Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1855

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
200.182.662 en 200.183.855
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Onvolledige en innerlijk inconsistente stukken. Sprake van 'besloten' plaatsing. Strijd met nationaal en internationaal recht. Verzoek van de gecertificeerde instelling afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 265b
Jeugdwet
Jeugdwet 6.1.3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2016/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, familie

zaaknummers gerechtshof 200.182.662 en 200.183.855

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland JL RK 15-595)

beschikking van 1 maart 2016

inzake

[ouder1] en

[ouder2] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de ouders,

advocaat: mr. L.M. Lalji te Amsterdam,

en

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

verweerster in het hoger beroep,

gevestigd te Amsterdam,

verder te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 6 oktober 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingediend in de zaak bij dit hof geregistreerd onder

nummer 200.182.662, ingekomen ter griffie van het hof op 8 december 2015;

- het beroepschrift met productie(s), ingediend in de zaak bij dit hof geregistreerd onder

nummer 200.183.855, ingekomen ter griffie van het hof op 3 januari 2016.

2.2

Bij brieven van 28 december 2015 en 15 januari 2016 heeft het hof de advocaat verzocht om de beschikking(en) eerste ondertoezichtstelling toe te zenden, alsmede het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank op 6 oktober 2015. Op dat verzoek is naar het hof toe niet gereageerd.

2.3

Het hof heeft de advocaat op 10 februari 2016 nogmaals verzocht aan voornoemd verzoek gehoor te geven. Aan dat verzoek is deels gehoor gegeven. Door het hof is ontvangen:

- ( conform het verzoek van het hof) het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank op

6 oktober 2015;

- de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2014, betreffende

machtigingen tot uithuisplaatsing van de minderjarigen.

2.4

De minderjarigen zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek. Van de minderjarigen is geen reactie ontvangen.

2.5

De zaken zijn door het hof gevoegd en de mondelinge behandeling heeft op

18 februari 2016 plaatsgevonden. Namens de ouders is verschenen de advocaat voornoemd. Namens de GI is verschenen de heer [B] . De mondelinge behandeling is ter zitting aangehouden.

2.6

Na de mondelinge behandeling zijn op verzoek van het hof ingekomen:

- een appeldossier met productie(s), ingekomen ter griffie van het hof op 24 februari 2016;

- een verweerschrift met productie(s), ingekomen ter griffie van het hof op 25 februari 2016.

2.7

De mondelinge behandeling is voortgezet op 25 februari 2016. Namens de ouders is verschenen de advocaat voornoemd. De advocaat heeft het woord gevoerd mede aan de hand van een pleitnotitie.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de ouders zijn geboren:

- [de minderjarige1] , geboren te [C] [in] 2000 en

- [de minderjarige2] , geboren te [C] [in] 2002. Naast [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (hierna ook: de minderjarigen) hebben de ouders nog zeven, inmiddels meerderjarige kinderen.

3.2

Blijkens de bestreden beschikking is bij beschikking van 30 september 2014 de ondertoezichtstelling van de minderjarigen, alsmede de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen (laatstelijk) verlengd tot 10 oktober 2015.

3.3

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 19 augustus 2015, heeft de GI verlenging gevraagd van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor de duur van een jaar met ingang van 10 oktober 2015.

3.4

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd tot 10 oktober 2016, alsmede de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een accommodatie van de zorgaanbieder verlengd tot 10 april 2016.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Het hof stelt voorop dat de ouders met (in totaal) vijf grieven in hoger beroep zijn gekomen tegen de beschikking van 6 oktober 2015. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. Ter zitting heeft de advocaat zijn grieven met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen ingetrokken. Deze grieven behoeven derhalve geen bespreking meer en het hoger beroep dient in zoverre te worden verworpen. Met betrekking tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen overweegt het hof als volgt.

4.2

Het hof is van oordeel dat het op grond van de thans bij het hof aanwezige stukken en het verhandelde ter zitting niet in staat is om te beoordelen of zich de gronden voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voordoen.

