Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2311

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
07-04-2016
Zaaknummer
200.151.622
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg statuten ondernemersvereniging. Gebondenheid aan besluit algemene ledenvergadering over te betalen ondernemersbijdrage voor herinrichtingsplan. Redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1033
OR-Updates.nl 2016-0113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.151.622

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn 2475625)

arrest van 22 maart 2016

in de zaak van

de vereniging Ugchelenplaza Ondernemersvereniging,

gevestigd te Ugchelen, gemeente Apeldoorn,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Ugchelenplaza,

advocaat: mr. F.J.M. Kobossen,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Rosaly Mode B.V.,

gevestigd te Ugchelen, gemeente Apeldoorn,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Rosaly Mode,

advocaat: mr. M.W. Verhoeven.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 30 juni 2015 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit de comparitie van partijen op 11 november 2015.

1.3

Hierna heeft het hof opnieuw arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Rosaly Mode voert haar onderneming vanuit een door haar gehuurd pand aan de Ugchelseweg 175 te Ugchelen. Zij was in 2006 lid van Ugchelenplaza.

2.2

In de statuten van Ugchelenplaza is het volgende opgenomen:

“(…) Artikel 7.

  1. (…)

  2. (…) Een lid kan voorts zijn lidmaatschap met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een maand nadat hem een besluit waarbij zijn rechten zijn beperkt of zijn verplichtingen zijn verzwaard, is bekend geworden of medegedeeld; het besluit is alsdan niet op hem van toepassing.
    De bevoegdheid tot opzegging van het lidmaatschap met onmiddellijke ingang komt echter niet aan de leden toe ingeval van wijziging van geldelijke rechten en verplichtingen.

  3. (…)

Artikel 9.

Door middel van een besluit genomen door de algemene vergadering kunnen verbintenissen aan het lidmaatschap worden verbonden. Een dergelijk besluit kan slechts worden genomen met een meerderheid van ten minste twee/derde gedeelte der uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste twee/derde van het aantal stemmen dat door stemgerechtigden gezamenlijk kan worden uitgebracht vertegenwoordigd is.”

2.3

Op 15 november 2006 heeft Ugchelenplaza een ledenvergadering gehouden, waarbij [A.], bestuurder van Rosaly Mode, aanwezig was. Ter vergadering is gesproken over herinrichtingsplannen voor de Ugchelseweg en, op termijn, de Molencatenlaan. In de notulen van deze vergadering, met het opschrift “Notulen Ledenvergadering Herinrichting Ugchelseweg” is het volgende te lezen:

“(…) Om 20:00 opent de voorzitter de vergadering. Hij geeft kort het doel aan van de vergadering. Uitleg geven over de kosten en verdeelsleutel met betrekking tot de herinrichting van de Ugchelseweg. Aansluitend zal worden gestemd over de doorgang van het plan. Hierbij dient 2/3 van de leden aanwezig te zijn. Deze zijn aanwezig.

De herinrichting van de Ugchelseweg is de beginstap op iets te bereiken. Iets dat moet leiden tot een aantrekkelijker Ugchelen voor alle partijen en betrokkenen.

Er zijn een drietal groepen benoemd onder de leden. Te weten A, B en C.

Ter verduidelijking:

  1. direct betrokken deelnemer

  2. aanliggende betrokken deelnemer

  3. overige leden

De drie groepen zijn gebaseerd op het effect en de kansen van de herinrichting op de betreffende ondernemer. (Hierbij is niet alleen gekeken naar deze beginstap, maar ook naar bovengenoemde zaken op langere termijn (Molencatenlaan/totaalplaatje)).

Het bedrag dat moet worden gerealiseerd bedraagt € 150.000,-. Verdeeld over twee groepen:

Ondernemersgedeelte € 105.000,-

Eigenarengedeelte € 45.000,-

(…)

De heer [B.] (blijkens de notulen lid van het bestuur, hof) geeft een korte uitleg over het uitgedeelde rekenvoorbeeld met betrekking tot de financiering. Enkele belangrijke punten zijn hierbij:

  • -

    De bijdrage is eenmalig. Er zal, wanneer er een fase 2 komt (Molencatenlaan), niet opnieuw om een ondernemersbijdrage gevraagd worden.

