Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2378

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
14-04-2016
Zaaknummer
200.161.214/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag medewerker mortuarium. Hof verwerpt het beroep op de valse of voorgewende reden. Het ziekenhuis was niet gehouden om het mortuarium zelfstandig te blijven exploiteren teneinde de werkplek van de medewerker in stand te houden. 5.2. Het eenzijdig arbeidsverleden en de geringe opleiding van de medewerker leggen envenmin Het hof is van oordeel dat niet blijkt dat het ziekenhuis hierin veel valt te verwijten. Hooites heeft zelf voor de redelijk zelfstandige positie in het mortuarium gekozen. Uit het onder 3.15genoemde arbeidskundige rapportage blijkt ook niet dat de opleiding of het arbeidsverleden de voornaamste hobbel zijn waarom Hooites geen reëel benutbare mogelijkheden meer heeft op de arbeidsmarkt, maar dat deze meer is gelegen in zijn persoonlijkheidsstructuur.

Wel valt het ziekenhuis een verwijt te maken dat het na het aan het licht komen van de psychische problemen tekort is geschoten in de begeleiding van de medeweker. De medewerker heeft aanvankelijk de door het ziekenhuis voorgestelde mediation afgewezen. Later heeft hij zich hiertoe wel bereid verklaard, waarop het ziekenhuis niet meer is ingegaan. Hoewel het hof betwijfelt of een nadere gespreksronde alsnog tot benutbare arbeidsmogelijkheden van deze werknemer had geleid, had het wel op de weg van het ziekenhuis gelegen om, mede gelet op het zeer lange dienstverband daartoe een uiterste poging te doen en ten minste te trachten om het moment van afscheid nemen minder pijnlijk te maken.

Het hof acht het ontslag kennelijk onredelijk in verband met dit gebrekkige nazorgtraject en kent daarvoor een vergoeding toe van € 9.600, - bruto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1193
AR-Updates.nl 2016-0424
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.161.214/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 2319868 CV EXPL 13-11016)

arrest van 22 maart 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. N. Entzinger, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Stichting De Ommelander Ziekenhuis Groep,

gevestigd te Delfzijl,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: het ziekenhuis,

advocaat: mr. A.C. Beijderwellen-Wittekoek, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 17 oktober 2013 en van 4 september 2014 van de kantonrechter in de rechtbank Noord- Nederland, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 3 december 2014, uitsluitend gericht tegen het eindvonnis van 4 september 2014;

- de memorie van grieven (met producties) d.d. 24 maart 2015;

- de memorie van antwoord d.d. 21 juli 2015;

- het comparitie-arrest van 8 september 2015;

- het proces-verbaal van de comparitie d.d. 15 oktober 2015.

Vervolgens hebben partijen op de rolzitting van 27 oktober 2015 om arrest verzocht en heeft het hof een datum voor arrest bepaald.

2.2

De vordering van [appellant] luidt:

“Dat het gerechtshof moge behagen bij het arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, afdeling privaatrecht, van 4 september 2014, gewezen tussen appellant als eiser en geïntimeerde als gedaagde te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van appellant alsnog toe te wijzen, althans zijn vorderingen toe te wijzen als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties.”

3 Ten aanzien van de feiten

Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.

3.1

[appellant] (geboren [geboortedatum] ) is op [datum] bij - de rechtsvoorgangster van - het ziekenhuis in dienst getreden. Aanvankelijk werkte hij als schoonmaker, later in de functie van beheerder mortuarium/obductie-assistent op de locatie Delfzicht (ziekenhuis Delfzijl), voor een contractuele arbeidsduur, van 40 uur per week en een daarmee samenhangend aanstellingspercentage van 111,11% (gelet op de kortere CAO-arbeidsduur), tegen een brutosalaris van laatstelijk € 3.555,52 per maand.

Het takenpakket van [appellant] is sedert 2006 enige malen aangepast. In dat jaar vervielen zijn werkzaamheden als obductie-assistent en kreeg hij een aantal taken op het gebied van terrein en groenbeheer, die hem later weer gedeeltelijk ontnomen werden. Voor zijn uitval bestond zijn takenpakket uit mortuariumwerkzaamheden en het coördineren van de ongediertebestrijding in het ziekenhuis (niet de bestrijding zelf).

3.2

[appellant] opleiding bestaat uit Lagere Technische School, Middelbare Handelsschool (avond) en een opleiding tot uitvaartverzorger.

