Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2174

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
200.154.604/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beslag, gelegd in opdracht van ex-echtgenote, is onrechtmatig. Vraag of ex-echtgenote, haar advocaat en de beslagleggende deurwaarder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gevorderde schade, bestaande uit de werkelijke proceskosten van de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.154.604/01

(zaaknummer rechtbank Assen 373654 \ CV EXPL 13-2181)

arrest van 15 maart 2016

in de zaak van

1 [appellante 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [appellante 1],

2. [appellante 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [appellante 2],

3. [appellant 1]

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [appellant 1] ,

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellante 1] c.s.,

advocaat: mr. R.P. van Boven, kantoorhoudend te Assen, die zich op 30 december 2014 ten aanzien van [appellant 1] heeft onttrokken,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. R.H. Broeksema, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 23 juli 2013 en 29 april 2014, zoals hersteld bij vonnis van 1 juli 2014, van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 28 juli 2014, met grieven en producties,

- de memorie van eis van [appellante 1] c.s.,

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep d.d. 7 oktober 2014,

- de mededeling van mr. Bovens ter rolle van 30 december 2014 dat hij zich ten aanzien van [appellant 1] aan de zaak onttrekt en dat [appellant 1] in staat van faillissement is verklaard, waarna de procedure ten aanzien van [appellant 1] op de voet van art. 29 Fw is geschorst,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep d.d. 27 januari 2015 van [appellante 1] en [appellante 2] .

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellante 1] c.s. luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

I. het vonnis d.d. 29 april 2014 en het herstelvonnis d.d. 1 juli 2014 (…) te vernietigen en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling en verbetering van gronden, alsnog geïntimeerde in zijn vorderingen niet ontvankelijk te verklaren dan wel hem deze te ontzeggen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties, bestaande uit verschotten en salaris van de advocaat, alsmede de kosten voor nasalaris van de

advocaat ad € 131,- en in geval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden te vermeerderen met een bedrag van € 68,-voor nasalaris van de advocaat en de kosten van het betekeningsexploot:

II. [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling aan appellanten (ieder voor een derde deel) van hetgeen zij op basis van de vernietigde vonnissen hebben voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten vanaf de datum van betaling tot aan de datum van volledige terugbetaling."

2.4

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd:

"dat het gerechtshof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad,

in het inleidende appèl [appellant 1] , [appellante 1] en [appellante 2] niet ontvankelijk zal verklaren althans hun vorderingen zal afwijzen;

in het incidentele appèl het (…) vonnis d.d. 29 april 2014 en herstelvonnis d.d. 1 juli 2014 zal vernietigen voorzover daarbij de vorderingen van [geïntimeerde] zijn afgewezen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [geïntimeerde] in eerste aanleg alsnog integraal zal toewijzen;

[appellant 1] , [appellante 1] en [appellante 2] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van de procedure in het inleidende en het incidentele appèl."

3 De feiten

3.1

Het hof ziet aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen. In hoger beroep staat tussen partijen, gelet op wat over en weer is gesteld en niet gemotiveerd is betwist, het volgende vast.

3.2

[appellante 1] en [geïntimeerde] zijn gehuwd geweest. De beschikking van 9 september 2009, waarbij hun echtscheiding is uitgesproken en bevel is gegeven de huwelijksgemeenschap en pensioenrechten te verdelen overeenkomstig het aangehechte echtscheidingsconvenant, is tijdig ingeschreven in de daartoe bestemde registers.

3.3

In het convenant is onder meer opgenomen dat de man dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en dat zal doen door de gebruikskosten van de echtelijke woning te betalen, zolang deze niet is verkocht. Voorts blijft die woning onverdeeld en zal de man o.a. de hypothecaire verplichtingen blijven voldoen, onder vrijwaring van de vrouw voor hoofdelijke aansprakelijkheid als mede-eigenaar.

