Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2023

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
21-005321-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing jeugdstrafrecht bij meerderjarige verdachte. Bevestiging van het vonnis, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. Het hof legt op een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0067
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005321-15

Uitspraak d.d.: 15 maart 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van

8 september 2015 met parketnummer 05-740119-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1997] ,

thans verblijvende te [verblijfplaats] , [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 maart 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. H.M.W. Daamen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, behalve ten aanzien van de aan de verdachte op te leggen straf en/of maatregel en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. Daarom dient het vonnis waarvan beroep met overneming van die gronden te worden bevestigd, behalve voor zover het betreft de strafoplegging en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op die onderdelen worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte ter zake van het bewezen verklaarde met toepassing van het jeugdsanctierecht veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 183 dagen met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd en daarbij geadviseerd de verdachte te plaatsen in de Forensisch Psychiatrische Jeugdkliniek [jeugdkliniek] te [plaats] .

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het bewezen verklaarde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest en dat daarnaast een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wordt opgelegd.

De raadsman heeft verzocht om ook in hoger beroep het jeugdsanctierecht toe te passen. Voorts heeft hij verzocht om bij de straftoemeting rekening te houden met aspecten die op basis van de LOVS-oriëntatiepunten strafverminderend kunnen werken, met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld en met het advies van de deskundigen om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De raadsman heeft bepleit om een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest op te leggen en om de door de deskundigen geadviseerde behandeling op te leggen in het kader van een voorwaardelijke jeugddetentie of een gedragsbeïnvloedende maatregel dan wel (subsidiair) in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. De raadsman heeft daarbij aangegeven dat de verdachte en zijn ouders van mening zijn dat de noodzakelijke behandeling ook ambulant kan plaatsvinden.

Het hof komt net als de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank tot het oordeel dat toepassing van het jeugdsanctierecht aangewezen is en dat aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel dient te worden opgelegd. Anders dan de rechtbank gaat het hof uit van een voorarrest van (inmiddels) 7 maanden.

Met overneming van de overwegingen van de rechtbank overweegt het hof in het kader van de straftoemeting als volgt.

Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, en met de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting. Hij heeft [slachtoffer] van haar fiets geduwd, haar met een hand bij de keel gepakt, haar betast en haar gedwongen tot orale seks. Verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke misdrijven hier nog lang lichamelijke en psychische klachten van kunnen ondervinden. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer erg bang is geweest ten tijde van het delict. Ook in de periode na het delict waren de gevolgen van deze gebeurtenis groot voor het slachtoffer. Zij heeft nog steeds te maken met angsten en zij kampt met een posttraumatische stressstoornis, waarvoor zij hulp heeft gezocht bij een psycholoog. Een dergelijk feit veroorzaakt bovendien gevoelens van angst in de samenleving.

Bij de beslissing over de straf heeft het hof verder rekening gehouden met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• het uittreksel Justitiële Documentatie van 2 februari 2016;

• de Pro Justitia rapportages (triple onderzoek) opgemaakt door [psychiater] (psychiater), [psycholoog 1] (GZ-psycholoog) en [forensisch milieuonderzoeker] (forensisch milieuonderzoek), gedateerd 19 augustus 2015, 18 augustus 2015 en 9 augustus 2015 alsmede de mondelinge toelichting van voornoemde deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep;

• de verklaring van GZ-psycholoog [psycholoog 2] ter terechtzitting in hoger beroep;

• het advies van Reclassering Nederland van 9 september 2015 alsmede de mondelinge toelichting van reclasseringswerkers mevrouw [reclasseringsmedewerker 1] en de heer [reclasseringsmedewerker 2] ter terechtzitting in hoger beroep;

• het advies van Reclassering Nederland, zoals opgenomen in een e-mailbericht van 25

augustus 2015.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 februari 2016 volgt dat verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld.

