Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2231

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
200.183.490
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Niet voldaan aan de verplichting om voorafgaand aan de verzoeken tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te onderzoeken of een minnelijke regeling met de schuldeisers mogelijk was. Niet-ontvankelijk.

Omdat onvoldoende inzicht is gegeven in de (exacte) ontstaansdata en de achtergronden van de schulden, had het hof in geval van een inhoudelijke beoordeling de toets van de goede trouw niet kunnen uitvoeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.183.490

(rekestnummers rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: C/05/295291/295293)

arrest van 17 maart 2016

inzake

[appellant]
en
[appellante],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,
hierna: [appellant] en [appellante],

advocaat: mr. J.L. van Schoonhoven.


1. Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 4 januari 2016 zijn [appellant] en [appellante] niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 8 januari 2016 ingekomen verzoekschrift zijn [appellant] en [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en hebben zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, hen toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, de brief met bijlagen van 20 januari 2016 en de brief met één bijlage van 22 februari 2016 van mr. Van Schoonhoven.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2016, waarbij [appellant] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Schoonhoven. [appellante] is, met bericht vooraf, wegens gezondheidsredenen niet ter zitting verschenen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken. [appellant], geboren op [geboortedatum] 1943, en [appellante], geboren op [geboortedatum] 1942, zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
[appellant] was in het verleden zelfstandig ondernemer. Omstreeks 1997/1998 heeft hij zijn bedrijf, een ingenieursbureau, verkocht.
Thans ontvangen [appellant] en [appellante] een AOW-uitkering van € 730,18 per maand. Daarnaast hebben zij recht op € 72,- per maand aan zorgtoeslag en € 322,- per maand aan huurtoeslag.

3.2

De schuldenlast van [appellant] en [appellante] bedraagt volgens de bij het Verzoekschrift ex art. 284 Fw gevoegde crediteurenlijst van 18 december 2015 in totaal € 1.725.177,75.
Tot deze schuldenlast behoren onder meer een schuld aan de Belastingdienst van
€ 965.923,- (2012), een schuld aan Vesting Finance van € 63.329,63 (2012) en een schuld aan Rabobank Nunspeet van € 644.721,- (2012).

3.3

De rechtbank heeft [appellant] en [appellante] niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, omdat uit het verzoekschrift onvoldoende duidelijk is geworden waarom het doorlopen van een minnelijk traject niet haalbaar is. De in het verzoekschrift genoemde reden is niet voldoende om het verzoekschrift inhoudelijk te kunnen behandelen. Alvorens een verzoekschrift wordt ingediend bij de rechtbank, dient een minnelijk traject te worden doorlopen, waarbij een minnelijk aanbod wordt gedaan aan de schuldeisers, aldus de rechtbank.

3.4

Het hof oordeelt ten aanzien van de ontvankelijkheid van het toelatingsverzoek van [appellant] en [appellante] als volgt.
Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling dient volgens artikel 285 eerste lid onder f van de Faillissementswet (hierna: Fw) vergezeld te gaan van een met redenen omklede verklaring waarin is vermeld dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijkheden de verzoeker beschikt. De verklaring dient te zijn afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar; het college kan deze bevoegdheid mandateren aan een gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet financiële dienstverlening of aan krachtens artikel 48 eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet op het consumentenkrediet (hierna: Wck) aangewezen personen.

Over de achtergrond van het stellen van dit vereiste heeft de Hoge Raad in zijn arrest van
13 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:589) het volgende overwogen:

Met deze eis is beoogd te bewerkstelligen dat professionele schuldhulpverlening plaatsvindt voordat een beroep op de schuldsaneringsregeling kan worden gedaan (Kamerstukken II 1996-1997, 22 969, nr. 133a). Is de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling gedaan door een persoon of instelling als bedoeld in art. 48 lid 1, aanhef en onder c, Wck, dan kan de verklaring door die persoon of instelling worden afgegeven (HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8056, NJ 2011/31).