3.3

[appellant] is op 21 januari 2010 uitgevallen wegens ziekte (neuropathie en nek- en rugklachten) die hem belemmerde bij staan en lopen. Aanvankelijk kon hij zijn werk nog voor 50% doen (uitsluitend het mortuariumdeel), doch de bedrijfsarts heeft hem met ingang van 23 november 2010 volledig ongeschikt voor zijn eigen werk verklaard.

3.4

Daarna is [appellant] aangepast (administratief) werk aangeboden op het mortuarium. De eigenlijke werkzaamheden op het mortuarium werden verricht door CMO. [appellant] was het daar niet mee eens en meende dat hij de werkzaamheden in het mortuarium wel kon continueren.

3.5

Op 11 januari 2011 is een arbeidsdeskundig advies over [appellant] opgesteld. De arbeidsdeskundige Hajiagha acht hem ongeschikt voor zijn eigen werk, behoudens een onderdeel van het werk in het mortuarium waar [appellant] op dat moment voor 6 uur in de week werkzaamheden verrichtte.

3.6

Op 7 juli 2011 heeft de manager facilitaire zaken [appellant] uitgenodigd voor een gesprek. Daarin schrijft deze:

"U bent nog steeds aangesteld in de functie van beheerder mortuarium/obductieassistent Door uw arbeidsongeschiktheid kunt u deze functie niet meer in de volle breedte uitoefenen. De OZG heeft het advies overgenomen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige waarin wordt aangegeven dat u niet meer geschikt bent voor uw eigen functie, maar wel twintig uur per week aangepaste werkzaamheden kunt verrichten in de eigen functie. Hieraan is vanaf 1 december 2010 uitvoering gegeven. Voor de werkzaamheden die u niet meer kunt uitvoeren is tijdelijk een andere oplossing gevonden. Dit heeft geen samenhang met het traject uitbesteding mortuarium.

In de gesprekken heeft u verder aangegeven open te staan voor een vertrekregeling indien uw werkzaamheden komen te vervallen. Dit is echter niet het standaardbeleid van de OZG. Ons uitgangspunt is eerst te zoeken naar een passende vervangende functie voor de medewerker. Nu het besluitvormingstraject rondom de uitbesteding van het mortuarium is afgerond en uw functie komt te vervallen zult u aangemerkt worden als herplaatsingskandidaat. Vanuit deze status wil ik graag met u in gesprek om te praten over vervangende werkzaamheden."

3.7

Op de daarop volgende maandag 11 juli 201 heeft [appellant] zich geheel ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft op 14 juli 2011 met hem gesproken en geconcludeerd dat sprake was van een werkgerelateerd conflict. Een aanbod tot mediation is door [appellant] afgewezen.

3.8

Op 21 juli 2011 berichtte het ziekenhuis [appellant] dat het mortuarium naar verwachting in het vierde kwartaal zal worden uitbesteed. [appellant] werd opgeroepen voor een gesprek. [appellant] achtte zich niet geschikt voor dit gesprek. De bedrijfsarts achtte hem daartoe wel in staat. Vervolgens is psychiatrische rapportage afgesproken.

3.9

Dit heeft geresulteerd in een rapport van de psychiater/neuroloog Kemperman d.d.

3 november 2011 (productie 29) die tot de conclusie komt dat [appellant] een zich gekrenkt voelende man is, omdat hij, na 42 jaar dienst, er met de botte bijl uit zou worden gegooid. Hij voelt zich somber en drinkt te veel alcohol. Voorts constateert Kemperman een aanpassingsstoornis gefundeerd op een persoonlijkheidsvariant. Hierdoor is [appellant] verminderd belastbaar in die zin dat klachten kunnen verergeren in situaties van hoge werkdruk. [appellant] is aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, hij is niet in staat leiding te geven.

3.10

Het ziekenhuis heeft het mortuarium in 2011 geheel uitbesteed aan CMO.

3.11

Met ingang van 19 januari 2011 ontvangt [appellant] een loongerelateerde WGA-uitkering (WGA = werkhervatting gedeeltelijke arbeidsgeschikten) van het UWV in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

3.12

Op 23 maart 2012 heeft het ziekenhuis een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV omdat [appellant] twee jaar ziek is geweest.

