Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1891

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
200.175.955/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind en mentorschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.175.955/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 3961681 MT VERZ 15-2846)

beschikking van de familiekamer van 8 maart 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. D.A.H. Veldhof, kantoorhoudend te Goes,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde in hoger beroep,

verder te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. S.C. Scherpenhuijsen, kantoorhoudende te Almere.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[betrokkene] ,

verblijvende te [C] ,

hierna te noemen: de rechthebbende en/of betrokkene.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, Bewindsbureau, locatie Almere, van 26 mei 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 26 augustus 2015, is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. [verzoeker] verzoekt het hof die beschikking te vernietigen daar waar het betreft de benoeming van [geïntimeerde] tot bewindvoerder en mentor en opnieuw rechtdoende die persoon of instelling tot bewindvoerder en/of mentor te benoemen als het gerechtshof in goede justitie meent te moeten behoren.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 4 november 2015, heeft [geïntimeerde] het verzoek in hoger beroep van [verzoeker] bestreden.

2.3

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- een journaalbericht van 9 september 2015 namens mr. Veldhof met bijlagen;

- een journaalbericht van 2 november 2015 van mr. Scherpenhuijsen;

- een journaalbericht van 18 december 2015 van mr. Scherpenhuijsen met bijlagen.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 28 januari 2016 plaatsgevonden. Verschenen zijn mr. Veldhof namens [verzoeker] en [geïntimeerde] , bijgestaan door haar advocaat. Ook is op verzoek van [geïntimeerde] haar zoon, de heer [D] , ter zitting van het hof aanwezig. Het hof heeft hiervoor toestemming verleend, nu mr. Veldhof heeft aangegeven hiertegen geen bezwaar te hebben.

2.5

Na de mondelinge behandeling is - met toestemming van het hof - nog binnengekomen:

- de bereidverklaring van de bewindvoerder van 25 februari 2016.

3 De vaststaande feiten

3.1

De rechthebbende en/of betrokkene is op 1 maart 2015 als gevolg van een eenzijdig ongeval in coma geraakt, waar hij inmiddels uit is ontwaakt. [verzoeker] is de zoon van de rechthebbende en/of betrokkene. [geïntimeerde] is de partner van de rechthebbende en/of betrokkene en zijn bewindvoerder en mentor.

3.2

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 18 maart 2015, heeft [geïntimeerde] verzocht een bewind in te stellen over de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende, alsmede tot instelling van mentorschap ten behoeve van de betrokkene. Hiertegen is geen verweer gevoerd.

3.3

De rechthebbende en/of betrokkene is door de kantonrechter niet gehoord, omdat
uit de stukken voldoende bleek dat hij niet in staat was om zijn mening kenbaar te maken.
Deze situatie is tot op heden ongewijzigd gebleven.

3.4

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de verzoeken van [geïntimeerde] toegewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1

[verzoeker] kan zich niet verenigen met voornoemde beschikking en stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat de rechtbank [geïntimeerde] ten onrechte heeft aangemerkt als 'een andere levensgezel' ex artikel 1:432 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en haar ten onrechte heeft benoemd tot bewindvoerder en mentor. [verzoeker] heeft ter zitting van het hof zijn verzoek in hoger beroep gewijzigd, in die zin dat hij thans verzoekt dat het bewind door een onafhankelijk budgetbureau zal worden uitgevoerd en dat hij als mentor wordt benoemd.

4.2

Voorzover [verzoeker] daarnaast klaagt over de wijze van totstandkomen van de bestreden beschikking, in het bijzonder over het beginsel van hoor en wederhoor, heeft hij,
daargelaten het antwoord op de vraag of de rechtbank bij de totstandkoming van voornoemde beschikking heeft gehandeld in strijd met voornoemd beginsel, geen belang bij behandeling van de klacht. Immers, [verzoeker] heeft thans in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld zijn inhoudelijke bezwaren tegen de beschikking van 26 mei 2015 kenbaar te maken. Voorts strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg
te verbeteren.

4.3

Naar het oordeel van het hof was [verzoeker] , op grond van artikel 283 Burgerlijke Rechtsvordering (verder te noemen: Rv), gelezen in verbinding met artikel 130 Rv,
welke artikelen zijn geschreven voor de procedure in eerste aanleg en in artikel 362 Rv
van overeenkomstige toepassing zijn verklaard voor de procedure in hoger beroep, bevoegd
om zijn verzoek in hoger beroep te wijzigen. Deze wijziging van het verzoek, die mondeling ter zitting van het hof is gedaan, acht het hof niet in strijd met de eisen van een goede procesorde, waarbij het hof in aanmerking neemt dat [geïntimeerde] ter zitting de gelegenheid heeft gehad om op het gewijzigde verzoek te reageren. Het hof is dan ook, anders dan [geïntimeerde] , van oordeel dat [verzoeker] ontvankelijk is in zijn gewijzigde verzoek in hoger beroep.

