Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2122

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
200.185.642
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vorderingen in kort geding strekkende tot het in gang zetten van een uithuisplaatsing van een minderjarige, vervanging van de gezinsvoogd en bieden van nader omschreven hulp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.185.642

(zaaknummer rechtbank Gelderland 291669)

arrest in kort geding van 15 maart 2016

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. S.G. Volbeda,

tegen:

de stichting

Stichting Jeugdbescherming Gelderland,

gevestigd te Arnhem,

advocaat: mr. N.R. Kasteel,

en

de Raad voor de Kinderbescherming regio Gelderland,

gevestigd te Arnhem,

niet verschenen,

geïntimeerden.

Appellant zal de vader worden genoemd. Geïntimeerden zullen hierna de GI (gecertificeerde instelling) respectievelijk de raad worden genoemd.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van

18 december 2015 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, tussen de vader als eiser en de GI en de raad als gedaagden heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 15 januari 2016 met grieven,

- het tegen de raad verleende verstek,

- het herstelexploot van 4 februari 2016,

- de memorie van antwoord van de GI ,

- de pleidooien van de vader en de GI, namens de vader overeenkomstig de pleitnotitie .

2.3

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Appellant is (onder anderen) de vader van [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2000, en de thans meerderjarige [kind 2] , die samen bij hun moeder wonen. [kind 1] is tot 25 mei 2016 onder toezicht gesteld van de GI. De GI is voornemens de ondertoezichtstelling niet te verlengen, In dit kort geding zijn in hoger beroep nog in geschil de vorderingen van de vader om de GI te veroordelen (verkort weergegeven):

- de uithuisplaatsing van [kind 1] met spoed in gang te zetten en haar gefaseerd te laten terugkeren naar de moeder;

- een nieuwe gezinsvoogd aan te wijzen dan wel (zich) te (doen) vervangen door een andere GI;

- professionele en gedegen hulp te bieden aan de moeder en [kind 1] ;

- de moeder en [kind 2] op verantwoorde wijze te motiveren (zodat [kind 2] weer op kamers gaat wonen);

- Multi Systeem Therapie (MST) opnieuw te starten;

- de ontwikkelingen inzake [kind 1] gedurende de gefaseerde terugplaatsing adequaat en deskundig te monitoren (en het voorstel voor de wijze van monitoren ter goedkeuring aan de vader voor te leggen);

- de vader adequaat en wekelijks te informeren over (het welzijn van) [kind 1] .

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van de vader afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

4.2

De vader is met zes grieven tegen het bestreden vonnis in kort geding opgekomen. Met de grieven beoogt de vader het geschil in hoger beroep in volle omvang voor te leggen. Hij betoogt (samengevat) dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geconcludeerd dat van een spoedeisend belang geen sprake is en ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen reden is voor een bewijsopdracht. De vader voert aan dat sprake is van spoedeisendheid omdat het niet goed gaat met [kind 1] en de huidige gezinsvoogd moet worden vervangen vanwege een escalerend communicatiepatroon tussen hem de gezinsvoogd. Een beslissing in een gewone procedure kan, om escalatie te voorkomen, niet worden afgewacht, aldus de vader.

4.3

De vader heeft ter gelegenheid van de pleidooien aangegeven dat de noodzaak om weer over te gaan tot de uithuisplaatsing van [kind 1] is gelegen in het feit dat zij met verkeerde vrienden omgaat, dat zij blowt, dat haar schoolprestaties tegenvallen en dat zij met grote regelmaat ruzie heeft met haar moeder en haar zus.

4.4

Naar het voorlopig oordeel van het hof leveren de door de vader aangevoerde omstandigheden, nog daargelaten de bestrijding daarvan door de GI, onvoldoende grond op voor de door vader beoogde uithuisplaatsing, waartoe immers slechts overgegaan kan en mag worden indien dit noodzakelijk is in het belang van de minderjarige en er geen minder verstrekkende mogelijkheden voorhanden zijn. Van die noodzaak is voorshands geenszins gebleken. De vordering tot (spoed)uithuisplaatsing zal dan ook alleen al om die reden worden afgewezen.

4.5

Ten aanzien van de aanwijzing van een nieuwe gezinsvoogd dan wel een nieuwe GI overweegt het hof als volgt. Alhoewel vast staat dat er een slechte werkrelatie bestaat tussen de gezinsvoogd en de vader is in deze procedure niet gebleken van een dusdanig spoedeisend belang om voorlopige voorzieningen te treffen, dat de uitkomst van daarvoor in aanmerking komende, maar nog niet geëntameerde, procedures ex artikel 1:259 en 1: 262b BW niet afgewacht kunnen worden. Bovendien is naar het voorlopig oordeel van het hof niet komen vast te staan dat de GI dan wel de huidige gezinsvoogd die namens de GI met de uitvoering van de ondertoezichtstelling is belast hun taak niet naar behoren uitvoeren. De vorderingen die strekken tot vervanging GI te vervangen en /of een andere gezinsvoogd zullen worden afgewezen.

4.6

Het hof overweegt voorts dat ook de overige vorderingen van de vader afstuiten op het niet volgen van de daartoe bestemde procedure ex artikel 1:262b BW, terwijl voor deze vorderingen ook niet een spoedeisend belang om voorlopige voorzieningen te treffen is komen vast te staan, nog daargelaten of deze vorderingen overigens toewijsbaar zouden zijn geweest.

4.7

Als uitgangspunt geldt, gelet op de aard van het kort geding, dat in deze procedure in het algemeen geen plaats is voor uitgebreide bewijslevering. Niet gebleken is dat er in deze zaak redenen zijn om van dat uitgangspunt af te wijken. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van de vader.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof de vader in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de GI worden begroot op

€ 718,- aan griffierecht en op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief ( 3

punten x tarief II ).

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de raad worden begroot op NIHIL.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland in kort geding van 18 december 2015;

veroordeelt de vader in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de GI vastgesteld op € 718,- aan verschotten en op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en J.U.M. van der Werff en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2016.