Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2133

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
200.185.208/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gesloten plaatsing. Beëindiging met ingang van datum beschikking Hof. Het noodzakelijke onderzoek kan ook vanuit het pleeggezin worden gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.185.208/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/408757 / JL RK 16-52)

beschikking van de familiekamer van 10 maart 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] , thans verblijvende te [B] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoeker] ,

toegevoegd advocaat: mr. V.C. van der Velde, kantoorhoudend te Almere,

tegen

Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Utrecht,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[het pleeggezin] ,

wonende te [A] ,

hierna te noemen: het pleeggezin.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 2 februari 2016 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van [verzoeker] , ingekomen op 9 februari 2016;

- het verweerschrift van de GI, inkomen op 25 februari 2016;

- een brief van de raad voor de kinderbescherming van 24 februari 2016;

- een journaalbericht van mr. T.S.S. Overes, kantoorgenote van mr. Van der Velde, van 24 februari 2016 met bijlagen bestaande uit de stukken van eerste aanleg;

- een journaalbericht van mr. Overes van 29 februari 2016 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Overes van 1 maart 2016 met bijlage.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 3 maart 2016 plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen en werd bijgestaan door mr. Overes. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [C] en mevrouw [D] . Zoals reeds was aangekondigd in de brief van 24 februari 2016 is geen vertegenwoordiger verschenen van de raad. De pleegouders waren ter zitting aanwezig.

3 De vaststaande feiten

3.1

[verzoeker] is [in] 2000 geboren in Mexico. Hij is in Mexico geadopteerd door mevrouw [E] , de (adoptie)moeder, familie van de biologische moeder. Deze Mexicaanse adoptie is niet in overeenstemming geweest met het Haags Adoptieverdrag. Omdat de (adoptie)moeder geen actie ondernam voor een adoptie naar Nederlands recht, werd de voogdij bij beschikking van 22 september 2009 opgedragen aan (een rechtsvoorganger van) de GI.

3.2

Tot 2005 heeft familie in Mexico zorggedragen voor verzorging en opvoeding, terwijl de (adoptie)moeder met haar echtgenoot in Nederland verbleef. In 2005 is [verzoeker] , samen met zijn jongere broertje [F] , naar Nederland gekomen om bij zijn (adoptie)moeder te gaan wonen.

3.3

Kort na aankomst in Nederland zijn er binnen de thuissituatie problemen ontstaan met het gedrag van [verzoeker] die, ondanks hulpverlening, aanhielden. In 2009 zijn deze gedragsproblemen zo ernstig geworden dat de (adoptie)moeder en haar echtgenoot de zorg voor hem niet meer konden/wilden dragen. [verzoeker] werd geplaatst in de crisisopvang en daarna in een behandelgroep. In maart 2011 is [verzoeker] vervolgens gaan wonen in het toenmalige weekendpleeggezin. Begin 2014 werd besloten dat er naar een andere plek gezocht zou worden voor [verzoeker] omdat pleegouders onvoldoende adequaat omgingen met de problematiek van [verzoeker] . Na een plaatsing in een crisispleeggezin in maart 2014 is [verzoeker] op 12 mei 2014 geplaatst in een perspectiefbiedend pleeggezin. In december 2014 is [verzoeker] gaan wonen in het huidige pleeggezin. Hij werd daar op 23 maart 2015 formeel geplaatst.

3.4

In december 2015 werd [verzoeker] geplaatst in een crisisopvang, nadat hij met zijn broertje was weggelopen uit het pleeggezin na een conflict met zijn pleegouders over huisregels en een confrontatie met zijn seksueel gedrag met jongens/mannen en blowen. Vanuit de crisisopvang [G] in [H] is [verzoeker] op 28 januari 2016 gesloten geplaatst nadat een gesprek met zijn voogd was geëscaleerd.

3.5

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking (na verleende spoedmachtiging bij tussenbeschikking van 29 januari 2016) heeft de kinderrechter de GI een machtiging verleend om [verzoeker] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en doen verblijven voor een periode van drie maanden, te weten van 2 februari 2016 tot 2 mei 2016.