3.13

[appellant] heeft in die procedure verweer gevoerd, doch zich daarbij niet tegen het ontslag als zodanig gekeerd. Wel heeft hij aangekondigd een kennelijk onredelijk ontslagprocedure te gaan starten.

3.14

Het UWV heeft advies ingewonnen waaruit bleek dat sprake is van voortdurende arbeidsongeschiktheid en het ontbreken van mogelijkheden tot aangepast werk, ook niet met behulp van scholing. Het UWV heeft vervolgens bij beschikking van 2 mei 2012 het ziekenhuis de gevraagde toestemming verleend. Het ziekenhuis heeft met gebruikmaking daarvan bij brief van 21 mei 2012 de arbeidsovereenkomst tegen 1 september 2012 opgezegd.

3.15

[appellant] is op 29 mei 2013 onderzocht door de verzekeringsarts in het kader van de WIA. De arts heeft hem beperkt geacht in zijn handelingstempo, uiten eigen gevoelens, omgaan met conflicten en hem aangewezen geacht op vaste, voorspelbare werkzaamheden zonder tijdsdruk, zonder leidinggevende aspecten en waarbij hij niet veelvuldig gestoord wordt. Verder zijn de lichamelijke probleem nog aanwezig, zodat hij voor niet meer dan

4 uur per dag/20 uur per week belastbaar is te achten. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens op basis van deze beperkingen de verdiencapaciteit van [appellant] op nihil gesteld, waarna zijn uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid is gecontinueerd.

4 De vordering en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg gesteld dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. Volgens hem is er sprake van een voorgewende reden, omdat hij feitelijk is ontslagen vanwege de reorganisatie/uitbesteding van het mortuarium.

4.2

Voorts heeft hij aangevoerd dat hij is uitgevallen vanwege suboptimale werkomstandigheden in het mortuarium. Daarnaast heeft hij gewezen op de gevolgen van zijn ontslag omdat hij zich nooit heeft kunnen ontwikkelen op persoonlijk en educatief vlak en niet bemiddelbaar is voor werkzaamheden binnen een andere setting dan het ziekenhuis.

4.3

Als schade vordert hij het verschil tussen zijn uitkering en zijn salaris, inclusief een door hem gestelde overurencomponent van € 1.318,24 per maand, berekend tot zijn 67ste jaar, door hem berekend op € 155.222,78 te vermeerderen met een bedrag aan pensioenschade van € 23.850,-. Voorts heeft hij nog een bedrag aan niet uitbetaalde vakantiedagen van € 3.154,25 gevorderd (te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging) en € 3.025,- aan buitengerechtelijke incassokosten.

4.4

De kantonrechter heeft geoordeeld dat van een voorgewende reden geen sprake is. Het ziekenhuis heeft de mortuariumwerkzaamheden eerst tijdelijk uitbesteed aan CMO en pas definitief aan CMO overgedragen nadat [appellant] deze niet meer kon verrichten. [appellant] heeft evenmin aangetoond dat er sprake is van een verband tussen zijn fysieke beperkingen en het door hem verrichte werk in het mortuarium.

Voor een vergoeding op basis van het gevolgencriterium dienen omstandigheden te worden gesteld en zo nodig bewezen die in de kern inhouden dat het ontslag is gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap. Daarvan is volgens de kantonrechter geen sprake. [appellant] kon vanwege zijn beperkingen de vervangende werkzaamheden ook niet meer verrichten.

4.5

De niet opgenomen vakantiedagen zijn door het ziekenhuis voor de uitspraak erkend en uitbetaald.

5 De beoordeling van de grieven

5.1

Grief I richt zich tegen de vaststelling van de feiten door de kantonrechter. Deze grief behoeft geen verdere behandeling meer omdat het hof de feiten hiervoor zelfstandig heeft vastgesteld.

5.2

Met de grieven II en III komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat van een valse of voorgewende reden voor ontslag geen sprake is en tegen de daaraan ten grondslag liggende motivering. De grieven IV tot en met VII richten zich tegen de afwijzing van het beroep op het gevolgencriterium. Grief VIII vat het voorgaande samen. Met grief IX poneert [appellant] ten slotte dat hij ten onrechte is veroordeeld in de kosten van de procedure.

5.3

Het hof zal de grieven onderwerpsgewijs bespreken.