Bij de parlementaire behandeling van de aanpassing van de schuldsaneringsregeling per
1 januari 2008 is opgemerkt dat de vereisten die gelden voor de toelating tot de schuldsaneringsregeling, mede tot doel hebben de schuldenaar te dwingen tot het uiterste te gaan om een minnelijke regeling te bereiken en de schuldsaneringsregeling te laten functioneren als laatste redmiddel (Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3, p. 4-5). In verband hiermee is thans in art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw bepaald dat een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in art. 48 lid 1 Wck.

3.5

[appellant] en [appellante] hebben ter verklaring voor het niet doorlopen van het minnelijk traject verwezen naar een aantal stukken. Het eerste stuk betreft een naar aanleiding van een namens hen ingediende aanvraag voor schulddienstverlening genomen besluit van
23 oktober 2015 van de gemeente Zwolle. Bij dat besluit is een door [A] opgemaakt rapportformulier bijgevoegd. Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:“De heer en mevrouw hebben met ondersteuning van Verian een verzoek om schulddienstverlening ingediend. De heer [appellant] geeft aan dat het verzoek is ingediend omdat ze geen oplossing zien voor de problematische schuldenlast. De heer en mevrouw hebben beiden te maken met lichamelijke problemen, waardoor het teveel is de schuldenlast helemaal helder te krijgen en er zoveel aan de hand is. De heer [appellant] verzoekt om een rechtstreeks verzoek voor toelating tot de WSNP. (…)

De heer en mevrouw hebben een complexe schuldenlast, waarin moeilijk helderheid kan worden verkregen. De schuldenlast bestaat uit hoge belastingvorderingen, privé-schulden en zakelijke schulden voortkomend uit verschillende ondernemingen. Daarnaast is de kans van slagen van een regeling nauwelijks aanwezig als het inkomen rond sociaal minimum in verhouding tot de schuldenlast wordt gebracht. De heer en mevrouw hebben beiden de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Er is geen zicht op vermeerdering van het inkomen.
De heer en mevrouw kampen beiden met lichamelijke dan wel psychische problematiek.
De problematische schulden hebben hierop een zeer negatief effect. Er is maandelijks nauwelijks ruimte om de kosten van de noodzakelijke zorg te kunnen voldoen. Bij het rechtstreekse verzoek om toelating tot de WSNP wordt een brief van de heer [appellant] gevoegd, waarin hij onder andere het ontstaan van de schuldenproblematiek beschrijft.
De heer [appellant] is ervan op de hoogte gesteld dat hij helderheid in het ontstaan van de belastingschulden moet kunnen geven. Voor de heer [appellant] en mevrouw [appellant] worden de benodigde stukken voor het rechtstreekse verzoek voor toelating tot de WSNP opgemaakt.”
Voorts hebben [appellant] en [appellante] verwezen naar een bij de indiening van het Verzoekschrift Wsnp ex art. 284 Fw gevoegde Verklaring ex art. 285 lid 1 Fw van 18 december 2015, opgesteld door J.W. Nieuwenkamp, consulent schuldregeling van de gemeente Zwolle.
In deze verklaring staat het volgende: “Gezien de hoogte van het totale schuldenpakket en daarnaast het inkomen mag aangenomen worden dat een minnelijke regeling geen kans van slagen heeft. Tevens verklaart hij dat de [appellant] en [appellante] ten tijde van het opstellen van dit verzoek over de navolgende aflossingsmogelijkheden beschikken: in de minnelijke regeling: € 74,00 per maand; in de wettelijke schuldsaneringsregeling: naar schatting € 0,00 per maand.”

3.6

In het beroepschrift en ter zitting in hoger beroep hebben [appellant] en [appellante] verder betoogd dat zij in staat zijn gedurende een periode van drie jaar een bedrag van € 2.664,- op hun schuldenlast van bijna 1,8 miljoen euro af te lossen, minder dan 1% van de totale schuldenlast. Gelet op hun slechte gezondheidssituatie, hun leeftijd, de zeer hoge schuldenlast en de beperkte inkomenssituatie/aflossingsmogelijkheden, bestaat er volgens [appellant] en [appellante] geen vooruitzicht op betere aflossingsmogelijkheden. Nu hieruit genoegzaam blijkt dat aan geen enkele crediteur een reëel voorstel tot afwikkeling van de schuld kan worden gedaan, achten [appellant] en [appellante] het doorlopen van een minnelijk traject bij voorbaat niet zinvol. Een dergelijke situatie valt volgens hen gelijk te stellen met de situatie waarin een minnelijk traject op juiste wijze, maar zonder succes, is doorlopen.