  • -

    (…)

De heer [C.] vraagt hoe de financiering van de Molencatenlaan is geregeld.

De voorzitter antwoord dat de Molencatenlaan wordt betaald uit de bijdrage eigenaren Molencatenlaan (intentieverklaring).

Na een korte discussie over groepen en uitleg is alles duidelijk en gaan we over tot de stemming.

Stemming

Stelling: Ik ben akkoord met de verdeelsleutel, zoals uitgelegd en voorgesteld met betrekking tot de herinrichting Ugchelseweg, voor mijn specifieke ondernemersbijdrage.

Resultaat:

VOOR stemmers 22

TEGEN stemmers 5

Niet gestemd 2

Ongeldig 1

(…)”.

2.4

Bij e-mail van 8 februari 2007 heeft Rosaly Mode haar lidmaatschap van Ugchelenplaza opgezegd. Als reden daarvoor gaf zij op dat in De Stentor van die datum een artikel was verschenen over winkelcentrum Ugchelen, waarin werd gemeld dat het pand van Rosaly Mode gesloopt zou gaan worden. Aan Rosaly Mode was niets bekend over concrete plannen op dit punt. Bij navraag had de betreffende journalist aangegeven dat hij deze informatie had gekregen van de voorzitter van Ugchelenplaza. De voorzitter van Ugchelenplaza had dit bij telefonische navraag haastig ontkend. Rosaly Mode stoorde zich zeer aan het bericht. Omdat voor Rosaly Mode onduidelijk was wat er nu precies wel of niet was beweerd door de voorzitter, in combinatie met de curieuze houding zijnerzijds tijdens het telefoongesprek, leek het Rosaly Mode verstandig per direct haar lidmaatschap te beëindigen, aldus de e-mail.

2.5

In 2007 is de herinrichting van de Ugchelseweg uitgevoerd. Bij factuur van 8 april 2010 heeft de gemeente Apeldoorn een bedrag van € 105.000,- aan Ugchelenplaza in rekening gebracht als bijdrage voor deze herinrichting.

2.6

Bij factuur van 11 januari 2011 heeft Ugchelenplaza aan Rosaly Mode € 4.077,67 in rekening gebracht onder de omschrijving “Betaling Renovatie Ugchelseweg”. Rosaly Mode heeft deze factuur niet betaald.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Ugchelenplaza heeft in eerste aanleg betaling door Rosaly Mode gevorderd van het bedrag van € 4.077,67, althans € 3.603,64, te vermeerderen met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten. Ugchelenplaza heeft hieraan ten grondslag gelegd dat Rosaly Mode gehouden is conform het besluit van de vergadering van 15 november 2006 de ondernemersbijdrage te betalen. Het bedrag voor de ondernemers die in groep A waren ingedeeld was aanvankelijk vastgesteld op € 3.603,64. Omdat de twee nieuw te vestigen ondernemingen die ook in groep A waren ingedeeld niet van de grond zijn gekomen, is dit bedrag verhoogd naar € 4.077,67. Het bedrag dat aan de gemeente betaald moet worden, is immers gelijk gebleven, aldus Ugchelenplaza.

3.2

Rosaly Mode heeft verweer gevoerd.

3.3

De kantonrechter heeft bij het vonnis van 9 april 2014 de vordering afgewezen en Ugchelenplaza veroordeeld in de proceskosten.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

Ugchelenplaza komt met één grief op tegen het vonnis van 9 april 2014. Zij heeft daarbij de grondslag van haar eis gewijzigd, in die zin dat zij thans subsidiair ongerechtvaardigde verrijking aan haar vordering ten grondslag legt. Zij vordert dat het hof het vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen uit de inleidende dagvaarding integraal zal toewijzen, met veroordeling van Rosaly Mode in de kosten van beide instanties. Rosaly Mode heeft de grief bestreden. Voor het geval het hof de grief van Ugchelenplaza mocht honoreren, heeft zij voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld om haar overige verweren onder de aandacht te brengen van het hof. Zij concludeert dat het hof het bestreden vonnis, zo nodig met verbetering van gronden, zal bekrachtigen en Ugchelenplaza zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