Ten aanzien van het bewind

4.4

Partijen zijn het eens met de beslissing van de kantonrechter om de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de rechthebbende onder bewind te stellen.
[verzoeker] kan echter niet instemmen met de benoeming van [geïntimeerde] tot bewindvoerder. [verzoeker] heeft zich ter zitting van het hof op het standpunt gesteld dat de bewindvoering door een onafhankelijk budgetbureau dient te worden uitgevoerd. [geïntimeerde] heeft ter zitting van het hof te kennen gegeven dat zij haar taken als bewindvoerder wenst over te hevelen naar een onafhankelijke en professionele partij. Tussen partijen is derhalve, weliswaar om verschillende redenen, niet meer in geschil dat een onafhankelijke en professionele bewindvoerder dient te worden benoemd. Het hof sluit zich bij de standpunten van partijen aan, nu (ook) het hof het, (mede) gelet op de gecompliceerde verhoudingen in en met de familie van de rechthebbende, het meest in het belang van de rechthebbende acht dat de bewindvoering wordt uitgeoefend door een onafhankelijke derde.

4.5

Gelet op het voorgaande, zal het hof de beschikking waarvan beroep, voor zover deze ziet op de benoeming van [geïntimeerde] tot bewindvoerder, met ingang van de datum van deze beschikking vernietigen en [E] ( [F] Bewindvoering te [B] ), die zich bereid heeft verklaard om als bewindvoerder voor de rechthebbende op te willen treden, met ingang van diezelfde datum benoemen als bewindvoerder.

Ten aanzien van het mentorschap

4.6

Partijen verschillen van mening over wie er tot mentor van de betrokkene dient te worden benoemd.

4.7

Ingevolge artikel 1:452 lid 4 BW wordt, indien de betrokkene is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levensgezel heeft, bij voorkeur
de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel andere levensgezel tot mentor benoemd.
Naar het oordeel van het hof heeft [verzoeker] zijn stelling dat [geïntimeerde] ten tijde van de benoeming tot mentor niet (meer) kan worden aangemerkt als 'andere levensgezel', gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [geïntimeerde] , onvoldoende nader onderbouwd, zodat het hof hem hierin niet zal volgen. Het staat de rechter desondanks vrij om af te wijken van de wettelijke voorkeur bij gebleken bezwaren tegen benoeming van de wettelijke preferente mentor. Het hof ziet in het door [verzoeker] aangevoerde echter geen aanleiding
om [verzoeker] in plaats van [geïntimeerde] tot mentor te benoemen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het hof er op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting voldoende van is overtuigd dat [geïntimeerde] op het moment van het ongeluk van de betrokkene reeds elf jaar een affectieve relatie met hem had en (derhalve) dicht bij hem stond en nog steeds staat, terwijl ook is gebleken dat [verzoeker] en de betrokkene in de laatste vier jaren voor het ongeval slechts een enkele keer contact met elkaar hebben gehad en hun relatie niet zonder complicaties was. Voorzover [verzoeker] nog heeft gesteld dat [geïntimeerde] niet handelt als
een goed mentor omdat ze contact met [verzoeker] afhoudt en hem belet om informatie bij
de behandelend artsen over zijn vader in te winnen, heeft hij deze stelling, gelet op de gemotiveerde en onderbouwde betwisting door [geïntimeerde] , eveneens onvoldoende onderbouwd.

4.8

Gelet op het voorgaande, zal het hof de beschikking waarvan beroep, voor zover deze ziet op de benoeming van [geïntimeerde] tot mentor, bekrachtigen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, Bewindsbureau, locatie Almere, van 26 mei 2015, voor zover aan hoger beroep onderworpen, ten aanzien van de benoeming tot bewindvoerder van [geïntimeerde] voor zover het de periode vanaf heden betreft;

en in zoverre opnieuw beslissende:

benoemt met ingang van 8 maart 2016 tot bewindvoerder in het bewind over de goederen die de rechthebbende toebehoren of zullen gaan toebehoren: mevrouw [E], [F] Bewindvoering, [B] ;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de bewindvoerder zal toezenden;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, Bewindsbureau, locatie Almere, van 26 mei 2015, voor zover aan hoger beroep onderworpen, voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. A.W. Beversluis en mr. J.G. Idsardi, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 maart 2016 in bijzijn van de griffier.