3.6

[verzoeker] is op 29 januari 2016 op basis van de verleende spoedmachtiging geplaatst in een accommodatie van een zorgaanbieder en verblijft daar nog.

4 De omvang van het geschil

4.1

[verzoeker] is in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zijn grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. [verzoeker] verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en te bepalen dat de uithuisplaatsing in een instelling voor gesloten jeugdzorg met onmiddellijke ingang wordt beëindigd.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 Jw is [verzoeker] ontvankelijk in zijn hoger beroep.

5.2

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de kinderrechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Een machtiging kan ingevolge artikel 6.1.2 lid 2 Jw slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren en de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

5.3

Een machtiging voor een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, kan ingevolge artikel 6.1.2 lid 3 Jw bovendien slechts worden verleend indien:

a. de jeugdige onder toezicht is gesteld,

b. de voogdij over de jeugdige berust bij een gecertificeerde instelling, of

c. degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.

5.4

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is. Het verzoek behoeft ingevolge artikel 6.1.2 lid 6 Jw instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

5.5

Ingevolge artikel 6.1.10 lid 1 Jw hoort de kinderrechter alvorens een machtiging te verlenen de jeugdige, degene die het gezag over de minderjarige uitoefent en degene die de jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt (tenzij de kinderrechter vaststelt dat een persoon niet bereid is zich te doen horen) alsmede de verzoeker en, in gevallen als bedoeld in artikel 6.1.7 Jw, de jeugdhulpaanbieder.

5.6

De beschikking is ingevolge artikel 6.1.12 lid 1 Jw bij voorraad uitvoerbaar. Ingevolge het tweede lid van dit artikel bepaalt de kinderrechter de geldigheidsduur van de machtiging op ten hoogste één jaar.

5.7

De GI heeft ingevolge het hiervoor genoemde artikel 6.1.2 lid 5 Jeugdwet (Jw) op 28 januari 2016 bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is. Een gekwalificeerde gedragswetenschapper die [verzoeker] met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, heeft ingestemd met het verzoek. [verzoeker] en de verdere belanghebbenden zijn door de kinderrechter tijdig op het verzoek tot uithuisplaatsing gehoord. Het hof constateert dan ook ambtshalve dat is voldaan aan de formele wettelijke vereisten zoals hiervoor omschreven. Dit betekent dat thans ter beoordeling voorligt of er wordt voldaan aan de gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie.

5.8

[verzoeker] kan zich niet verenigen met de door de rechtbank verleende machtiging. Hij stelt dat er geen sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Hij meent dat de gesloten jeugdzorg juist een negatief effect heeft op zijn ontwikkeling en dat er te weinig onderzoek is gedaan naar alternatieven. Hij wil graag terug naar het pleeggezin waar ook zijn jongere broertje [F] verblijft.

5.9

De GI stelt dat [verzoeker] een zeer belast verleden heeft met hechtingsproblemen. Herhaalde (pleeggezin)plaatsingen zijn, ondanks de voor hem en de pleeggezinnen ingezette hulpverlening, mislukt omdat zijn gedragsproblemen te heftig waren. Op dit moment lijkt weer sprake te zijn van een situatie waarin [verzoeker] oppositioneel gedrag vertoont naast eventueel angsten en dwang. [verzoeker] vertoont volgens de GI grensoverschrijdend gedrag, experimenteert mogelijk met seksualiteit en middelen, accepteert geen gezag, regels en grenzen en lijkt daarop nu niet aanspreekbaar. De GI acht verblijf op een gesloten groep met voldoende structuur en veiligheid op dit moment noodzakelijk om rust voor [verzoeker] te creëren, zodat hij weer toekomt aan een positieve leeftijdsadequate ontwikkeling.