4.2

Met haar grief keert Ugchelenplaza zich tegen de overweging van de kantonrechter dat het verweer van Rosaly Mode slaagt, nu onbetwist is gebleven dat de opzegging van Rosaly Mode direct verband hield met haar onvrede over het genomen besluit en het herinrichtingsplan en de wens om daar niets meer mee van doen te hebben en het in deze omstandigheden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om Rosaly Mode wel aan het besluit te houden alleen omdat haar opzegging te laat gedaan zou zijn, en dat de vordering daarom moet worden afgewezen (rov. 4.5 en 4.6 van het vonnis).

4.3

Het hof stelt voorop dat artikel 7 lid 2 van de statuten van Ugchelenplaza de bevoegdheid geeft aan een lid om zijn lidmaatschap met onmiddellijke ingang op te zeggen binnen een maand nadat hem een besluit waarbij zijn rechten zijn beperkt of zijn verplichtingen zijn verzwaard is bekend geworden of medegedeeld, in welk geval het besluit niet op hem van toepassing is. In de daarop volgende volzin is bepaald dat deze bevoegdheid niet geldt in geval van wijziging van geldelijke rechten en verplichtingen. Naar het oordeel van het hof brengt een uitleg van deze bepaling naar objectieve maatstaven - waarbij mede acht wordt geslagen op de elders in de statuten gebruikte formuleringen en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden - echter mee dat de bedoelde uitzondering slechts geldt voor een wijziging van bestaande financiële rechten en verplichtingen (zoals een wijziging van de jaarlijkse bijdrage (contributie) als bedoeld in artikel 8 van de statuten). Dit is ook de uitleg die Ugchelenplaza aan de bepaling geeft. Voor zover Rosaly Mode een andere uitleg bepleit, heeft zij daarvoor onvoldoende argumenten aangevoerd.

4.4

Rosaly Mode betwist dat tijdens de ledenvergadering van 15 november 2006 een besluit over deelname aan het herinrichtingsplan is genomen. Volgens haar is slechts over de verdeelsleutel gestemd. Zij meent daarom dat het standpunt van Ugchelenplaza dat zij niet binnen de in artikel 7 lid 2 van de statuten genoemde termijn heeft opgezegd niet opgaat.

In dat betoog volgt het hof Rosaly Mode niet. Uit de notulen van de ledenvergadering van 15 november 2006, zoals hiervoor in rov. 2.3 geciteerd, volgt onmiskenbaar dat tijdens deze vergadering niet slechts een besluit over de verdeelsleutel, maar ook over de uitvoering van het plan is genomen. Als doel van de vergadering is immers aangegeven dat uitleg zou worden gegeven over de kosten en verdeelsleutel met betrekking tot de herinrichting van de Ugchelseweg en dat aansluitend zou worden gestemd over de doorgang van het plan. Blijkens de notulen is dat ook gebeurd: eerst is uitleg over deze onderwerpen gegeven en heeft discussie daarover plaatsgevonden, daarna is de stemming gevolgd. Uit de formulering van de in stemming gebrachte stelling (“Ik ben akkoord met de verdeelsleutel, zoals uitgelegd en voorgesteld met betrekking tot de herinrichting Ugchelseweg, voor mijn specifieke ondernemersbijdrage”) volgt ook niet dat de besluitvorming zich alsnog tot de verdeelsleutel heeft beperkt. Dat er nog een keuze over het materiaal moest worden gemaakt, doet aan het voorgaande ook niet af. Aangenomen moet dan ook worden dat het besluit tevens een akkoord met het plan inhield. Niet in geschil is dat Rosaly Mode in de persoon van haar bestuurder ter vergadering aanwezig was. Zij moet dus ook geacht worden van dit besluit kennis te hebben genomen. In feite heeft Rosaly Mode dit tijdens de comparitie in hoger beroep ook erkend: haar bestuurder heeft verklaard dat hij die avond begreep dat “dit het dan was”, dat men het plan wilde uitvoeren en dat het hem geld zou gaan kosten.