5.4

Op grond van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder a en b (oud) BW dat op deze procedure nog toepasselijk is, zal opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kennelijk onredelijk kunnen worden geacht wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse reden (artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder a (oud) BW) en wanneer, mede in aanmerking genomen de al dan niet voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging (artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b (oud) BW).

Voorgewende of valse reden

5.5

Een voorgewende reden is een bestaande reden die niet de werkelijke ontslaggrond is; een valse reden is een niet bestaande reden.

5.6

Het ziekenhuis heeft [appellant] ontslagen nadat hij gedurende twee jaar wegens ziekte de bedongen arbeid niet heeft kunnen verrichten. Op 21 mei 2012 was [appellant] reeds meer dan twee jaar wegens ziekte niet in staat om zijn werk te verrichten, zodat van een valse ontslagreden geen sprake is.

5.7

Het betoog van [appellant] dat hij feitelijk zou zijn ontslagen omdat het ziekenhuis het mortuarium heeft uitbesteed, blijkt evenmin uit de gedingstukken. Op het moment dat [appellant] uitviel - 21 januari 2010 - wegens wat later bleek neurasthenie te zijn en verdere klachten van het bewegingsapparaat, was hij nog volop werkzaam als beheerder van het mortuarium waar hij verder als enige ziekenhuismedewerker werkzaam was. Het ziekenhuis moest daarna iemand regelen voor de taken die [appellant] niet meer kon verrichten, hetgeen CMO werd. Nadat hij voor zijn werkzaamhedenpakket ongeschikt is verklaard, is het ziekenhuis op zoek gegaan naar een alternatieve invulling van het mortuarium. Dat het ziekenhuis daarbij ook gekeken heeft naar haar andere locatie (Winschoten) en voor één beleid heeft gekozen, maakt nog niet dat het ziekenhuis de ziekte van [appellant] heeft aangegrepen om hem zonder vergoeding te ontslaan.

5.8

Overigens stond het het ziekenhuis vrij om haar beleid ten aanzien van het mortuarium te wijzigen en had zij deze taak ook mogen afstoten indien [appellant] niet ziek was geweest, mits zij voor [appellant] een andere functie had gezocht, voor zover [appellant] niet van rechtswege mee over zou gaan naar CMO. Het ziekenhuis heeft voor [appellant] naar aangepast werk gezocht, ook buiten het mortuarium nadat dat was afgestoten. Dat die vervangende administratieve werkzaamheden niet geschikt voor [appellant] waren - behoudens de problemen die [appellant] hiermee had voortvloeiende uit zijn geestelijke gesteldheid - is gesteld noch gebleken.

5.9

De stelling dat [appellant] al dan niet gedeeltelijk van rechtswege in dienst is gekomen bij CMO wegens overdracht van onderneming is door geen van beide partijen betrokken, zodat het hof daaraan verder voorbij zal gaan. Dat geldt ook voor zover [appellant] heeft opgemerkt dat hij bij de wijziging in 2006, waarbij zijn werkzaamheden als obductie-assistent en de laboratoriumwerkzaamheden zijn overgenomen door een derde partij, van rechtswege deels in dienst van die derde had moeten treden. [appellant] heeft immers zelf aangevoerd dat hij op verzoek van het ziekenhuis geheel in dienst van het ziekenhuis is gebleven.

5.10

De stelling van [appellant] dat het ziekenhuis vanwege de re-integratiemogelijkheden van [appellant] gehouden was om het mortuarium in eigen beheer te houden opdat [appellant] mogelijk daarin zijn werkzaamheden (deels) zou kunnen hervatten, wordt door het hof, gelet op het voorgaande, dan ook verworpen. Het ziekenhuis was niet gehouden om de wijze waarop zij het mortuarium organisatorisch vorm wenste te geven, in verregaande mate op de wensen van [appellant] af te stemmen.

5.11

Het hof acht dan ook niet aangetoond dat sprake is van een valse of voorgewende reden.

Het hof zal de argumenten omtrent de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid die in de toelichting op deze grieven voorts zijn aangevoerd, bespreken bij de vraag of op grond van het gevolgencriterium een vergoeding geïndiceerd is.

5.12

Het hof constateert overigens dat enerzijds [appellant] ' stellingen omtrent de geschiktheid van de werkzaamheden in het mortuarium niet geheel congruent zijn met de feiten zoals die uit het dossier blijken, terwijl anderzijds zijn standpunt over de zwaarte van dit werk niet consistent is. Het hof beperkt zich bij de bespreking van die argumenten tot de situatie na 2006.