3.7

Het hof is van oordeel dat de hiervoor onder 3.5 genoemde stukken van de gemeente Zwolle, mede tegen de in 3.4 genoemde en toegelichte achtergrond van dit vereiste, noch hetgeen door en namens [appellant] en [appellante] in het beroepschrift en ter zitting in hoger beroep is aangevoerd voldoende is om thans daaruit de conclusie te trekken dat er geen reële mogelijkheden (meer) voor [appellant] en [appellante] bestonden om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen en dat zij geen (reëel) aanbod behoefden te doen aan hun schuldeisers. In het onderhavige geval is immers in het geheel geen poging gedaan om een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden. Dit betekent dat ten onrechte verdere concrete stappen in het onderzoek naar de mogelijkheden voor een buitengerechtelijke schuldregeling achterwege zijn gebleven. Nu [appellant] en [appellante] daartoe volgens de wet gehouden zijn, zal het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigen en komt het niet meer toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van [appellant] en [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.8

Ten aanzien van dit laatste overweegt het hof ten overvloede als volgt.

Om te kunnen beoordelen of [appellant] en [appellante] hebben voldaan aan het bepaalde in artikel 288 eerste lid, aanhef en onder b Fw is onder meer nodig dat [appellant] en [appellante] het hof inzicht geven in de (exacte) ontstaansdata en de achtergronden van het ontstaan en het onbetaald laten van hun schulden in de laatste vijf jaar voorafgaand aan hun verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het hof is van oordeel dat [appellant] en [appellante] dit inzicht met de in hoger beroep in het geding gebrachte stukken en de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep afgelegde verklaringen niet (voldoende) hebben gegeven. Dit geldt met name voor de omvangrijke belastingschulden en de schuld aan Vesting Finance.
Ten aanzien van de belastingschulden heeft [appellant] gesteld dat hij veelvuldig met de Belastingdienst heeft gesproken. Volgens [appellant] zou de Belastingdienst drie jaar na beëindiging van zijn bedrijf de belastingschuld kwijtschelden. In plaats daarvan kreeg [appellant] twee jaar na de bedrijfsbeëindiging (nieuwe) aanslagen van de Belastingdienst. Door geldgebrek heeft hij daartegen geen rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Het hof is van oordeel dat op de weg lag van [appellant] en [appellante] om deze stellingen met te verifiëren documentatie te onderbouwen. Dit is echter niet gebeurd, de stukken bevatten alleen een niet nader toegelichte selectie van de belastingaanslagen.
Ditzelfde geldt voor de schuld aan Vesting Finance. Ten aanzien daarvan heeft [appellant] ter zitting in hoger beroep slechts aangevoerd dat het gaat om twee ten behoeve van zijn toenmalige onderneming bestelde Mercedessen en dat volgens [appellant] deze auto’s met een volmacht zijn verkocht toen hij in een psychiatrische inrichting verbleef.
Bij deze stand van zaken kan het hof ten aanzien van de schulden aan de Belastingdienst en Vesting Finance niet beoordelen of [appellant] en [appellante] te goeder trouw zijn geweest bij het ontstaan en onbetaald laten daarvan. Of [appellant] en [appellante] ten aanzien van hun overige schulden (ten aanzien waarvan niet in debat is dat al deze schulden binnen de vijfjaarstermijn zijn ontstaan) te goeder trouw zijn geweest, kan het hof aan de hand van de overgelegde gedingstukken en de gegeven (summiere) verklaringen ter zitting in hoger beroep evenmin onderzoeken.

3.9

Het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 4 januari 2016.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, H. Wammes en Ch.E. Bethlem, en is op 17 maart 2016 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.