Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2126

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
200.179.797/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.179.797/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/142450 / FJ RK 15-588)

beschikking van de familiekamer van 10 maart 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. S.C. Bosch, kantoorhoudend te Drachten,

tegen

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

kantoorhoudend te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de gecertificeerde instelling of de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [B] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B.G. Kooi, kantoorhoudende te Dokkum.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 7 augustus 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 november 2015, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt:) voor zover het de verleende machtiging tot uithuisplaatsing betreft en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing wordt afgewezen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 7 december 2015, heeft de gecertificeerde instelling het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden. De gecertificeerde instelling verzoekt het hof het appelschrift van de vader ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking met inachtneming van de artikelen 3 en 4 IVRK te bekrachtigen.

2.3

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 11 november 2015 een brief van 10 november 2015 van de Raad voor de

Kinderbescherming;

- op 22 december 2015 een proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg op 7 augustus

2015;

- op 24 december 2015 een journaalbericht van 23 december 2015 namens mr. Bosch met

bijlage;

- op 30 december 2015 een brief van dezelfde datum van de GI met bijlagen;

- op 19 januari 2016 een journaalbericht van 18 januari 2016 van mr. Kooi met bijlagen;

- op 25 januari 2016 een journaalbericht van dezelfde datum van mr. Kooi met bijlagen;

- op 28 januari 2016 een brief van 26 januari 2016 van de GI met bijlage.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 8 februari 2016 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de gecertificeerde instelling zijn mr. [C] , mevrouw [D] en de heer [E] verschenen. Voorts is de moeder verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

Mr. [C] en mr. Kooi hebben het woord ter zitting mede gevoerd aan de hand van een door hen overgelegde pleitnota.

3 De vaststaande feiten

3.1

De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn geboren de thans nog minderjarige [de minderjarige1] (hierna te noemen: [de minderjarige1] ), [de minderjarige2] (hierna te noemen: [de minderjarige2] ), beiden [in] 2006, [de minderjarige3] (hierna te noemen: [de minderjarige3] ), [in] 2008, en [de minderjarige4] (hierna te noemen: [de minderjarige4] ), [in] 2010.

3.2

Bij beschikking van 15 augustus 2012 heeft de (voormalige) rechtbank Leeuwarden de kinderen in het kader van voorlopige voorzieningen voorlopig aan de vader toevertrouwd.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 20 augustus 2013 zijn [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de GI (toen nog Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland genaamd). Deze ondertoezichtstelling is tot op heden steeds verlengd.

3.4

Bij beschikking van 4 september 2013 heeft de rechtbank het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader bepaald en een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen vastgelegd.

3.5

Bij beschikking van 17 juni 2014 zijn de kinderen middels een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing uit huis geplaatst voor de duur van vier weken. Bij beschikking van

2 juli 2014 is deze spoedmachtiging door de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, bekrachtigd.

3.6

Bij beschikking van 1 augustus 2014 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te verlengen, met de bedoeling om de kinderen bij de moeder te plaatsen, afgewezen.

3.7

De GI heeft appel ingesteld tegen de beschikking van 1 augustus 2014. Bij beschikking van 18 december 2014 heeft het hof de behandeling van deze zaak aangehouden om het verloop van een traject van kinderen en ouders bij [F] af te wachten. De GI heeft dit appel uiteindelijk op 9 juni 2015 ingetrokken.

3.8

Op 23 januari 2015 heeft de GI de rechtbank verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen af te geven voor de duur van de ondertoezichtstelling, gericht op plaatsing van de kinderen bij de moeder. De rechtbank heeft de beslissing in deze zaak aangehouden bij beschikking van 30 januari 2015 en beschikking van 18 maart 2015. Bij beschikking van 3 juni 2015 heeft de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] bij de andere ouder met gezag, namelijk de moeder, verleend met ingang van 3 juni 2015 tot uiterlijk 20 augustus 2015.

3.9

Bij verzoekschrift, bij de rechtbank ontvangen op 18 juni 2015, heeft de GI de rechtbank verzocht de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen voor de duur van een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.10

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - bestreden beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] bij de andere met gezag belaste ouder (de moeder) verlengd tot (uiterlijk)

20 augustus 2016.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van onder meer de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

