelijk hoge privé-onttrekkingen door belanghebbende.

4.7

Het Hof overweegt dat uit de hiervoor vermelde jurisprudentie volgt dat van een exploitant van een koffieshop mag worden verwacht dat hij op een systematische wijze en voor de Inspecteur inzichtelijke en controleerbare wijze de inkoop van softdrugs in zijn administratie vastlegt. Dit houdt onder meer in dat de ondernemer dagelijks dient vast te leggen welke soorten en hoeveelheden planten en/of softdrugs zijn ingekocht en wat hiervoor is betaald. Tevens dient een hierop aansluitende voorraadadministratie te worden gevoerd. Ook als bij wijze van veronderstelling ervan wordt uitgegaan dat, zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist, de in het kasboek vastgelegde inkopen de inkoop en betaling van de planten (en niet van het gereed product) betreffen, heeft belanghebbende niet aan de gestelde voorwaarden voldaan. Het Hof overweegt in dit verband het volgende.

4.8

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in alle jaren een stash heeft aangehouden, waarin de voorraad werd bewaard voor zover deze nog niet naar de shop kon worden overgebracht. In ieder geval in de jaren 2007 tot en met 2010 werd hierin tevens de bewerking van de ingekochte planten uitgevoerd. Een administratie van deze voorraad werd niet gehouden. Buiten de boeking van de inkoop in het kasboek, werd van de verwerking van de planten tot gereed product in de vorm van plastic zakjes en joints, het daarbij optredende verlies (snijverlies, niet bruikbare delen van de planten) en het voorraadverloop niets vastgelegd. Ook is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat belanghebbende, zoals zij heeft gesteld maar de Inspecteur betwist, aantekening heeft gehouden van de mate waarin zij softdrugs onder een andere naam heeft verkocht dan ingekocht.

4.9

Ook is van belang dat belanghebbende in haar aangiften inkomstenbelasting niet de werkelijke waarde van de totale voorraad softdrugs in de stash en de shop heeft vermeld, maar slechts een geschat bedrag van de in de shop aanwezige voorraad. Zo blijkt uit het door belanghebbende vervaardigde totaaloverzicht van in- en verkopen softdrugs dat zij in het jaar 2010 9.662 gram softdrugs meer heeft verkocht dan ingekocht. Dat betekent dat de voorraad aan het begin van dat jaar ten minste 9.662 gram moet zijn geweest, terwijl op de balans per 1 januari 2010 een bedrag van € 1.000 is vermeld, zijnde een geschat bedrag van de voorraad in de shop overeenkomend met de inkoopwaarde van slechts enkele honderden grammen planten. Het vaststellen en registreren van de daadwerkelijk op de balansdatum aanwezige voorraden vormt naar het oordeel van het Hof het noodzakelijke sluitstuk van een correcte voorraadadministratie. Daaraan heeft belanghebbende niet voldaan.

4.10

Door voormelde wijze van administreren is het voor de Inspecteur niet mogelijk op verantwoorde wijze de volledigheid van de verantwoording van inkopen (en verkopen) te controleren. Gelet hierop heeft belanghebbende niet voldaan aan de verplichting op een systematische, inzichtelijke en controleerbare wijze haar inkopen te administreren. Dat belanghebbende door het maken van een reconstructie aan de Inspecteur nog nader inzicht zou kunnen verschaffen, doet hier niet aan af.

4.11

Het Hof neemt mede in overweging dat belanghebbende de inkoopfacturen van de gripzakjes niet heeft bewaard, waardoor een verbandscontrole op de in- en verkoop van softdrugs aan de hand van de hoeveelheid ingekochte gripzakjes onmogelijk is gemaakt. Ook heeft belanghebbende de registraties van de geconstateerde kasverschillen niet bewaard. Hiermee heeft zij de in artikel 52 van de AWR opgenomen bewaarplicht geschonden.

4.12

Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende niet voldaan aan de in artikel 52 van de AWR opgenomen verplichtingen en heeft de Inspecteur voor de jaren 2007 tot en met 2010 terecht een informatiebeschikking vastgesteld. Voor het jaar 2011 is dat niet anders. Ook als er met belanghebbende van moet worden uitgegaan dat zij vanaf 22 december 2010 nog slechts kant en klare softdrugs in- en verkoopt, heeft zij niet aan haar administratieverplichtingen voldaan. Belanghebbende kan dan niet worden verweten dat zij geen aantekening heeft gehouden van de verwerkingsverliezen en het niet bewaren van nota’s van ingekochte gripzakjes, maar het niet voeren van een volledige en controleerbare administratie van de in de stash aanwezige voorraden zoals hiervoor beschreven, acht het Hof voldoende voor het constateren van een schending van de administratieplicht. Reeds op deze grond heeft de Inspecteur voor alle jaren terecht een informatiebeschikking vastgesteld.

4.13

Het Hof neemt, naast hetgeen hiervoor is overwogen, mede in aanmerking dat de Inspecteur terecht erop wijst dat aanwijzingen bestaan voor twijfel aan de materiële juistheid van hetgeen in de administratie is vastgelegd. Door het niet op correcte wijze registreren en vastleggen van de voorraad in de stash en de shop, kan de jaarwinst per definitie niet op het juiste bedrag zijn bepaald. Ook heeft belanghebbende geen aanvaardbare verklaring gegeven voor de sterke wisseling in de behaalde brutowinstpercentages (in de jaren van 2006 tot en met 2011 respectievelijk 47%, 80%, 62%, 62%, 114%, 101%). Gelet op haar verklaring ter zitting dat de verkoopprijzen werden aangepast aan de (wisselende) inkoopprijzen, mocht een tamelijk stabiel brutowinstpercentage worden verwacht. Dat de voorraad telkens is gesteld op een geschat bedrag, geeft voor die wisselende percentages onvoldoende verklaring.

4.14

Belanghebbende heeft aangeboden de voorraadadministratie alsnog te reconstrueren. Het Hof ziet geen aanleiding haar daartoe in de gelegenheid te stellen. De Rechtbank heeft terecht overwogen dat een ondeugdelijke administratie niet achteraf kan worden hersteld. Aan de voorwaarde dat te allen tijde de rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken, kan immers niet meer worden voldaan. Zo is bijvoorbeeld een deugdelijke controle op de aanwezige voorraden of kasgelden achteraf niet meer mogelijk.

4.15

Het Hof acht de zojuist omschreven schending van de administratieplicht voldoende ernstig om de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast te rechtvaardigen.

4.16

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de informatiebeschikking ten aanzien van de omzetbelasting dient te vervallen omdat de Inspecteur niet voornemens is een naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen over de gecontroleerde jaren. Tegenover de betwisting van dit standpunt door de Inspecteur heeft belanghebbende onvoldoende gesteld. Het Hof gaat daarom aan dit standpunt van belanghebbende voorbij. Verder is het Hof van oordeel dat de Rechtbank terecht heeft overwogen dat de informatiebeschikking voor de Inspecteur van belang is bij het (mogelijk) opleggen van een naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

4.17

Voor het geval de informatiebeschikking in stand blijft, heeft belanghebbende het Hof verzocht te bepalen dat een door de Inspecteur bij het opleggen van de belastingaanslagen waar deze beschikking op ziet eventueel aan te brengen correctie gebaseerd dient te zijn op een inkoopcorrectie en niet op een omzetcorrectie. Voor het beoordelen van de hoogte van een eventuele inkomenscorrectie of de wijze waarop deze is berekend, is echter in de onderhavige procedure geen plaats.

Slotsom
4.18 Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Amsterdam, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 30 maart 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong)

(A.I. van Amsterdam)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 31 maart 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.