Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2069

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
18-03-2016
Zaaknummer
15/00064
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:6223, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Snelle doorverkoop pand, geen bijzondere kennis aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/642
V-N 2016/38.16 met annotatie van Redactie
FutD 2016-0718
NTFR 2016/1168 met annotatie van drs. R.P. Bitter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 15/00064

uitspraakdatum: 15 maart 2016

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst MKB/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

en het incidentele hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 december 2014, nummer AWB LEE 13/2680, in het geding tussen de Inspecteur en belanghebbende.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 376.257 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 250.000. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 23.226.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 9 december 2014 gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de bestreden navorderingsaanslag en de bestreden beschikking heffingsrente vernietigd, de Inspecteur opgedragen het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten.

1.4

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft in zijn verweerschrift (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep van belanghebbende beantwoord.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2016 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en drs. [A] , als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [B] , alsmede mr. [C] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [D] en [E] .

1.7

Ter zitting zijn tevens de zaken geregistreerd onder de nummers 15/00065 en 15/00066 ( [B] ) behandeld.

1.8

De Inspecteur heeft een pleitnota overgelegd.

1.9

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is geboren [in] 1968 en is 100% aandeelhouder van [F] B.V. Deze vennootschap exploiteert, samen met een dochtervennootschap, onder andere onroerende zaken.

2.2

In 2005 heeft de heer [G] (hierna ook: [G] ), in de hoedanigheid van bestuurder van [H] B.V., een onafhankelijke derde, het pand “ [I] ” te [J] ( [I] ) in verhuurde staat aan [B] te koop aangeboden voor € 3.343.000. Hierbij is tevens een huurderslijst overgelegd. Van het aanbod heeft [B] geen gebruik gemaakt.

2.3

In 2005 hebben [B] en een door belanghebbende beheerste vennootschap gezamenlijk een pand aangekocht aan de [a-straat] in [J] .

2.4

Begin 2006 heeft [G] , in de hoedanigheid van bestuurder van [H] B.V., [I] in verhuurde staat telefonisch aan belanghebbende te koop aangeboden voor € 3.175.000. In de door [G] opgestelde overzichten is de begane grond van het pand als winkelruimte opgenomen en als zodanig gewaardeerd.

2.5

Belanghebbende heeft contact gezocht met [B] om [I] gezamenlijk aan te kopen. Op 14 september 2006 heeft belanghebbende telefonisch aan [G] doorgegeven het pand voor € 2.750.000 te willen kopen. Dit bod is op dezelfde dag door [G] aanvaard. Belanghebbende en [B] hebben op 14 september 2006 schriftelijk vastgelegd dat zij overeengekomen zijn om [I] gezamenlijk aan te kopen voor € 2.750.000. [G] heeft op 14 september 2006 het overzicht met huurders, huur, huurtermijnen en verhuurde meters aan belanghebbende gefaxt, tezamen met een kort begeleidend schrijven. Belanghebbende heeft de fax met een begeleidende opmerking voor akkoord ondertekend en retour gefaxt.

2.6

Op 28 september 2006 is de koopovereenkomst tussen [G] en belanghebbende door [G] ondertekend en geparafeerd. In deze koopovereenkomst is het volgende vermeld:

“OPGAVEN DOOR VERKOPER

Artikel 2 Verkoper garandeert: (…) t. Het verkochte uitsluitend te hebben gebruikt als kantoorpand voor eigen gebruik en voor de verhuur van kantoorruimten aan derden.”

Op verzoek van belanghebbende heeft de notaris in de kantlijn bijgeschreven: “- annex winkel”. Deze toevoeging dient geplaatst te worden na het woorddeel “kantoor”, waardoor er daarna staat: “verhuur van kantoor- annex winkelruimten aan derden”. Deze wijziging is door de verkoper geparafeerd. Belanghebbende heeft de overeenkomst op 4 oktober 2006 ondertekend en geparafeerd.

2.7

Op 5 oktober 2006 heeft belanghebbende een gesprek met de [a-bank] gevoerd over een financieringsaanvraag van € 1.500.000 voor de aankoop van [I] te [J] . Met datum 4 december 2006 heeft de accountmanager van de [a-bank] naar aanleiding van voornoemd gesprek aan belanghebbende een financieringsvoorstel doen toekomen.