Psychiater [psychiater] concludeert in de Pro Justitia rapportage onder meer het volgende:

(...) Betrokkene heeft een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een stoornis in het

autisme spectrum van het type PDD-NOS. Betrokkene heeft vooral last van beperkingen in

de sociale interactie, kan anderen niet goed aanvoelen en heeft een gebrekkige empathie en

een lacunair geweten. (...) PDD-NOS is een ontwikkelingsstoornis en van kind af aan

aanwezig. Dit was ten tijde van het tenlastegelegde delict aanwezig. (...)

Mocht de rechtbank betrokkene schuldig achten aan het tenlastegelegde, dan is er een relatie tussen de PDD-NOS en het tenlastegelegde delict voorstelbaar. Hij voelt sociale situaties niet aan, heeft een sterke behoefte aan een vriendin en aan seks, waardoor hij het slachtoffer dwingt hem te pijpen (mits bewezen), waarbij het door zijn PDD-NOS met een gebrek aan empathie en zijn lacunaire geweten zijn eigen seksuele behoeftes stelt voor de belangen van het slachtoffer (mits bewezen). Hij is zich echter wel rationeel heel goed bewust van wat wel en wat niet mag en keurt verkrachtingen ook niet goed. Als het huidige delict bewezen wordt geacht dan was zijn gedrag deels berekenend, doordat hij achter het slachtoffer is aangefietst en dat hij een heel stil stuk van het fietspad heeft uit gekozen op een moment dat er niemand anders aanwezig was. Indien de rechtbank betrokkene schuldig acht aan het tenlastegelegde dan is het advies van de onderzoekster om betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen (...). Op basis van de justitiële documentatie geldt betrokkene als een first offender. Wanneer echter de voorgeschiedenis in de vorm van de aangiftes en de zorgen op school en bij de wijkagent hierbij genomen worden, blijkt er toch een patroon te ontstaan, waarbij het grensoverschrijdende gedrag van betrokkene naar meisjes toe steeds ernstiger wordt. Betrokkene heeft geen rem op het gedrag door zijn gebrek aan empathie, het lacunaire geweten en ouders die hem ondanks de eerdere aangiftes niet voldoende hebben begrensd. De onderzoekster schat daarom het risico op een recidive van seksueel gewelddadig gedrag in als hoog (...). Gezien de te verwachten langdurige behandeling, het gebrek aan ziektebesef en het gebrek aan motivatie voor een behandeling blijkt het nodig om betrokkene in een gedwongen kader te behandelen. Het advies van de onderzoekster is om de behandeling bij betrokkene op te leggen in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel, met als voorwaarde een begin met een klinische behandeling en een ambulant vervolg. (...) Gezien de jonge sociaal-emotionele ontwikkeling, omdat hij nog niet eerder jeugdhulpverlening en behandeling voor zedendelicten heeft gehad en omdat de inschatting is dat hij hier wel van kan profiteren, waarbij er geen contra-indicaties zijn voor het minderjarigenstrafrecht en het meerderjarigenstrafrecht niet bij hem aansluit, is het advies om bij betrokkene het minderjarigenstrafrecht toe te passen. (...)

GZ-psycholoog [psycholoog 1] concludeert in de Pro Justitia rapportage onder meer het volgende:

(...) Betrokkene is lijdend aan een stoornis in het autisme spectrum en wel PDDNOS. (...)

Dit was ook zo ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde. (...) Betrokkene is tot het

tenlastegelegde gekomen vanuit een kinderlijke impulsieve impuls waar hij geen rem op kon

zetten wegens het, vanwege zijn stoornis, ontbreken van zelfreflectie en vermogen tot

verplaatsing in het slachtoffer. Dit gebeurde in hoge mate. Dit leidt tot het advies om

betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar te achten. (...) De geconstateerde stoornis in

combinatie met de grote toegeeflijkheid van het opvoedingsmilieu heeft ertoe geleid dat er

geen besef is van de ernst van de gepleegde feiten. In feite is er te weinig ‘geweten’

ontwikkeld. (...) De ernst van de stoornis in samenhang met het ontbreken van een gezonde

pedagogische structuur in het thuismilieu zullen naar alle waarschijnlijkheid nagenoeg elke

therapeutische winst in een ambulante of semi-residentiele setting minimaliseren. Geadviseerd wordt daarom plaatsing in een jeugdpsychiatrische setting, bij voorbeeld ‘ [jeugdkliniek]