4.5

Tussen partijen is niet in geschil dat het bij dit besluit niet om een wijziging van bestaande verplichtingen, maar om de oplegging van een nieuwe verplichting ging, te weten een eenmalige ondernemersbijdrage ter realisering van het herinrichtingsplan. Als Rosaly Mode zich daaraan niet had willen onderwerpen, had zij dan ook binnen een maand na de vergadering waarop zij met het besluit bekend werd haar lidmaatschap kunnen en moeten opzeggen. Het argument dat zij geen reële mogelijkheid heeft gehad om zich aan dit besluit te onttrekken, gaat dus niet op.

4.6

Het hof ziet verder niet in dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om de termijn van één maand waarbinnen de opzegging had moeten plaatsvinden hier toe te passen. Voor zover Rosaly Mode stelt dat het voor haar niet duidelijk was dat tijdens de vergadering al een besluit over de deelname aan het plan was genomen, geldt dat daaraan gelet op het voorgaande voorbij moet worden gegaan. Uit de e-mail van 8 februari 2007 blijkt verder dat de opzegging geen verband hield met onvrede over het besluit, maar met een andere kwestie. Van omstandigheden die eraan in de weg stonden dat Rosaly Mode binnen de voorgeschreven termijn van haar opzeggingsbevoegdheid gebruik maakte om buiten de toepassing van het besluit te blijven, is verder niet gebleken. Ook in dat opzicht is er dus geen reden om de statutaire bepaling op dat punt buiten toepassing te laten. Van belang is verder dat, zoals Ugchelenplaza onweersproken heeft gesteld, op het moment dat Rosaly Mode opzegde (bijna drie maanden na het besluit) het akkoord al aan de gemeente was gemeld en de werkzaamheden een aanvang zouden nemen. Daarmee is duidelijk dat Ugchelenplaza een redelijk belang bij handhaving van de termijn had: zij (en de overige leden) mocht(en) erop vertrouwen dat na ommekomst van de termijn de leden die niet hadden opgezegd zich aan het besluit zouden conformeren en hun bijdrage zouden leveren. Daarop mocht Ugchelenplaza ook haar handelen ten opzichte van de gemeente afstemmen. Ugchelenplaza stelt terecht dat, als een lid zich daarna toch nog aan zijn bijdrageplicht zou kunnen onttrekken, de overige leden voor een ‘fait accompli’ zouden worden gesteld.

4.7

Het voorgaande betekent dat de grief slaagt. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep dient het hof thans de overige verweren van Rosaly Mode te beoordelen.

4.8

Hiervoor is al overwogen dat tijdens de vergadering van 15 november 2006 niet slechts een besluit over de verdeelsleutel, maar ook over de uitvoering van het plan is genomen. Het bestuur was daarmee bevoegd te besluiten de overeenkomst met de gemeente aan te gaan. Het verweer dat de ingevolge artikel 13 lid 5 onder 1 vereiste goedkeuring daarvoor ontbrak, gaat dus niet op.

4.8

Rosaly Mode wijst er terecht op dat ingevolge artikel 9 van de statuten door middel van een besluit genomen door de algemene vergadering verbintenissen aan het lidmaatschap kunnen worden verbonden, waarbij een dergelijk besluit slechts kan worden genomen met een meerderheid van ten minste twee/derde gedeelte van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste twee/derde van het aantal stemmen dat door stemgerechtigden gezamenlijk kan worden uitgebracht vertegenwoordigd is. Tot verdere gevolgtrekkingen leidt dit echter niet, nu Rosaly Mode niet heeft betwist dat het onderhavige besluit is genomen met de vereiste gekwalificeerde meerderheid en aan de quorumeis is voldaan.

