Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2001

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
200.182.314
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Niet voldaan aan de verplichting om voorafgaand aan het verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te onderzoeken of een minnelijke regeling met de schuldeisers mogelijk was. Niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.182.314

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/402132)

arrest van 10 maart 2016

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,
hierna: [appellant],

advocaat: mr. M.R.A. Rutten

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Op 13 oktober 2015 heeft [appellant] bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsanerings-regeling.

1.2

Op 13 november 2015 heeft de rechtbank [appellant] in de gelegenheid gesteld zijn verzoek binnen een maand met de ontbrekende gegevens aan te vullen, waaronder het alsnog doen van een minnelijk aanbod. Namens [appellant] heeft Stichting de Tussenvoorziening (Stadsgeldbeheer en crisisopvang), hierna: de Tussenvoorziening, binnen de gestelde termijn het verzoek aangevuld.

1.3

Bij vonnis van 14 december 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 21 december 2015 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft hij dat hof verzocht dat vonnis te vernietigen en te bepalen dat de schuldsaneringsregeling op hem wordt toegepast.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met één bijlage, alsmede van de brieven met bijlagen van 7 januari 2016 en 29 februari 2016 (houdende nadere gronden van het hoger beroep) van mr. Rutten.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 maart 2016, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, vergezeld van [... 1], werkzaam als consulent Stadsgeldbeheer bij de Tussenvoorziening, en bijgestaan door mr. Rutten.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken. [appellant], geboren op [geboortedatum] 1960, is twee keer gehuwd geweest. Zijn laatste huwelijk is op 5 november 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. [appellant] heeft drie kinderen, van wie één kind thans nog minderjarig is. De kinderen wonen niet bij [appellant], maar hebben wel (weer) met enige regelmaat contact met hem.
heeft vanaf 1979 gewerkt bij het bedrijf [... 2]. Van 1 juli 2004 tot 11 juli 2012 heeft hij deze eenmanszaak als eigenaar geëxploiteerd. In juni 2013 heeft [appellant] de echtelijke woning verlaten en heeft hij naar eigen zeggen bij familie en kennissen gelogeerd. Vervolgens heeft [appellant] vanaf januari 2014 in opvanghuizen in [plaatsnaam] en [woonplaats] verbleven. Sinds december 2015 heeft hij weer een eigen woning.
Vanaf juni 2015 heeft [appellant] als vrijwilliger gewerkt. Sinds augustus 2015 verricht hij via het UW-bedrijf Utrecht betaald werk als schoonmaker. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] verklaard dat hij in elk geval tot eind augustus 2016 als schoonmaker werkzaam kan blijven.
maakt sinds mei 2014 gebruik van budgetbeheer bij de Tussenvoorziening. Zijn leefgeld bedraagt € 60,- per week.

3.2

De schuldenlast van [appellant] bedraagt volgens het in hoger beroep overgelegde schuldenoverzicht van de Tussenvoorziening van 12 oktober 2015 in totaal € 74.418,78
Tot deze schuldenlast behoren onder meer twee schulden aan de Belastingdienst van
€ 21.113,01 en € 967,-, een schuld aan [... 3], [... 4] en [... 5], [... 6] (de verhuurders van het voormalige bedrijfspand van [appellant], hierna: de verhuurders) van € 20.153,80en een schuld aan Zilveren Kruis Achmea van € 9.277,50.

3.3

De rechtbank heeft [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, omdat [appellant] geen met redenen omklede verklaring bij zijn toelatingsverzoek heeft gevoegd, waaruit blijkt dat er geen reële mogelijkheid is tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
Uit de toelichting van de schuldhulpverlener van [appellant] blijkt dat er geen reële poging is ondernomen om tot een minnelijke regeling te komen, nu er in het geheel geen aanbod aan de schuldeisers is gedaan. Ter beoordeling staat volgens de rechtbank derhalve of uit de toelichting blijkt dat een minnelijke regeling geen kans van slagen heeft. De mededeling dat een schuldeiser, met een vordering die een omvangrijk deel van de schuldenlast uitmaakt, niet heeft gereageerd en er geen andere adresgegevens bekend zijn, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Volgens de rechtbank valt niet in te zien waarom [appellant] geen aan het adres van de deurwaarder gericht aanbod heeft kunnen doen. Nu de omvang van de vordering op basis van het vonnis bekend is, is volgens de rechtbank de berekening van het percentage van voldoening dat kan worden aangeboden geen probleem. Ook kan in dat aanbod richting de andere crediteuren rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat op deze vordering uiteindelijk niet hoeft te worden uitgekeerd, waardoor het percentage van voldoening hoger wordt. Ten slotte staat volgens de rechtbank ook de mogelijkheid van het treffen van een dwangakkoord, met openbare oproep, voor [appellant] open.