’ te [plaats] , dan wel in [instelling] in de speciale afdeling waar

behandeling van jeugdige zedendelinquenten plaats vindt. Aangezien [verdachte] erg gericht is

op het vervolgen van zijn opleiding moeten er opleidingsmogelijkheden zijn. Die zijn er in

beide instellingen. De mogelijkheid voor een intensief betrekken van het gezin van herkomst

bij de behandeling van [verdachte] om zodoende het gezin ‘mee te ontwikkelen’ met de

ontwikkeling die [verdachte] zat gaan doormaken, is bij [jeugdkliniek] uitdrukkelijker aanwezig.

Derhalve is deze te prefereren. Qua juridisch kader wordt een voorwaardelijke maatregel

geadviseerd, waarbij klinische behandeling in een forensisch-psychiatrische setting, dan wel in een JJI, opgelegd wordt. (...) Er zijn contra-indicaties voor toepassing van het

volwassenenstrafrecht, derhalve wordt geadviseerd om het minderjarigenstrafrecht toe te

passen. [verdachte] is qua emotionele ontwikkeling kinderlijk. Een langerdurende behandeling in een jeugdpsychiatrische kliniek dan wel in een JJI is van belang om de ontwikkeling zodanig te stimuleren dat het recidivegevaar vermindert. Een behandeling ambulant of semi

residentieel zal niet werken omdat naar verwachting de pedagogische mogelijkheden in het

thuismilieu te gering zijn en het recidiverisico te hoog. (...).”

Reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker 1] van Reclassering Nederland heeft in het e-mailbericht van 25 augustus 2015 geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. Indien de tenlastelegging bewezen wordt geacht en de ernst van het feit dit toelaat, wordt geadviseerd om een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen met als bijzondere voorwaarden een klinische behandeling bij [jeugdkliniek] te [plaats] met aansluitend een ambulante behandelverplichting, alsmede een meldplicht bij de jeugdreclassering uitgevoerd door de Jeugdbescherming Gelderland. Met name de mogelijkheid om het gezinssysteem te betrekken bij de behandeling is van belang. Mocht een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel overwogen worden dan wordt plaatsing in de justitiële jeugdinrichting [instelling] geadviseerd. Zij hebben een afdeling gericht op de behandeling van zedenproblematiek.

Na het vonnis van de rechtbank heeft de raadkamer van het hof de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst met ingang van 12 oktober 2015 voor de duur van zes maanden (of zoveel korter als de behandeling eerder zal eindigen) onder o.a. de voorwaarden dat verdachte zal verblijven bij [jeugdkliniek] en dat hij zal meewerken aan de behandeling bij [jeugdkliniek] .

Ter terechtzitting van het hof is de hoofdbehandelaar van verdachte bij [jeugdkliniek] , GZ-psycholoog [psycholoog 2] , als (getuige-)deskundige gehoord. Zij heeft verklaard dat verdachte vanwege zijn autisme heel veel begeleiding nodig heeft. Het is moeilijk voor verdachte om zijn eigen aandeel te zien en er ontstaat snel miscommunicatie met anderen. Verdachte vindt het lastig om dat wat hij heeft geleerd, toe te passen in een nieuwe situatie. Dat betekent eigenlijk dat hij in elke (iets afwijkende) situatie opnieuw moet leren hoe hij het aanpakt. Dat kost heel veel tijd. Er is veel herhaling nodig. Het gaat om een continu proces. Op dit moment staat verdachte nog maar aan het begin. Het gaat in hele kleine stapjes en de verwachting is dat het jaren zal duren. De steun die verdachte nodig heeft, is door ouders niet te bieden. Gemiddeld duurt een behandeling van jeugdigen in [jeugdkliniek] tussen de anderhalf en twee jaar. Voor zedendelinquenten varieert de duur van de behandeling van zes maanden tot zes jaar. Een gesloten setting wordt op dit moment strikt noodzakelijk geacht. Het recidiverisico wordt nog steeds als hoog ingeschat.