5.13

De stelling van [appellant] dat hij naar aanleiding van het rapport van de arbeidsdeskundige Hajiagha van Prové Advies van januari 2011 door de bedrijfsarts geschikt is verklaard voor zijn eigen werk als beheerder-obductieassistent mortuarium, vindt naar 's hofs oordeel geen steun in dat rapport (prod. 3 bij inleidende dagvaarding). Daarin schrijft de arbeidsdeskundige

"Gesprek met cliënt

(…) Cliënt werkt in het mortuarium, waar het koud is. Dit verergert zijn klachten.

(…) Op 20 december 2010 heb ik de werkplek van cliënt bezocht. Het betreft een rustige werkomgeving. Op het moment dat iemand komt te overlijden, wordt de overledene naar het mortuarium gebracht. Cliënt zorgt ervoor dat de overleden 'netjes' wordt gemaakt, eventuele machines worden verwijderd en eventuele hechtingen worden eruit gehaald. De middelen waar cliënt mee moet werken zijn aangepast en de tafels zijn in hoogte verstelbaar. Cliënt vertelde mij dat hij gemiddeld zes uur per week met dit werk bezig is en dat hij, met de ongediertebestrijding erbij, in totaal 10 uur per week actief is.

(…)

Cliënt heeft een fulltime functie, maar werkt, vanwege zijn forse fysieke beperkingen, 20 uur per week. De functie is in de afgelopen jaren veel veranderd, een deel van de functie is uitbesteed en andere delen lijken te zwaar. Cliënt is wel geschikt voor het onderdeel 'mortuarium' maar dit is niet de volledige functie, slechts een onderdeel ervan en cliënt werkt hier zes uur per week. Ik kan dan ook niet anders concluderen dan dat cliënt ongeschikt is voor zijn volledige eigen functie, waarbij ik wil opmerken dat cliënt wel geschikt is voor het onderdeel 'mortuarium'."

5.14

Hieruit kan het hof niet afleiden dat [appellant] geschikt is bevonden voor 20 uur arbeid per week in het mortuarium met alle daarbij voorkomende werkzaamheden.

5.15

[appellant] was als beheerder van het mortuarium in verregaande mate baas over zijn eigen tijd en ook over de registratie van overuren. Het ziekenhuis heeft aangevoerd dat er gemiddeld drie à vier overledenen per week waren in het ziekenhuis en dat daarmee gemiddeld 1,5 uur per overledene gemoeid was aan werkzaamheden voor [appellant] . Dat komt in totaal dus neer op maximaal 6 uur in de week, hetgeen redelijk overeenkomt met het aantal uren dat [appellant] aan Hajiagha heeft opgegeven. Volgens [appellant] kwamen daarbij nog overledenen die van buiten het ziekenhuis naar het mortuarium werden overgebracht, hetgeen het ziekenhuis heeft betwist. Als dit al voorkwam was het incidenteel. Ter comparitie bij het hof is gebleken dat [appellant] indien hij een afspraak met een uitvaartverzorger maakte na werktijd, hij dit als overuren registreerde en deze apart uitbetaald kreeg, bovenop de 111%-aanstelling die hij ook al in verband met de gestelde overuren had. [appellant] kon zelf beslissen wanneer hij uitvaartondernemers uitnodigde. Eerst op een laat moment gedurende zijn ziekte is hij erop gewezen dat hij in plaats van overuren te schrijven beter een en ander met uitbetaalde uren kon compenseren. Het betoog van [appellant] dat hij elk weekend bereikbaar moest zijn, is door het ziekenhuis ook gemotiveerd betwist. Het was veeleer de eigen verkiezing van [appellant] om beschikbaar te zijn, terwijl het aantal keren dat hij daadwerkelijk in een weekend, gedurende beperkte tijd, werkzaamheden moest verrichten, zeer beperkt was. Het hof acht niet aangetoond dat het ziekenhuis op dit punt stelselmatig de CAO heeft overtreden, terwijl het aantal uren dat blijkens de loonstrookjes is verloond, gelet op het voorgaande geen reëel beeld biedt van de daadwerkelijk gewerkte uren.

Tegen dit licht is het overigens begrijpelijker dat [appellant] in de procedure steeds heeft benadrukt dat hij de werkzaamheden in het mortuarium wilde blijven vervullen, maar in deze procedure telt dat argument uiteraard niet.