5.10

De pleegouders menen dat een gesloten plaatsing niet de juiste oplossing is voor de problemen van [verzoeker] . Zij geven aan dat de escalatie in december 2015, en het weglopen van [verzoeker] , het gevolg is geweest van aanscherping van de regels ten aanzien van opstaan, badkamergebruik en ontbijt. In de periode daarvoor hebben zij geen fysieke of verbale agressie gezien, ging hij liefdevol om met zijn broertje en pleegzus en heeft hij een actieve rol gespeeld in het gezin ten aanzien van zijn taken en sociale aangelegenheden. De pleegouders onderkennen dat [verzoeker] professionele hulp nodig heeft op een aantal gebieden maar wijzen er ook op dat het gedrag van [verzoeker] voor een deel normaal puberaal gedrag is.

5.11

Het hof stelt vast dat er ten tijde van de bestreden beschikking grote zorgen waren over het gedrag van [verzoeker] . Er was tijdens de (crisis)plaatsing bij [G] in [H] sprake van agressief en vermijdend gedrag en schoolverzuim waarbij voor [G] niet duidelijk was waar [verzoeker] op die momenten verbleef. De rechtbank heeft de machtiging voor gesloten jeugdhulp dan ook terecht verleend.

5.12

Uit de stukken waaronder het verslag van Intermetzo van 22 februari 2016 en hetgeen ter mondelinge behandeling naar voren is gekomen is echter ook gebleken dat [verzoeker] zich sinds de gesloten plaatsing positief heeft ontwikkeld, hetgeen ter mondelinge behandeling is bevestigd door de GI. Samenvattend blijkt uit genoemd verslag dat [verzoeker] in het contact met zijn behandelaren openheid geeft over zijn gevoels- en belevingswereld. Hij houdt zich aan de regels op de groep en zijn corveetaken zonder dat hij hierin aangestuurd of ondersteund dient te worden, en is gemotiveerd mee te werken aan zijn behandeling. Aangegeven wordt dat [verzoeker] de nodige klachten ervaart binnen zijn gedrag en zijn psychisch welbevinden. Hij is een getraumatiseerde adolescent met de nodige posttraumatische stressklachten. Zo piekert hij veel, komt hij hierdoor moeilijk in slaap, kampt hij met forse onlustgevoelens, heeft hij herbelevingen en is hij hyperactief. [verzoeker] staat open voor gerichte therapie. De verwachting is dat deze therapie hem helpt zijn (gedrags)problemen te verminderen.

5.13

Het hof is van oordeel dat, gelet op het ingrijpende - vrijheidsbenemende - karakter van de gesloten setting een dergelijke maatregel niet langer dient te duren dan strikt noodzakelijk is. Voor het hof staat vast dat bij [verzoeker] ten gevolge van een belaste voorgeschiedenis met een aantal traumatische gebeurtenissen sprake is van problematisch gedrag, waarbij er zorgen zijn over zijn identiteitsontwikkeling en zijn zelfbeeld. Gezien de huidige positieve ontwikkeling waarbij [verzoeker] openstaat voor hulpverlening en hij zich hiervoor ook inzet, is het hof echter van oordeel dat niet langer is gebleken dat bij [verzoeker] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Evenmin is gebleken van zorgen die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [verzoeker] zich aan de zorg die hij nodig heeft, zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Weliswaar is [verzoeker] in december 2015 bij het pleeggezin weggelopen na een conflict, maar gebleken is dat dit conflict is voortgekomen uit een aanscherping - door de GI normalisering genoemd - van de huisregels door het pleeggezin op verzoek van de GI. Daarmee werd beoogd om [verzoeker] ‘lijdensdruk’ te laten ervaren om hem meer open te laten zijn voor het behandelingstraject dat de GI begin januari 2016 wilde inzetten. De pleegouders hebben verklaard dat voordien van weglopen geen sprake is geweest. Zij erkennen wel dat sprake was van schoolverzuim in die zin dat [verzoeker] herhaaldelijk te laat op school is gekomen en af en toe niet is gegaan vanwege zijn (extreme) onzekerheid over zijn uiterlijk, maar zij geven - net als [verzoeker] -uitdrukkelijk aan dat hij ook op die momenten niet onvindbaar is geweest. Naar het oordeel van het hof is van structureel wegloopgedrag dan ook geen sprake.