4.9

Rosaly Mode heeft voorts, met een beroep op artikel 2:8 lid 2 BW, betoogd dat het ook om andere dan de hiervoor in rov. 4.2 tot en met 4.5 besproken redenen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij de bijdrage op grond van het besluit moet voldoen. Zij heeft daartoe allereerst aangevoerd dat zij niet heeft geprofiteerd van de herinrichting van de Ugchelseweg, omdat de stoep voor haar winkelpand niet is gerenoveerd en daardoor thans in negatieve zin afsteekt bij het gerenoveerde gedeelte. Voorts heeft zij erop gewezen dat zij tegen het herinrichtingsplan heeft gestemd. Ten slotte heeft zij vermeld dat zij de factuur pas vijf jaar nadat zij haar lidmaatschap had beëindigd toegestuurd heeft gekregen. Zij was niet betrokken geweest bij de uitvoering van het herinrichtingsplan en voelde zich daardoor gesterkt in het vertrouwen dat zij geen bijdrage hoefde te voldoen.

4.10

Ugchelenplaza heeft toegelicht dat bij het plan sprake was van een eigenarengedeelte en een bijdrage van de ondernemersvereniging. De eigenaar van het door Rosaly Mode gehuurde pand heeft zijn gedeelte niet willen betalen en daarom is de stoep voor dit pand niet meegenomen bij de werkzaamheden. De reden van de opstelling van de eigenaar was dat hij een huurgeschil had met Rosaly Mode en, zolang daarover geen duidelijkheid was, niet wilde investeren in het pand. Rosaly Mode heeft deze achtergrond niet betwist. Het betrof dus een kwestie waar Ugchelenplaza buiten stond. Dat het herinrichtingsplan waarop de ondernemersbijdrage betrekking had als zodanig is gerealiseerd, staat verder niet ter discussie. Onder deze omstandigheden is het feit dat de stoep voor de winkel van Rosaly Mode niet is gerenoveerd en Rosaly Mode in zoverre niet van de herinrichting heeft geprofiteerd, onvoldoende reden om te oordelen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat zij haar bijdrage moet voldoen. Dat Rosaly Mode tegen het besluit heeft gestemd, kan ook niet tot die conclusie leiden. Het lidmaatschap van een vereniging kan meebrengen dat een lid wordt geconfronteerd met een besluit van de algemene ledenvergadering, waarnaar hij zich heeft te voegen, ook al kan hij zich daarin niet vinden en heeft hij tegen het besluit gestemd. Zoals hiervoor al is overwogen, boden de statuten van Ugchelenplaza de mogelijkheid dat door middel van een besluit van de algemene vergadering verbintenissen aan het lidmaatschap worden verbonden. Het onderhavige besluit hield een dergelijke verbintenis in. Het voorstel daartoe is met de vereiste gekwalificeerde meerderheid aangenomen. Dat maakt dat ook Rosaly Mode aan het daarmee tot stand gekomen besluit is gebonden. Zoals gezegd had zij zich door tijdige opzegging van het lidmaatschap daaraan kunnen onttrekken, maar heeft zij dat niet gedaan. Dat Rosaly Mode tegen heeft gestemd, maakt het dan ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat zij de uit het besluit voortvloeiende bijdrage moet voldoen. Dat Rosaly Mode niet betrokken is geweest bij de uitvoering van het plan en pas veel later de factuur van Ugchelenplaza heeft gekregen, is voorts onvoldoende om aan te nemen dat bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat zij de bijdrage niet meer hoefde te voldoen. Ook dit verweer treft dus geen doel.

4.11

Rosaly Mode heeft verder nog de hoogte van de gevorderde hoofdsom betwist. Zij wijst er daarbij op dat zij voor de kostenverdeling was ingedeeld in categorie A. Voor deze categorie was de bijdrage per lid gesteld op € 3.603,60. Voor zover zij verplicht is de financiële bijdrage te voldoen, gaat het krachtens het besluit derhalve om dit bedrag. Het bestuur kan niet achteraf zelfstandig de verdeelsleutel wijzigen en bepalen dat de leden een hoger bedrag verschuldigd zijn, aldus Rosaly Mode. Dit verweer acht het hof gegrond. Ugchelenplaza heeft immers niet aangegeven op welke wijze is besloten tot de verhoging van de in het besluit vastgestelde bijdragen. Het enkele feit dat twee nieuwe winkels waarvan een bijdrage werd verwacht niet zijn gerealiseerd, is onvoldoende om een verplichting voor de (overige) in categorie A ingedeelde leden aan te nemen om een verhoogde bijdrage te voldoen. Uit het besluit van 15 november 2006 vloeit die verplichting niet zonder meer voort. Dit betekent dat alleen het subsidiair gevorderde bedrag van € 3.603,60 toewijsbaar is.