Psychiater [psychiater] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat verdachte zich, als gevolg van zijn autisme, moeilijk kan verplaatsen in een ander. Verdachte zal dat op cognitieve wijze moeten leren. Hoe lang dat gaat duren, hangt af van hoe snel verdachte het oppikt. Sinds verdachte in [jeugdkliniek] is opgenomen, is er nog maar weinig verandering te zien. Het zal een kwestie van jaren zijn. Om het (hoge) recidiverisico terug te dringen is het van belang dat verdachte een behandeling krijgt waarbij het gezinssysteem wordt betrokken. Om die reden wordt behandeling door [jeugdkliniek] geadviseerd. Het autisme van verdachte is zo ernstig, dat de ouders van verdachte onmachtig zijn om hem te begrenzen. Een 24 uurs behandeling is gewenst omdat verdachte beperkingen heeft in zijn normale sociale omgeving. Hij heeft de groep nodig om hetgeen hij in therapie leert, toe te passen. Bij een ambulante behandeling waarbij verdachte in het gezin verblijft, zal dit niet lukken omdat het gezinssysteem wel beschermend, maar niet behandelend en lerend kan werken, wat wel noodzakelijk is gelet op het hoge recidiverisico bij verdachte.

GZ-psycholoog [psycholoog 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat verdachte moet leren wat het effect is van zijn handelen op anderen en dat dat een kwestie is van trainen, trainen en nog eens trainen. Een ambulante behandeling zal verkeerd lopen, omdat het pedagogisch klimaat thuis ontbreekt. Verdachte moet begeleid worden op een andere manier dan waartoe het gezin in staat is of waartoe een gezin misschien wel überhaupt in staat is. Het is van belang dat de ouders mee veranderen met verdachte. Het zich niet in anderen kunnen verplaatsen is het kernprobleem, naast het feit dat er sprake is bij verdachte van een zeer jonge emotionele ontwikkeling in een volwassen lichaam met de daarbij behorende seksuele driften; daardoor is verdachte in staat tot immoreel gedrag.

Reclasseringswerkers de heer [reclasseringsmedewerker 2] en mevrouw [reclasseringsmedewerker 1] zijn ter terechtzitting van het hof gebleven bij het advies om een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, met als bijzondere voorwaarden twee jaar klinische behandeling en één jaar ambulante behandeling. Volgens de heer [reclasseringsmedewerker 2] biedt een proeftijd van drie jaren in beginsel voldoende ruimte. Als het verdachte aan te rekenen is dat er geen stappen worden gezet in de behandeling, dan kan de voorwaardelijke PIJ-maatregel worden omgezet in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Volgens mevrouw [reclasseringsmedewerker 1] is een proeftijd van drie jaren zeker nodig.

Jeugdstrafrecht

Het hof is met psychiater [psychiater] en GZ-psycholoog [psycholoog 1] van oordeel dat er contra-indicaties zijn voor het toepassen van het volwassenenstrafrecht, onder meer gelet op de jonge sociaal-emotionele ontwikkeling van verdachte. Het hof zal daarom het jeugdstrafrecht toepassen.

Toerekeningsvatbaarheid

Voorts neemt het hof over de conclusie van voornoemde deskundigen dat het feit verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

PIJ-maatregel

Uit de eerder genoemde Pro Justitia rapportages van psychiater [psychiater] en GZ-psycholoog [psycholoog 1] en de verklaringen van de (getuige-)deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat het noodzakelijk is dat verdachte wordt behandeld. Gelet op de ernst van de persoonlijke problematiek van verdachte en zijn beperkte leermogelijkheden zal naar verwachting een langdurige behandeling noodzakelijk zijn. Primair wordt geadviseerd een klinische behandeling in [jeugdkliniek] .