4.2

De vader kan zich niet vinden in de verlenging van de uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder. Hij stelt dat er geen gronden waren dan wel zijn om de kinderen uit huis te plaatsen. Naar het oordeel van het hof is de uithuisplaatsing van de kinderen echter op goede gronden voortgezet. Ten tijde van de uithuisplaatsing waren er vanwege de heftige echtscheidingsstrijd grote zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. Er was veel onrust rondom de overgangsmomenten, de vader diskwalificeerde de moeder in het bijzijn van de kinderen en zette de kinderen in bij zijn strijd richting de moeder. [F] (hierna te noemen: [F] ) heeft in december 2014 geconstateerd dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig in het gedrang was. Alle kinderen hebben volgens [F] een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en ontwikkelingsachterstanden. Om de grote zorgen rondom de kinderen weg te nemen zouden de kinderen en de ouders een traject bij [F] volgen. Uit de stukken komt echter naar voren dat de vader, ondanks diverse toezeggingen van hem hiertoe in de diverse juridische procedures, niet tot nauwelijks met de hulpverlenende instanties samenwerkt. De grote zorgen rondom de kinderen werden daardoor niet weggenomen en de kinderen kwamen steeds meer in de knel te zitten door de voortdurende strijd die de vader aanging met de moeder en de GI.

4.3

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt duidelijk naar voren dat de vader een heel ander beeld van zijn eigen gedrag heeft dan diverse hulpverleners en de GI. De vader is van mening dat hij zich heeft ingezet tijdens het traject bij [F] . Uit de tussentijdse evaluatie van de behandeling van de kinderen en ouders bij [F] d.d. 24 januari 2016, opgesteld door drs. [G] , wordt echter een heel ander beeld van de inzet van de vader in dit traject geschetst. Hieruit komt naar voren dat de vader in woord akkoord gaat met de therapie en behandeling, maar dat hiervan in de praktijk weinig terecht komt. De vader wantrouwt de hulpverlening. Afspraken worden afgezegd en tijdens de afspraken waarop de vader wel verschijnt lukt het hem niet om met de aangedragen punten aan de slag te gaan. In de therapie weigert de vader op welke manier dan ook tot verandering te komen. Elk voorstel tot een oplossing van de problemen wordt door hem afgewezen. Hij geeft aan dat "dit niet in zijn strategie past". De vader toont zich niet genegen om naar zijn eigen aandeel in de problematiek te kijken. Het lukt de vader ook niet om het belang van de kinderen te scheiden van de financiële afwikkeling van de echtscheiding. Daarbij blijkt uit de tussentijdse evaluatie dat de kinderen vertellen dat de vader de kinderen buiten de omgangsregeling stiekem bezoekt, hetgeen de vader ontkent. Volgens [F] lijkt het er sterk op dat de vader het inzicht in de kwalijke uitwerking van dergelijk stiekem gedrag op de stabilisatie, ontwikkeling en ook gewetensontwikkeling van de kinderen ontkent of ontbeert. Gezien de eerdere contacten en ervaringen met de vader wordt voor de hulpverlening duidelijk dat de vader hier niet leerbaar in is en dat niet wordt verwacht dat hij bereid of in staat is dit inzicht te verwerven en daarnaar te handelen, aldus [F] .
De vader heeft ter zitting aangegeven zich niet te herkennen in het beeld dat [F] van hem schetst. Hij heeft ter zitting eerst gesteld dat hij inmiddels zelf een traject bij een psycholoog is gestart maar heeft bij doorvragen aangegeven dat de intake op dat moment nog plaats diende te vinden. Naar het oordeel van het hof onderschrijft dit het beeld dat de GI van de vader schetst, namelijk dat hij steeds als het vijf voor twaalf is bereid lijkt om hulp te accepteren om dit vervolgens later weer af te wijzen. Het hof ziet aanleiding aanmerkelijke waarde toe te kennen aan het door [F] geschetste beeld van (het gedrag en de houding van) de vader nu zich hiervoor meerdere aanwijzingen bevinden in het dossier en dit gedrag door de GI en de moeder wordt onderschreven.

4.4

Gelet op het feit dat er met name in de houding van de vader geen wezenlijke verandering is gekomen sinds de uithuisplaatsing van de kinderen, hij niet in staat is een neutrale positie in te nemen in het belang van de kinderen, hij geen probleembesef en inzicht in de effecten van zijn eigen handelen heeft en de grote zorgen die thans nog steeds bestaan over de kinderen is het hof dan ook, met de rechtbank, van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen dient te worden verlengd. Daarbij heeft het hof ten slotte tevens relevant geacht dat de gezinsvoogden ter zitting van het hof hebben verklaard dat het beter met de kinderen gaat sinds zij bij de moeder zijn geplaatst. De kinderen zijn rustiger geworden, minder druk en minder chaotisch. Het is van groot belang voor deze door de strijd tussen de ouders getraumatiseerde kinderen dat zij in rustig vaarwater komen zodat er ook gewerkt kan worden aan hun herstel.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 7 augustus 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. J.G. Idsardi en

mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 maart 2016 in bijzijn van de griffier.