5.14

Het hof acht, evenals de GI en de pleegouders, op korte termijn nader onderzoek en diagnostiek nodig. Het hof acht het van belang dat duidelijk wordt wat de oorzaak is van het gedrag van [verzoeker] en welke hulp en behandeling voor hem geïndiceerd is om onder meer zijn traumatische gebeurtenissen uit zijn verleden te verwerken, zijn identiteit te versterken en zijn zelfbeeld te vergroten. Daarbij dient ook zicht te komen op de specifieke behoeften van [verzoeker] om tot een zo evenwichtig mogelijke (verdere) ontwikkeling te komen en daarbij dient bezien te worden of het huidige pleeggezin hem kan bieden wat hij van zijn opvoeders nodig heeft. Mogelijk zal uit het onderzoek blijken dat zijn gehechtheidsontwikkeling zodanig is verstoord dat een verblijf in het huidige dan wel een ander pleeggezin voor hem (emotioneel) te veel gevraagd is. Daarop dient echter niet te worden vooruitgelopen door reeds thans aan te nemen dat het perspectief van [verzoeker] niet langer bij de pleegouders ligt althans dat een verblijf van [verzoeker] bij de pleegouders gecontra-indiceerd is.

5.15

Het hof acht in dat verband, anders dan de GI, onvoldoende gebleken dat het hiervoor genoemde voor [verzoeker] noodzakelijke onderzoek niet kan plaatsvinden vanuit het pleeggezin. Aannemelijk is dat [verzoeker] gebaat is bij de structuur en begrenzing die hem in de instelling wordt geboden, zoals de GI heeft gesteld. Het hof acht evenwel onvoldoende aannemelijk geworden dat de regels, duidelijkheid en structuur die de pleegouders hem in het afgelopen jaar hebben geboden - gezien hun ervaringen tot de escalatie in december 2015 - niet toereikend zullen zijn voor in ieder geval de periode die nodig is om het hiervoor bedoelde onderzoek van [verzoeker] te laten plaatsvinden. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de verklaring van de pleegvader ter zitting dat binnen het gezin gewone huisregels gelden, en dat [verzoeker] daarin ook begrensd wordt, maar dat zij [verzoeker] met name ten aanzien van het badkamergebruik enige ruimte hebben willen geven in verband met zijn onzekerheid over zijn uiterlijk. Het is juist ten aanzien van deze onzekerheid dat zij professionele hulp nodig achten en de pleegvader heeft benadrukt dat zij dit – vooralsnog tevergeefs - in de zomer van 2015 bij de GI hebben aangekaart. Terugkeer naar de pleegouders, ook wanneer dat tijdelijk blijkt te zijn, heeft voorts tot positief gevolg dat [verzoeker] zijn schoolgang weer kan oppakken en de omgang met zijn vrienden kan herstellen. Het hof acht dit in het belang van [verzoeker] .

5.16

Alles in ogenschouw nemende is het hof dan ook van oordeel dat op dit moment niet wordt voldaan aan de gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie.

5.17

Het hof zal, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover deze ziet op de periode tot heden en vernietigen met ingang van heden, en in zoverre opnieuw beschikkende, het verzoek om een machtiging te verlenen voor de uithuisplaatsing van [verzoeker] binnen een accommodatie gesloten jeugdhulp met ingang van heden afwijzen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 2 februari 2016 voor zover deze de periode tot heden betreft;

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in voornoemde rechtbank voor zover daarbij een machtiging verleend om [verzoeker] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en doen verblijven met ingang van de datum van deze beschikking, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot het doen opnemen en doen verblijven van [verzoeker] , geboren [in] 2000 in Mexico, in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de periode vanaf heden af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. A.R. van de Winkel en mr. G.M. van der Meer, en is op 10 maart 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.