Naar het oordeel van het hof is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een PIJ-maatregel. Bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een gedragsstoornis in het autismespectrum, te weten PDD-NOS. Het bewezen verklaarde betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Er is immers sprake van een ernstig delict waarbij de verdachte een hem onbekende vrouw heeft verkracht. Verdachte heeft het feit geheel anders geïnterpreteerd dan het slachtoffer en de deskundigen schatten het recidivegevaar als hoog in. Ook aan de voorwaarde dat de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte moet zijn, is naar het oordeel van het hof voldaan. De inschatting van de deskundigen is dat verdachte kan profiteren van een behandeling voor PDD-NOS en zedendelicten. De kans op succes bij een ambulant behandeltraject wordt als gering ingeschat, gelet op de gedragsproblematiek in samenhang met de psychopathologie en het gebrekkige zelfinzicht van verdachte. Met de deskundigen is het hof van oordeel dat het in het belang van verdachte is om met een klinisch traject te beginnen in een voor verdachte passende setting.

Gelet op de te verwachten langdurige klinische en aansluitende ambulante behandeling wordt een voorwaardelijke PIJ-maatregel door het hof niet haalbaar geacht. Naar het oordeel van het hof is er te weinig zekerheid dat de noodzakelijke behandelduur van verdachte niet de maximale proeftijd van een voorwaardelijke PIJ-maatregel zal overschrijden. Daarnaast is de uitvoering van de PIJ-maatregel in de meest wenselijke behandelsetting van [jeugdkliniek] ook te realiseren door plaatsing in deze instelling door de selectiefunctionaris. Dit kan dus niet slechts via een voorwaardelijke PIJ-maatregel.

Het hof acht derhalve het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel passend en geboden.

Het hof zal adviseren om verdachte in het kader van de PIJ-maatregel te plaatsen bij [jeugdkliniek]

te [plaats] , nu uit de conclusies van de deskundigen blijkt dat deze

jeugdpsychiatrische setting een goede behandelsetting voor verdachte biedt en ook het gezinssysteem van verdachte intensief bij de behandeling zal betrekken. Dit intensief betrekken van het gezinssysteem wordt van groot belang geacht, aangezien verdachte na zijn behandeling weer met het gezin verder zal moeten en hij daar waarschijnlijk nog voor lange periode van afhankelijk zal zijn. Het losraken van het gezin door behandeling of vrijheidsbeneming kan op de lange termijn mogelijk leiden tot verhoging van recidivegevaar.

Met het oog op een eventuele verlenging van de duur van de maatregel stelt het hof vast dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon.

Jeugddetentie

Net als de rechtbank en conform de eis van de advocaat-generaal zal het hof verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest. Langere jeugddetentie is niet passend, nu een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wordt opgelegd en het van groot belang is dat de (reeds aangevangen) klinische behandeling van verdachte niet wordt doorkruist. Anders dan de rechtbank gaat het hof uit van een voorarrest van (inmiddels) 7 maanden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt € 8.400,- ter vergoeding van immateriële schade en € 1.956,98 ter vergoeding van materiële schade, zijnde in totaal € 10.356,98. Daarnaast wordt gevorderd om het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.956,98 bestaande uit € 3.000,- ter vergoeding van immateriële schade en € 1.956,98 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd om de vordering toe te wijzen tot een bedrag van

€ 6.956,98 bestaande uit € 5.000,- ter vergoeding van immateriële schade en € 1.956,98 ter vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De raadsman heeft de opgevoerde materiële schade betwist. Volgens hem dient de vordering van de benadeelde partij in zoverre te worden afgewezen dan wel dient de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. Voor wat betreft de immateriële schade kan de raadsman zich vinden in het bedrag dat de rechtbank heeft toegewezen. De raadsman heeft betwist dat er meer immateriële schade is geleden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte materiële en immateriële schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot na te melden bedrag zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de volgende posten overweegt het hof met de rechtbank als volgt.

De reiskosten inzake studie/stage en inzake werk/school/stage

Het hof zal de opgevoerde reiskosten inzake studie/stage en inzake werk/school/stage

toewijzen, nu deze kosten voldoende zijn onderbouwd en voldoende is gebleken dat het gaat

om schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. Het hof acht

het voorstelbaar dat de benadeelde partij - door het handelen van verdachte - een periode niet alleen heeft durven reizen.