4.3

Allereerst maakt de wijze waarop de stukken zijn ingediend een gedegen beoordeling onmogelijk. Aan de GI, alsmede de advocaat is dat ter zitting van 18 februari 2016 ook kenbaar gemaakt. Bij wijze van hoge uitzondering en slechts met het oog op de zwaarwegende belangen van de minderjarigen in deze, is aan de GI, alsmede de advocaat dringend verzocht zorg te dragen voor een compleet, alsmede ook geordend en actueel dossier, waarbij de advocaat ten derde male ook is verzocht om de onderliggende beschikking(en) met betrekking tot de eerste ondertoezichtstelling alsmede de GI om de actuele plannen van aanpak betreffende de ondertoezichtstelling. Het hof stelt vast dat de GI en de advocaat aan dit dringende verzoek van het hof geen gehoor hebben gegeven. Het hof constateert, zoals ook ten tijde van de tweede zitting op 25 februari 2016 is voorgehouden, dat het hof onverkort niet in het bezit is van een geordend, compleet en actueel dossier, alsmede de door het hof gevraagde beschikking(en) met betrekking tot de ondertoezichtstelling en de actuele plannen van aanpak.

4.4

Met betrekking tot de inhoud van het onderhavig dossier stelt het hof onder meer vast:

- dat zowel de eerste beschikking van de ondertoezichtstelling als de actuele beschikking
ondertoezichtstelling/machtiging tot uithuisplaatsing (bijlage 5 van het inleidend
verzoekschrift) niet aanwezig is;

- dat de pagina's betreffende het laatst geldende plan van aanpak, alsmede het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling (volgens het verzoekschrift, bijlage 2 en 3) zich enkel op chaotische, deels incompleet en voor het hof onnavolgbare wijze zich in het dossier bevinden en het plan van aanpak van [de minderjarige2] kennelijk slechts ziet op de periode tot 9 oktober 2016 (van [de minderjarige1] is dat niet goed uit stukken te herleiden);

- dat de rapportage [D] van 5 november 2015 (volgens het verweerschrift, bijlage 2) niet aanwezig is;

- dat er geen afdoende verklaring is gegeven waarom er tot op heden kennelijk geen uitvoering is gegeven aan de opdracht van de kinderrechter bij de bestreden beschikking aan de GI om een gezinsonderzoek, eventueel gevolgd door een perspectiefonderzoek, te verrichten teneinde het perspectief van de minderjarigen te bepalen.

4.5

Het hof stelt voorts vast dat de informatie die zich in de stukken bevindt op meerdere punten innerlijk inconsistent is, zelfs met betrekking tot de data waarop de ondertoezichtstellingen zijn aangevangen en tot wanneer die zijn verlengd. Zo zou volgens het verzoekschrift van de GI de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] voor de eerste keer zijn uitsproken op 7 november 2001 terwijl volgens de beschikkking van 27 maart 2014 de ondertoezichtstelling voor het eerst zou zijn uitgesproken op 10 oktober 2011. Ook zou volgens het verzoekschrift van de GI de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] voor de eerste keer zijn uitgesproken op 2 maart 2005 en lopen tot 10 oktober 2015, terwijl volgens de beschikking van 27 maart 2014 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] voor het eerst zou zijn uitgesproken op 10 oktober 2011 en volgens het Plan van Aanpak van [de minderjarige2] zou lopen tot 9 oktober 2015.

4.6

Voor zover de advocaat zich er thans op beroept dat hij niet in staat is bovengenoemde ommissies te herstellen omdat hij op eenzelfde wijze de stukken van de GI aangeleverd heeft gekregen, merkt het hof op dat ten tijde van de eerste zitting door het hof met zowel de advocaat als de GI de ommissies zijn besproken en door het hof duidelijk is aangegeven wat er in deze zaak moet gebeuren. Door de advocaat is toen de toezegging gedaan dat hij zorg zou dragen voor een geordend, compleet en ook juist genummerd dossier. Voor zover de advocaat (toch) niet aan dit verzoek gehoor kon geven, had het in elk geval op de weg van de GI gelegen om gehoor te geven aan het verzoek van het hof.

4.7

Naast de ommissies met betrekking tot de aangeleverde schriftelijke informatie, is het hof ook na de tweede zitting er niet in voldoende mate van overtuigd dat [de minderjarige2] de uitnodiging van het hof om zijn mening kenbaar te maken, heeft bereikt. De schriftelijke informatie die volgens de mededeling van de advocaat op de eerste zitting bij het hof door [de minderjarige2] aan het hof zou zijn gestuurd, is niet voor die zitting, maar overigens ook tot op heden niet, door het hof ontvangen. Het hof heeft mede om die reden ten tijde van de eerste zitting de GI verzocht in contact te treden met [de minderjarige2] en het hof daar nader over te informeren ten tijde van de tweede zitting. Aan dit verzoek is geen gehoor geven. De GI is zonder bericht van verhindering niet bij de tweede zitting verschenen.