2.8

Belanghebbende is in contact gekomen met [K] , die een geïnteresseerde koper wist voor [I] . Het betreft [L] (hierna ook: [L] ).

2.9

In een emailbericht van 17 oktober 2006 van [K] aan [L] heeft [K] laten weten dat de vraagprijs voor [I] € 3.600.000 is (15 maal de jaarhuur van € 240.000). Per mail van 17 oktober 2006 heeft [L] om nadere informatie verzocht, en deze mail is op 23 oktober 2006 tevens aan belanghebbende gezonden. Op 21 en 23 oktober 2006 heeft er eveneens e-mailcontact plaatsgevonden tussen [K] en [L] .

2.10

Belanghebbende heeft op 3 november 2006 per brief een BTW-nummer aangevraagd in verband met de voorgenomen verhuur van [I] door hem en [B] .

2.11

Op 9 november 2006 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [L] , [B] en belanghebbende ten kantore van [L] te [M] , waarbij [K] ook aanwezig was. Op 15 november 2006 is het gesprek voortgezet bij belanghebbende en is het pand bezichtigd. Hier waren [L] partner en zonen ook bij aanwezig. Er is overeenstemming bereikt over de koopsom van € 3.325.000.

2.12

Op 17 november 2006 heeft [L] het bericht van de gemeente Sneek ontvangen, dat er op [I] geen winkelbestemming rust.

2.13

Op 28 november 2006 is het koopcontract tussen belanghebbende, [B] en [L] (namens de vennootschap [N] B.V.) ondertekend. In artikel 10 van deze overeenkomst is het volgende vermeld:

“gegarandeerde verklaringen van verkoper

Artikel 10

Verkoper garandeert, onverminderd het hiervoor verklaarde in de artikelen 5 en 6, koper het navolgende: (…) d. het verkochte kantoorgebouw heeft op de begane grond ook de publiekrechtelijke bestemming: winkels. (…)”.

2.14

Op 16 januari 2007 heeft [G] (namens de vennootschap [H] B.V.) [I] aan belanghebbende en [B] geleverd.

2.15

Op 19 januari 2007 hebben belanghebbende en [B] [I] aan [N] B.V. geleverd. Op diezelfde datum heeft [N] B.V. derdenbeslag laten leggen bij de notaris voor een bedrag van € 938.000 wegens wanprestatie omdat er geen winkelbestemming op het pand bleek te rusten (zie 2.12).

2.16

De procedure tussen belanghebbende, [B] en [N] B.V. is beëindigd door middel van een schikking. [B] en belanghebbende hebben elk aan [N] B.V. € 35.000 betaald. [G] heeft in dit kader € 25.000 aan belanghebbende en [B] betaald.

2.17

In 2008 hebben [B] en belanghebbende gezamenlijk een pand aan [de b-straat] 43 in [O] aangekocht en vervolgens verhuurd.

2.18

Op 10 oktober 2011 heeft [L] over de levering van [I] aan de belastingdienst onder andere het volgende verklaard:

“Dhr. [L] : ik wist vóór de ondertekening van de koopovereenkomst dat niet geleverd kon worden, hetgeen in de koopovereenkomst was vermeld (geen winkelbestemming). Ik mocht de beide heren echter niet en wilde hen ‘een hak zetten’. In december 2006 heeft makelaar [P] het pand getaxeerd. De onderhandse verkoopwaarde werd door hem getaxeerd op 4 miljoen euro. Ik had het pand dus niet te duur gekocht. Dhr. [G] had veel te weinig ontvangen. Dhr. [G] had het ‘onder pressie’ verkocht. Mogelijk dat hij op zeer korte termijn over liquide middelen moest beschikken…?? (…) Op 13 februari 2007 kregen wij bericht van de ongenezelijke ziekte van mijn echtgenote. Financiële zaken zijn dan geheel ondergeschikt. Ik heb dan ook besloten ‘de gehele kwestie af te dealen. Ik heb 25.000 euro ontvangen van dhr. [G] . In de koopovereenkomst tussen [G] en [X] / [B] zal ook gestaan hebben dat er winkelbestemming op [I] ‘zit’.”.

2.19

Belanghebbende heeft op 21 april 2009 zijn aangifte IB/PVV 2007 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 129.971 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 250.000.

2.20

Met dagtekening 31 juli 2009 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2007 conform de door belanghebbende ingediende aangifte opgelegd.