Het beroep op het gevolgencriterium

5.16

Ingevolge HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2206 dient de rechter bij de beoordeling of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen (HR 3 december 2004, NJ 2005, 119). In 's hofs arrest d.d. 7 juli 2009, LJN: BJ1688 is een lijst van omstandigheden opgesomd, welke lijst niet uitputtend is en aangevuld kan worden door concrete omstandigheden die spelen in de zaak tussen partijen.

Slechts indien is geoordeeld dat de opzegging kennelijk onredelijk is, komt de schadevergoeding aan de orde. Het enkele feit dat geen afvloeiingsregeling is getroffen, maakt een ontslag nog niet kennelijk onredelijk (HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9332).

5.17

[appellant] betoogt in dit verband primair dat zijn arbeidsongeschiktheid werkgerelateerd is en aan het ziekenhuis is te wijten. Het hof stelt daarbij voorop dat bij een dergelijke invulling van de kennelijke onredelijkheid de bewijslast onverkort op de werknemer, dus in dit geval [appellant] , ligt (vgl. HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5629 en HR 16 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1793). Het hof oordeelt dat voor de lichamelijke klachten niet blijkt dat deze aan het ziekenhuis zijn te wijten. Voor zover al uit het dossier kan worden afgeleid dat de nek- en rugklachten werkgerelateerd zijn, blijkt uit de gedingstukken dat het ziekenhuis, nadat deze klachten in de jaren '90 voor het eerst speelden, de apparatuur en de stoel van [appellant] heeft aangepast, waarvan ook melding wordt gemaakt in het hiervoor onder 5.13 aangehaalde arbeidsdeskundig rapport, zodat niet kan worden volgehouden dat het ziekenhuis op dit punt onder de maat heeft gehandeld. Voor de neurasthenie geldt dat in het geheel geen aanwijzing is overgelegd dat deze aandoening werkgerelateerd is.

5.18

De psychische klachten van [appellant] zijn blijkens het rapport van Kemperman wel werkgerelateerd (zie r.o. 3.6) maar ook hiervoor geldt dat er geen aanwijzing is dat het ziekenhuis ten aanzien van het ontstaan daarvan verwijtbaar heeft gehandeld. De klachten zijn ontstaan omdat [appellant] teleurgesteld was en had gehoopt dat hij tot zijn pensioen in het mortuarium kon blijven werken, en dat als het mortuariumwerk kwam te vervallen, zijn pensioen maar vervroegd moest worden. Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat er voor het ziekenhuis geen rechtsplicht aanwezig was om het mortuarium in stand te houden. Evenmin kon [appellant] in rechte aanspraak maken op een vertrekregeling: het ziekenhuis heeft gemotiveerd aangetoond dat zijn sociaal plan een dergelijke regeling niet kent in geval van uitval wegens ziekte en evenmin kan worden volgehouden dat het ziekenhuis verplicht was een dergelijke regeling in het leven te roepen.

5.19

Uit het rapport van Kemperman blijkt voorts dat de psychische klachten van [appellant] ook in hem zelf gelegen oorzaken hebben. Voor de eveneens door [appellant] betrokken stelling dat deze in zijn eigen geestesgesteldheid gelegen zwakheden aan het ziekenhuis moeten worden toegerekend omdat zij hem decennialang op een solitaire werkplek hebben laten werken, ontbreekt elk bewijs in de stukken. Uit het rapport van Kemperman kan in ieder geval niet worden afgeleid dat de aard van de werkzaamheden de persoonlijkheidsproblematiek en het alcoholprobleem van [appellant] hebben veroorzaakt.

Ook de stelling dat [appellant] te hard heeft gewerkt en te weinig vakantie heeft genoten doordat het ziekenhuis hem daartoe niet genoeg aanspoorde en dat daarin een verband met de uitval van [appellant] is gelegen, vindt geen steun in de stukken.

5.20

[appellant] heeft voorts nog gewezen op zijn eenzijdige arbeidsverleden en zijn geringe opleiding. Het hof is van oordeel dat niet blijkt dat het ziekenhuis hierin veel valt te verwijten. [appellant] heeft zelf voor de redelijk zelfstandige positie in het mortuarium gekozen. Uit het onder 3.15 genoemde arbeidskundige rapportage blijkt ook niet dat de opleiding of het arbeidsverleden de voornaamste hobbels zijn waarom [appellant] geen reëel benutbare mogelijkheden meer heeft op de arbeidsmarkt, maar dat deze meer zijn gelegen in zijn persoonlijkheidsstructuur.