4.8

Tot slot is tijdens het verhandelde ter zitting op 18 februari 2016, alsmede tijdens het verhandelde ter zitting op 25 februari 2016 gebleken dat op basis van de huidige machtigingen tot uithuisplaatsing jegens de minderjarigen vrijheidsbeperkende maatregelen worden toegepast. Volgens de informatie van de GI ter zitting van 18 februari 2016 zijn beide minderjarigen ( [de minderjarige1] sinds 10 oktober 2015 en [de minderjarige2] sinds 28 januari 2016) geplaatst op een besloten groep waar af en toe de deuren dicht gaan. Ter zitting van 25 februari 2016 heeft de advocaat bevestigd dat jegens [de minderjarige1] vrijheidsbeperkende maatregelen worden toegepast in die zin dat [de minderjarige1] niet zelf zijn post mag openen en hij beperkt is in zijn communicatiemiddelen. Zoals ter zitting besproken, is het hof uit de stukken gebleken dat jegens [de minderjarige1] kennelijk vrijheidsbeperkingen maatregelen worden getroffen, onder meer in die zin dat er toezicht is op [de minderjarige1] en waar hij zich begeeft, de deuren soms op slot gaan, hij zich onder begeleiding van begeleiders begeeft binnen de instelling en de bijbehorende terreinen alsmede post van offciële instanties alleen geopend worden in bijzijn van een begeleider. Het hof is van oordeel dat hier sprake is van een zodanige inperking van de vrijheden van [de minderjarige1] , en kennelijk ook [de minderjarige2] , dat die met de benodigde extra juridische waarborgen, in de vorm van een machtiging tot gesloten plaatsing dient te zijn omkleed. Het inperken van de vrijheden van de minderjarigen zoals dat kennelijk nu gebeurt op basis van een regeliere machtiging tot uithuisplaatsing acht het hof onaanvaardbaar en in strijd met nationaal en internationaal recht. Dat [de minderjarige1] die maatregelen zelf niet als vrijheidsbeperkend ervaart, zoals gesteld, maakt het oordeel van het hof niet anders.

4.9

Nu het hof bij gebrek aan actuele, geordende en complete informatie niet in staat is om tot een gedegen beoordeling van de noodzaak tot een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen te komen en uit de bij de hof aanwezige gegevens tevens blijkt dat plaatsing van [de minderjarige1] sinds 10 oktober 2015 en de plaatsing van [de minderjarige2] sinds 28 januari 2016 niet wordt geëffectueerd op de wijze waarop de verleende machtigingen zijn bedoeld, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover aan zijn oordeel onderworpen. Overigens schijnt [de minderjarige2] sinds 5 februari 2015 te zijn weggelopen.

4.10

Ten overvloede merkt het hof op dat de gang van zaken zoals hiervoor is overwogen, mede ook in het licht van het feit dat het hier gaat om maatregelen die een ingrijpende inmenging van het familie- en gezinsleven betreffen, onaanvaardbaar is. Het hof acht het daarbij zorgelijk dat er ook geen afdoende verklaring is gegeven waarom er tot op heden kennelijk geen uitvoering is gegeven aan de opdracht van de kinderrechter bij de bestreden beschikking aan de GI om een gezinsonderzoek, eventueel gevolgd door een perspectiefonderzoek, te verrichten teneinde het perspectief van de minderjarigen te bepalen. Het hof acht dit gezinsonderzoek ondanks de hierna vermelde beslissing nog steeds aangewezen binnen dnne geldende ondertoezichtstelling.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van|
6 oktober 2015 voor zover daarbij de machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een accommodatie van de zorgaanbieder zijn verlengd tot 10 april 2016;


en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst af de inleidende verzoeken tot verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voornoemd;

verwerpt het verzoek van de ouders voor het overige

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, voorzitter, mr. G.M. van der Meer en mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2016 in bijzijn van de griffier.