2.21

Op 17 mei 2010 heeft de Inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Hiervan is op 6 augustus 2012 een rapport opgemaakt. Onder “Reikwijdte van het onderzoek” is het volgende opgenomen:

De reikwijdte van het onderzoek is: de juistheid van de verwerking van de onroerend transactie “ [I] “ Dit betreft een bedrijfspand aan [de c-straat] 15 te [J].”.

2.22

In het bij 2.21 vermelde controlerapport is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

“3.5 Fiscale beoordeling allocatie van het resultaat (…) Conclusie;

Gezien de handelingen: actief te koop aanbieden, het (laten) wijzigen van de omschrijving van het pand en de ervaring en deskundigheid van de betrokkenen is hier sprake van een handelstransactie met een voorzienbaar voordeel wat belast moet worden als Resultaat uit Overige Werkzaamheden

Correctie: jaar 2007 Resultaat uit Overige Werkzaamheden (Box 1): € 246.286

4 Aangifte inkomstenbelasting/Premie volksverzekeringen (uitgezonderd winst uit onderneming)

4.1

Inkomstenbelasting/Premie volksverzekeringen

Jaar 2007

Aangegeven inkomsten uit werk en woning (box 1)

€ 129.971

Correctie inkomsten uit overige werkzaamheden € 246.286

Gecorrigeerd inkomen uit werk en woning € 376.257 ”.

2.23

Bij brief van 7 juli 2010 heeft de Inspecteur vragen gesteld aan belanghebbende, waarop belanghebbende bij brief van 31 juli 2010 heeft gereageerd.

2.24

Op 6 april 2011 heeft de Inspecteur een gesprek gevoerd met [G] . Hiervan is een verslag opgesteld.

2.25

Op 10 oktober 2011 heeft de Inspecteur een gesprek gevoerd met [L] . Hiervan is een verslag opgesteld. Per e-mail zijn nadere opmerkingen door [L] gemaakt naar aanleiding van het verslag.

2.26

Op 21 november 2011 heeft de Inspecteur een brief aan [B] gezonden met de voorlopige bevindingen van het ingestelde boekenonderzoek (zie 2.21). Hierop heeft belanghebbendes gemachtigde op 23 december 2011 gereageerd.

2.27

Op 26 januari 2012 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de Inspecteur en [K] ( [K] ). Hiervan is een verslag opgesteld. Per e-mail heeft [K] op 30 januari 2012 het volgende aangevuld:

“Geachte heren [Q] en [E] ,

Ik heb eerder lopen zoeken naar deze zaak. Ik heb hier destijds uit geconcludeerd dat het in de week van 4 september 2006 moet zijn geweest dat dhr. [X] mij het eerst heeft aangesproken over het pand gelegen aan [de c-straat] te [J] . Hij heeft mij gevraagd of ik een koper wist.

Helaas kan ik hiervan geen agenda stukken of emails meer achterhalen. (…)”.

2.28

Tot de gedingstukken behoort een bij de notaris door [K] afgelegde verklaring van 25 september 2013 waarin [K] onder meer verklaart:

“Echter moet ik de datum in de week van 4 september corrigeren na het zien van het mailverkeer tussen mij en de heer [L] . Na het zien van het eerste mail verkeer tussen mij en de heer [L] kan ik zeker verklaren dat het eerste contact tussen mij en [X] niet voor 15 of 16 oktober is geweest. (…)”.

2.29

Op 16 februari 2012 heeft belanghebbendes gemachtigde aan de Inspecteur een brief gestuurd, vooruitlopend op de voorgenomen bespreking van 21 februari 2012.

2.30

Op 13 maart 2012 heeft de Inspecteur een brief aan de gemachtigde van belanghebbende gestuurd naar aanleiding van het gesprek van 21 februari 2012, waarin hij heeft vermeld dat hij de brief van 16 februari 2012 niet tijdig had ontvangen.

2.31

Met dagtekening 1 september 2012 heeft de Inspecteur vervolgens de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 376.257 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 250.000. Tevens is een bedrag van € 23.226 aan heffingsrente in rekening gebracht.

2.32

Belanghebbende heeft bij brief van 2 oktober 2012 pro forma bezwaar aangetekend en bij brief van 5 maart 2013 het bezwaar gemotiveerd. Op 28 mei 2013 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.