5.21

Het verwijt dat het ziekenhuis na het aan het licht komen van de psychische problemen tekort is geschoten in de begeleiding van [appellant] is evenwel niet geheel ongegrond. [appellant] heeft aanvankelijk de door het ziekenhuis voorgestelde mediation afgewezen (zie productie 23 zijdens het ziekenhuis); daarna heeft zich daartoe wel bereid verklaard - alhoewel hij zijn zinnen toen vooral heeft gezet op een afvloeiingsregeling. Uit het naderhand opgemaakte rapport van Kemperman bleek in ieder geval overduidelijk dat [appellant] zich door het ziekenhuis gekwetst voelde. Het ziekenhuis heeft de keuze gemaakt om pas een nadere mediationpoging te wagen nadat [appellant] weer (gedeeltelijk) arbeidsgeschikt zou zijn verklaard. Dit is niet gebeurd voordat wegens het overschrijden van de twee-jaarstermijn bij ziekte een ontslagvergunning is aangevraagd. Hoewel het hof, mede gelet op de verdere inhoud van het rapport van Kemperman, betwijfelt of een nadere gespreksronde alsnog tot benutbare arbeidsmogelijkheden van [appellant] had geleid, had het wel op de weg van het ziekenhuis gelegen om, mede gelet op het zeer lange dienstverband met [appellant] , daartoe een uiterste poging te doen en ten minste te trachten om het moment van afscheid nemen minder pijnlijk te maken.

5.22

Bij dit niet geheel ongelukkige traject na het rapport van Kemperman kan ook nog betrokken kan worden dat het ziekenhuis aanvankelijk enige soort van individuele vertrekregeling (dus los van het sociaal plan dat daartoe geen ruimte bood) in overweging heeft genomen (zie productie 25 zijdens het ziekenhuis) en dat heeft afgeblazen onder meer omdat [appellant] zelf daartoe geen goede voorstellen heeft gedaan.

5.23

Een en ander maakt dat het hof de grieven op dit onderdeel gegrond acht en het ontslag kennelijk onredelijk acht wegens een gebrekkig nazorgtraject.

5.24

Deze conclusie maakt evenwel geenszins dat de vordering van [appellant] toewijsbaar is. De vordering van [appellant] is de schade die hij lijdt ten gevolge van het ontslag als zodanig en komt neer op het bedrag dat hij gemist heeft ten gevolge van het ontslag. Vaste jurisprudentie bij het "gevolgencriterium" is dat schadevergoeding er vooral toe dient aan de benadeelde een zekere mate van genoegdoening te verschaffen die in overeenstemming is met de aard en ernst van de tekortkoming van de wederpartij (zie HR 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4472).

In dit geval gaat het niet om een grote tekortkoming aan de zijde van het ziekenhuis en is de toe te kennen schadevergoeding dan ook niet veel meer dan een pleister op de wonde.

Ter comparitie heeft [appellant] verklaard dat hij thans, totdat hij zijn ouderdomspensioen ontvangt, een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt van € 1.850,- netto. Vrees voor terugval naar bijstandsniveau behoeft [appellant] derhalve niet te hebben. Het hof acht, alles afwegende, een vergoeding van € 100,- per maand, vanaf zijn ontslagdatum tot zijn pensioendatum in augustus 2016 - derhalve 96 maanden, of te wel € 9.600,- bruto - toewijsbaar (daarin begrepen een vergoeding voor reeds opeisbare rente en een korting voor nog niet verschenen termijnen). Voor een verklaring voor recht als daarnaast gevorderd acht het hof geen belang aanwezig.

De proceskosten

5.25

Ten aanzien van de proceskosten ziet het hof, gelet op deze uitkomst, aanleiding om de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, te compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten dient te dragen.

De slotsom

5.26

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoende, het ziekenhuis veroordelen tot betaling van € 9.600,- (bruto), onder compensatie van de proceskosten in beide instanties.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Groningen van 4 september 2014 en doet opnieuw recht;

veroordeelt het ziekenhuis om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen een brutobedrag van € 9.600,- ;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

compenseert de kosten van de procedure in beide instanties in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.E.L. Fikkers en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 22 maart 2016.