3.4

Bij beschikking van 9 februari 2011 heeft de rechtbank te Assen [appellante 1] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van

verzorging en opvoeding van het minderjarig kind van partijen, alsmede in haar verzoek tot

vaststelling van een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud.

Vervolgens heeft [appellante 1] bij exploot van 28 juni 2011 de beschikking van 9 februari 2011 en het echtscheidingsconvenant aan [geïntimeerde] doen betekenen met bevel de

gebruiksvergoeding tot en met 30 juni 2011 te voldoen, zijnde € 7.200,00 en kosten.

3.5

Tussen [appellante 2] , advocaat van [appellante 1] , en gerechtsdeurwaarder [appellant 1] is gecorrespondeerd over de executie van voornoemde beschikkingen en het convenant. Bij exploot van 12 augustus 2011 heeft [appellant 1] op verzoek van [appellante 1] onder de werkgever van [geïntimeerde] , de Regiopolitie Drenthe, executoriaal beslag gelegd uit kracht van de beschikking van 9 september 2009.

3.6

[geïntimeerde] heeft vervolgens in kort geding opheffing van het beslag gevorderd. [appellante 1] heeft een reconventionele vordering ingesteld. Bij vonnis van 12 september 2011 heeft de voorzieningenrechter te Assen het beslag opgeheven, de reconventionele vordering van [appellante 1] afgewezen en [appellante 1] veroordeeld tot betaling van de geliquideerde proceskosten aan [geïntimeerde] .

[appellante 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de

voorzieningenrechter. Haar eerste grief betrof de afwijzing van de reconventionele vordering

door de voorzieningenrechter. De tweede grief betrof de veroordeling van Van der Hoogen

in de kosten van de procedure. Bij arrest van 6 november 2012 heeft het hof voormeld vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Voorts heeft het hof de proceskosten in hoger beroep gecompenseerd in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen.

3.7

Bij beslissing van 26 juni 2012 heeft de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam de klacht van [geïntimeerde] tegen [appellant 1] wegens beslaglegging gegrond verklaard en de maatregel van een berisping opgelegd.

3.8

De door [geïntimeerde] ingediende klacht tegen [appellante 2] in verband met de opdracht tot beslaglegging is door de Raad van Discipline op 9 mei 2014 ongegrond verklaard. [geïntimeerde] heeft daarvan geen hoger beroep ingesteld.

4 De vordering en beoordeling in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft, kort weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, gevorderd [appellante 1] c.s. hoofdelijk wegens onrechtmatig beslag te veroordelen tot betaling van zijn daardoor geleden schade, bestaande uit proceskosten in de procedures, genoemd onder 3.6, na aftrek van de geliquideerde proceskosten (aldus € 3.953,81 voor de eerste aanleg en € 5.513,22 voor het hoger beroep).

4.2

De kantonrechter heeft [appellante 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk geacht voor het onrechtmatig gelegde beslag en de gevorderde kosten van eerste aanleg als schade ten gevolge van dat onrechtmatige beslag toegewezen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 12 augustus 2011. De gestelde schadepost die bestaat uit de proceskosten van hoger beroep is afgewezen, omdat die procedure in wezen ging om de afwijzing van de reconventionele vordering van [appellante 1] , aldus de kantonrechter.

5 De grieven en beoordeling daarvan

5.1

[appellante 1] c.s. hebben tien grieven ingediend tegen het eindvonnis van de kantonrechter en [geïntimeerde] heeft incidenteel geappelleerd tegen de afwijzing van de gevorderde schadevergoeding, bestaande uit zijn proceskosten in hoger beroep.

5.2

Nu de procedure in hoger beroep ten aanzien van [appellant 1] is geschorst voordat de zaak voor arrest stond, moet het hof hierna de vordering tegen [appellant 1] buiten beschouwing laten. Voor de leesbaarheid blijft het hof hierna de aanduiding ' [appellante 1] c.s.' gebruiken, maar daaronder zijn verder slechts [appellante 1] en [appellante 2] te begrijpen. De vierde grief in principaal appel, die uitsluitend namens [appellant 1] is opgeworpen, dient thans onbesproken te blijven.