3.4

Het hof oordeelt ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek van [appellant] als volgt.
Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling dient op grond van artikel 285 lid 1 aanhef en onder f van de Faillissementswet (hierna: Fw) vergezeld te gaan van een met redenen omklede verklaring waarin is vermeld dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijk-heden de verzoeker beschikt. De verklaring dient te zijn afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar; het college kan deze bevoegdheid mandateren aan een gemeentelijke
kredietbank als bedoeld in de Wet financiële dienstverlening of aan krachtens artikel 48 lid 1 aanhef en onder d van de Wet op het consumentenkrediet (hierna: Wck) aangewezen personen.
Over de achtergrond van het stellen van dit vereiste heeft de Hoge Raad in zijn arrest van
13 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:589) het volgende overwogen:
”Met deze eis is beoogd te bewerkstelligen dat professionele schuldhulpverlening plaatsvindt voordat een beroep op de schuldsaneringsregeling kan worden gedaan (Kamerstukken II 1996-1997, 22 969, nr. 133a). Is de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling gedaan door een persoon of instelling als bedoeld in art. 48 lid 1, aanhef en onder c, Wck, dan kan de verklaring door die persoon of instelling worden afgegeven (HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8056, NJ 2011/31).

Bij de parlementaire behandeling van de aanpassing van de schuldsaneringsregeling per
1 januari 2008 is opgemerkt dat de vereisten die gelden voor de toelating tot de schuldsaneringsregeling, mede tot doel hebben de schuldenaar te dwingen tot het uiterste te gaan om een minnelijke regeling te bereiken en de schuldsaneringsregeling te laten functioneren als laatste redmiddel (Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3, p. 4-5). In verband hiermee is thans in art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw bepaald dat een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in art. 48 lid 1 Wck.”

3.5

[appellant] heeft in zijn beroepschrift als verklaring voor het niet starten van een minnelijk traject verwezen naar een aan de rechtbank gestuurde brief van de Tussenvoorziening van 30 november 2015. Hierin wordt het volgende meegedeeld:
(..) Echter kunnen wij geen correct en accuraat aanbod doen aan de crediteuren zoals beschreven in verklaring ex art. 285 lid 1f Fw. buiten gemeenschap van goederen. Verdere onderbouwing waarom er geen aanbod wordt gedaan staat beschreven in de rapportage schuldbemiddelaar betreffende het minnelijke traject; buiten gemeenschap van goederen: “Daar er geen contactgegevens te achterhalen zijn van 1 schuldeiser ([... 3], [... 4] en [... 5], [... 6]) kan er geen saneringsvoorstel worden gedaan zonder de andere schuldeisers te benadelen. De hoogte van de vordering (€ 20.153,80) is zeer bepalend voor de verdeling van de afloscapaciteit.
Ter zitting in hoger beroep is door en namens [appellant] onder meer aangevoerd dat met name [... 1] erg actief is geweest om met het oog op het aanschrijven van de verhuurders een adres te achterhalen. Op de naar het laatst bekende adres van de verhuurders gestuurde brief is volgens [... 1] geen reactie gekomen, terwijl de deurwaarder van de verhuurders schriftelijk heeft laten weten dat het dossier (met betrekking tot de huurzaak) is gesloten en is teruggegeven aan de opdrachtgever. Verder zijn de gemeente Utrecht en de gemeente Almere, zonder succes, benaderd en is geprobeerd de verhuurders op te sporen via het raadplegen van google en linked-In. [... 1] heeft (uiteindelijk) contact opgenomen met de ‘helpdesk WSNP’. Omdat het aanschrijven van schuldeisers van [appellant] volgens deze helpdesk in feite neerkomt op een fictief minnelijk voorstel, is het advies gegeven om een minnelijk traject achterwege te laten en om rechtstreeks een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in te dienen. Dit laatste heeft [appellant] ook gedaan.

3.6

Het hof is van oordeel dat dergelijke verklaringen (zonder te worden gedragen door gedegen, te verifiëren, documentatie) onvoldoende zijn voor de slotsom dat er geen reële mogelijkheden voor [appellant] bestonden om tot een buitengerechtelijke schuldenregeling te komen en dat hij geen reëel aanbod behoefde te doen aan zijn schuldeisers, te meer nu namens [appellant] ter zitting is gesteld dat inzage in de GBA-administratie via inschakeling van een advocaat wel mogelijk is. Ook de door de rechtbank genoemde mogelijkheid van het treffen van een dwangakkoord met openbare oproep acht het hof een reële mogelijkheid. Anders dan [appellant] is het hof dan ook van oordeel dat in hoger beroep niet is komen vast te staan dat [appellant] alle mogelijkheden die hem ten dienste staan om te proberen tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen heeft benut. Omdat daardoor niet is voldaan aan de verplichting van artikel 285 lid 1 aanhef en onder f Fw is [appellant] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dit betekent dat het vonnis moet worden bekrachtigd en dat het hof niet meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.7

Hierbij merkt het hof op dat het [appellant] vrijstaat om in de situatie waarin hij wel aan het hiervoor genoemde wettelijke criterium heeft voldaan zo nodig een nieuw verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling bij de rechtbank in te dienen.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
14 december 2015.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.C. Frankena, R.A. van der Pol en H.L. Wattel, en is op
10 maart 2016 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.