2.33

Bij uitspraak op bezwaar van 28 augustus 2013 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende afgewezen en de navorderingsaanslag gehandhaafd.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 terecht aan belanghebbende is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de door belanghebbende behaalde opbrengst met de verkoop van [I] ter grootte van € 246.286 in 2007 bij hem terecht is belast als resultaat uit overige werkzaamheden.

3.2

De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.3

Belanghebbende beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 - vermelde vraag ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf en vooreerst

4.1

Het Hof zal het door belanghebbende ingestelde (voorwaardelijk) incidentele appel niet-ontvankelijk verklaren. Het overweegt daartoe dat, nu belanghebbende door de Rechtbank volledig in het gelijk is gesteld, en in hoger beroep alle weren van belanghebbende herleven, hij geen belang heeft bij het (voorwaardelijk) incidentele appel.

Ten gronde

4.2

Artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) bepaalt dat belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden is die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren. Artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB bepaalt dat onder werkzaamheid mede wordt verstaan: het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat, zoals bij het uitponden van onroerende zaken, het in belangrijke mate door de belastingplichtige zelf verrichten van groot onderhoud of andere aanpassingen aan een zaak, of het aanwenden door de belastingplichtige van voorkennis of daarmee vergelijkbare bijzondere vormen van kennis.

4.3

De Inspecteur heeft in hoger beroep gesteld dat de (participatie in de) hiervoor – onder 2.4 tot en met 2.15 – bedoelde vastgoedtransactie voor belanghebbende een werkzaamheid vormt in de zin van de artikelen 3.90 en 3:91 van de Wet IB. Hij heeft daartoe meer specifiek gesteld dat belanghebbende met (zijn participatie in) de bedoelde transactie meer arbeid heeft verricht dan in het geval van normaal, actief vermogensbeheer, zodat sprake is van een wijze van rendabel maken welke een werkzaamheid vormt. De Inspecteur stelt in dat kader dat belanghebbende kennis van vastgoed heeft en deze kennis heeft aangewend. De Inspecteur heeft in dat kader primair aangevoerd dat belanghebbende reeds op het tijdstip van de aankoop van [I] van [G] , te weten 14 september 2006, overeenstemming had bereikt over de wederverkoop aan [L] dan wel [N] B.V. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur, op wie te dezen, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door belanghebbende, de bewijslast rust, deze stelling niet aannemelijk gemaakt. Vaststaat immers dat, blijkens de hiervoor – onder 2.9 – vastgestelde feiten, op 17 oktober 2006 in een emailbericht van [K] aan [L] is vermeld dat de vraagprijs voor [I] € 3.600.000 bedroeg, terwijl pas op 15 november 2006 door [L] het pand is bezichtigd, en pas nadien overeenstemming is bereikt over de koopsom.

4.4

De Inspecteur heeft subsidiair aangevoerd dat belanghebbende [I] heeft gekocht met het oogmerk om dit met winst door te verkopen en niet ter belegging aan te houden en wijst daarbij op het bijschrijven van de woorden “annex winkel” in de kantlijn van de koopovereenkomst, terwijl belanghebbende zou hebben geweten dat van een winkelbestemming geen sprake was, en op de omstandigheden dat belanghebbende verder in privé geen bedrijfspanden had of heeft die hij verhuurt of ter belegging aanhoudt, dat sprake was van aankoop met een 100% financiering en dat het contact met [K] al zou zijn gelegd vóór het moment van aankoop van het pand. Voorts stelt de Inspecteur zich in hoger beroep op het standpunt dat de – met de gereleveerde transactie - gerealiseerde verkoopwinst van € 575.000 wordt veroorzaakt door een “bestemmingswijziging”. Naar het Hof begrijpt uit de toelichting van de Inspecteur ter zitting van het Hof, stelt de Inspecteur daarmee dat de gerealiseerde verkoopopbrengst van € 575.000 wordt veroorzaakt door de aankoop van een pand met een kantoorbestemming en de daarop volgende verkoop aan een onafhankelijke derde onder het valse voorwendsel dat daarop een winkelbestemming zou rusten.