4.12

Ugchelenplaza heeft tevens de wettelijke handelsrente over de hoofdsom gevorderd.

Naar het hof begrijpt, doelt Ugchelenplaza hiermee op de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW. Dit artikel ziet op de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom in geval van een handelsovereenkomst. Daarvan is in dit geval echter geen sprake. De wettelijke handelsrente is derhalve niet toewijsbaar.

De normale wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is wel toewijsbaar, en wel vanaf de datum waarop Rosaly Mode met de voldoening aan haar betalingsverplichting in verzuim is geraakt. Zoals Ugchelenplaza heeft gesteld, heeft haar gemachtigde bij brief van 28 juli 2011 Rosaly Mode gesommeerd om binnen 10 dagen het verschuldigde bedrag te voldoen. Nu de betaling is uitgebleven, is Rosaly Mode derhalve vanaf 8 augustus 2011 in verzuim.

De wettelijke rente zal dus vanaf die datum worden toegewezen.

4.13

Ugchelenplaza heeft voorts aanspraak gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van € 714,- met wettelijke rente. Naar het oordeel van het hof heeft Ugchelenplaza haar vordering op dat punt echter onvoldoende onderbouwd: zij heeft voor het gevorderde bedrag verwezen naar het rapport Voorwerk II, maar heeft verder niet toegelicht welke buitengerechtelijke werkzaamheden er zijn verricht. Gelet daarop kan niet worden vastgesteld dat Ugchelenplaza redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte heeft gemaakt, die op de voet van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW voor vergoeding in aanmerking komen (en niet onder de regels betreffende de proceskosten vallen). Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

4.14

Het incidenteel hoger beroep, waarmee Rosaly Mode heeft gewezen op haar verweren dat tijdens de vergadering van 15 november 2006 alleen over de verdeelsleutel is besloten en dat zij tegen het herinrichtingsplan heeft gestemd, moet gelet op het voorgaande worden verworpen.

5 De slotsom

5.1

De grief in het principaal hoger beroep slaagt. Het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De vordering van Ugchelenplaza zal alsnog gedeeltelijk worden toegewezen.

5.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof Rosaly Mode in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Ugchelenplaza zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten - (blijkt niet uit de overgelegde stukken)

- griffierecht € 448,-

- salaris advocaat € 400,- (2 punten x tarief € 200,- per punt).

De kosten voor de procedure in het principaal hoger beroep aan de zijde van Ugchelenplaza zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 97,01

- griffierecht € 704,-

subtotaal verschotten € 801,01

- salaris advocaat € 1.264,- (2 punten x appeltarief I).

5.3

De omstandigheid dat Rosaly Mode, die door de rechtbank in het gelijk was gesteld, in eerste aanleg gevoerde verweren in de vorm van een (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep onder de aandacht van het hof heeft gebracht, kan er niet toe leiden dat verwerping van die verweren - en dientengevolge de verwerping van het incidentele hoger beroep - Rosaly Mode op een kostenveroordeling komt te staan (zie laatstelijk HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:233). Een kostenveroordeling blijft in zoverre dus achterwege.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn) van 9 april 2014 en doet opnieuw recht;

veroordeelt Rosaly Mode om aan Ugchelenplaza te betalen het bedrag van € 3.603,60, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag te rekenen vanaf 8 augustus 2011 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Rosaly Mode in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Ugchelenplaza wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 448,- voor verschotten en op € 400,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 801,01 voor verschotten en op € 1.264,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, A.E.F. Hillen en J.H. Lieber en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2016.