5.3

Bij hun eerste grief in principaal appel, gericht tegen de huns inziens onvolledige feitenvaststelling door de kantonrechter, hebben [appellante 1] c.s. geen belang meer, nu het hof de feiten zelfstandig heeft vastgesteld.

5.4

Het hof is van oordeel dat de overige grieven in principaal appel zich voor gezamenlijke behandeling lenen. Immers, wat ook zij van de juistheid van die grieven, het vonnis van de kantonrechter kan niet in stand blijven voor zover daarbij de niet-vergoede proceskosten van [geïntimeerde] als schade zijn toegewezen.

De wettelijke regeling omtrent proceskosten in de artikelen 237-240 Rv prevaleert boven het uitgangspunt dat het slachtoffer van een onrechtmatige daad recht heeft op volledige schadevergoeding van de pleger van die daad, wanneer die daad de pleger kan worden toegerekend (zie Hoge Raad 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600 en de daarin opgenomen rechtvaardiging voor deze voorrang). Derhalve komt, ook als de grieven 2 tot en met 9 in principaal appel niet zouden slagen, de door [geïntimeerde] gevorderde schade niet voor vergoeding in aanmerking en slaagt grief 10 in zoverre.

Van bijzondere omstandigheden die een inbreuk op voorgaande voorrangsregel rechtvaardigen (zoals willens en wetens -doen- leggen van onrechtmatig beslag of een andere vorm van misbruik van procesrecht) is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

5.5

Het voorgaande heeft tot gevolg dat de hoofdelijke veroordeling van [appellante 1] en [appellante 2] tot betaling van het toegewezen bedrag met proceskosten niet in stand kan blijven. [geïntimeerde] zal, als de in principaal appel in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de proceskosten van deze procedure, waaronder de kosten van eerste aanleg, en tot terugbetaling aan [appellante 1] en [appellante 2] van hetgeen zij ieder op grond van het vonnis in eerste aanleg hebben voldaan, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van betaling tot terugbetaling. Nu [appellante 1] en [appellante 2] niet hebben toegelicht welke kosten zij in verband daarmee en in genoemde periode hebben gemaakt (zie het petitum in 3.2 onder II), kunnen deze, als niet voldoende gespecificeerd of toegelicht, niet worden beoordeeld. De vordering tot vergoeding van die kosten worden afgewezen.

5.6

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt ook, dat het incidenteel appel moet worden afgewezen. [geïntimeerde] wordt als de in het ongelijk te stellen partij ook in die kosten veroordeeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

In het principaal en het incidenteel appel

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Assen van 29 april 2014, zoals hersteld op 1 juli 2014, voor zover tegen [appellante 1] en [appellante 2] gewezen en voor zover zij daarbij zijn veroordeeld tot betaling, en doet in zoverre opnieuw recht;

wijst de vordering van [geïntimeerde] tegen [appellante 1] en [appellante 2] alsnog af en bekrachtigt dat vonnis ten aanzien van [appellante 1] en [appellante 2] voor het overige;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante 1] en [appellante 2] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 250,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op nihil voor verschotten,

en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep in principaal appel vastgesteld op 1 punt, tarief I ofwel € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 401,80 voor verschotten, en in incidenteel appel op ½ punt, tarief I ofwel € 316,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, en voorts op € 131,- voor nasalaris van de advocaat, alsmede € 68,00 voor nasalaris van de advocaat indien niet binnen veertien dagen na

aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, nog te vermeerderen met de kosten van het betekeningsexploot;

veroordeelt [geïntimeerde] voorts tot terugbetaling aan [appellante 1] en [appellante 2] (ieder voor een derde deel) van hetgeen op basis van het vernietigde vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van betaling tot aan de datum van volledige terugbetaling;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. M. Zandbergen en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 15 maart 2016.