4.5

In zijn arrest van 24 december 2010 (HR 24 december 2010, nr. 09/02964, ECLI:NL:HR:BM9252, BNB 2012, 21) heeft de Hoge Raad in het kader van de toepassing van artikel 3.91, eerste lid, onder c, van de Wet IB geoordeeld dat het uitponden van onroerende zaken niet zonder meer tot belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden leidt, maar dat alleen bijzondere kennis kan leiden tot het aannemen van resultaat uit overige werkzaamheden. Naar het oordeel van de Hoge Raad gaat het om 'meer dan normaal actief vermogensbeheer' in plaats van 'normaal vermogensbeheer' en om 'bijzondere kennis' in plaats van 'kennis, ervaring en relaties'. Naar het oordeel van het Hof, dient dit door de Hoge Raad aangelegde criterium ook in onderhavige zaak te worden aangelegd.

4.6

Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat belanghebbende bijzondere vormen van kennis heeft aangewend in de zin van artikel 3.91, eerste lid, onder c, van de Wet IB. De algemene kennis van belanghebbende over de vastgoedwereld en de hoedanigheid van ervaren belegger, is op zichzelf daarvoor onvoldoende, evenals relaties in de vastgoedbranche zoals met [K] .

4.7

In zijn arrest van 17 december 1999 (HR 17 december 1999, nr. 34 130, ECLI:NL:HR:AA2656, BNB 1999/249) overwoog de Hoge Raad onder meer in het kader van de destijds geldende regeling in artikel 22, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964: “Het Hof heeft in zijn uitspraak onder 5.3.2 tot uitgangspunt genomen dat koop van vermogensbestanddelen, in de wetenschap dat deze met winst kunnen worden verkocht, in beginsel tot belastbaarheid van de verkoopwinst op de voet van artikel 22, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 leidt. Terecht wordt in middel I betoogd dat bij dit uitgangspunt ten onrechte de opbrengst van transacties die in de vermogenssfeer liggen tot de inkomsten uit arbeid wordt gerekend. Koop van vermogensbestanddelen in de wetenschap dat deze met winst kunnen worden verkocht leidt alleen dan tot arbeidsinkomsten in de vorm van inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en diensten indien die koop is geschied met het oogmerk door wederverkoop voordeel te behalen en die wederverkoop daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.”.

4.8

Voor zover de Inspecteur heeft beoogd (mede) te stellen dat belanghebbende bij (zijn participatie in) de aankoop van de hiervoor bedoelde onroerende zaak steeds heeft gehandeld in de wetenschap dat deze met winst zou kunnen worden verkocht en met het oogmerk door wederverkoop voordeel te behalen, heeft hij deze stelling met hetgeen hij (in eerste aanleg en in hoger beroep) naar voren heeft gebracht, niet aannemelijk gemaakt. Er is niet gebleken van reeds ten tijde van de aankoop gemaakte afspraken tot wederverkoop voor een hoger bedrag, noch is gebleken van omstandigheden op grond waarvan bij belanghebbende ten tijde van de aankoop bijzondere kennis of wetenschap (en het oogmerk) bestond dat het pand met winst zou (kunnen) worden verkocht.

4.9

De stelling dat belanghebbende door de toevoeging in de koopakte van de woorden “annex winkel” de bedoelde opbrengst heeft gerealiseerd, en daarmee activiteiten heeft verricht die normaal vermogensbeheer te boven gaan, is door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt, reeds niet vanwege de verklaring (onder 2.18) van [L] , een onafhankelijke derde, dat hij voorafgaand aan de aankoop wist dat geen sprake was van een winkelbestemming. Ten overvloede overweegt het Hof nog dat, indien [L] niet geweten zou hebben dat (uitsluitend) van een kantoorbestemming sprake was, de bedragen die door belanghebbende (en [B] ) in het kader van een schikking in dat verband aan de koper, [L] , zijn betaald, dusdanig laag zijn, dat een andere bestemming niet zonder meer tot een waardesprong, als door de Inspecteur betoogd, zou hebben geleid. Daar komt bij dat belanghebbende om dezelfde reden is gecompenseerd door de verkoper.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2 punten  wegingsfactor 1  € 496 = € 992 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (in hoger beroep). Gelet op de samenhang met de zaken met nummers 15/00065 en 15/00066, dient in de onderwerpelijke zaak € 331 te worden toegekend.

6 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het (voorwaardelijk) incidentele appel niet-ontvankelijk,

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 331 en

- bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 503.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 15 maart 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong)

(P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 16 maart 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.