De kosten met betrekking tot PTSS-behandeling en eigen risico

Het hof zal de opgevoerde kosten met betrekking tot PTSS-behandeling toewijzen, nu

deze vordering voldoende is onderbouwd. Uit de brief van 23 juli 2015, bijlage 23 bij de

vordering, blijkt dat de benadeelde partij is aangemeld bij een psycholoog en met een

traumabehandeling is gestart. Het eigen risico in 2015 van € 282,53 is daardoor opgebruikt.

De kosten met betrekking tot training weerbaarheid en assertiviteit

Het hof zal de opgevoerde kosten met betrekking tot training weerbaarheid en

assertiviteit toewijzen. Deze vordering is voldoende onderbouwd. Door het handelen van

verdachte is het zelfvertrouwen en veiligheidsgevoel van de benadeelde partij fors aangetast.

Het volgen van een weerbaarheidstraining is een geëigend middel om dit te vergroten.

De kosten met betrekking tot de kleding

Het hof zal de opgevoerde kosten met betrekking tot de kleding toewijzen, nu het naar

oordeel van het hof zeer goed voorstelbaar is dat de benadeelde partij de kleding die ze droeg ten tijde van de verkrachting, niet meer wenst dragen.

De kosten inzake verlies arbeidsvermogen

Het hof zal de opgevoerde kosten inzake verlies arbeidsvermogen toewijzen. Het hof

is van oordeel dat de benadeelde partij voldoende heeft gesteld dat zij heeft

getracht om haar leven na de gebeurtenis zo snel en zo goed mogelijk voort te zetten en dat

pas na enige tijd bleek dat dat niet lukte.

De reiskosten inzake onderzoek delict en fysiek/psychisch herstel

De reiskosten inzake onderzoek delict en fysiek/psychisch herstel zal het hof eveneens

toewijzen, nu de opgevoerde reiskosten naar oordeel van het hof redelijk en billijk zijn.

Bovendien was de keuze voor vervoer per auto begrijpelijk, gelet op de extra reistijd die de benadeelde partij zou hebben gehad als zij met het openbaar vervoer zou hebben gereisd.

Anders dan de rechtbank oordeelt het hof met betrekking tot de volgende posten als volgt.

De kosten met betrekking tot OV benadeelde/moeder

Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gebleken dat deze kosten het rechtstreeks gevolg zijn van het bewezen verklaarde feit. Het gaat om kosten die zijn gemaakt door een derde. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij in zoverre afwijzen.

Immateriële schade

Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan acht het hof een bedrag van € 5.000,- ter vergoeding van immateriële schade redelijk en billijk. De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat het slachtoffer wel genoegdoening krijgt (van de Staat), zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Aangezien aan verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wordt opgelegd en hij hierdoor gedurende een langere periode niet in staat zal zijn inkomen te verwerven, gaat het hof ervan uit dat er de komende jaren sprake zal zijn van betalingsonmacht. Het hof zal daarom een vervangende jeugddetentie opleggen voor de duur van 1 dag.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2015.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 27, 36f, 77c, 77g, 77h, 77i, 77s en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Het hof adviseert de verdachte te plaatsen in de Forensisch Psychiatrische Jeugdkliniek [jeugdkliniek] te [plaats] .

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.785,74 (zesduizend zevenhonderdvijfentachtig euro en vierenzeventig cent) bestaande uit € 1.785,74 (duizend zevenhonderdvijfentachtig euro en vierenzeventig cent) materiële schade en

€ 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 6.785,74 (zesduizend zevenhonderdvijfentachtig euro en vierenzeventig cent) bestaande uit € 1.785,74 (duizend zevenhonderdvijfentachtig euro en vierenzeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag jeugddetentie.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het voorgaande.

Aldus gewezen door

mr. A.H. Garos, voorzitter,

mr. R.W. van Zuijlen en mr. M. Keppels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.A.M. Oude Vrielink, griffier,

en op 15 maart 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.H. Garos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 15 maart 2016.

Tegenwoordig:

mr. M. Barels, voorzitter,

mr. H. Wijbrandts, advocaat-generaal,

mr. K.A.M. Oude Vrielink, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.