Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1852

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
200.162.019/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot schorsing op grond van artikel 225 Rechtsvordering. De wet en de aard van de verzoekschriftprocedure verzetten zich tegen overeenkomstige toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2016/38
EB 2016/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.162.019/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/119220/FA RK 10-1526)

beschikking van de familiekamer van 25 februari 2016

inzake

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S.A. Wensing, kantoorhoudend te Coevorden,

tegen

wijlen [geïntimeerde],

laatstelijk gewoond hebbende te [B] ,

geïntimeerde,

verder te noemen: de man,

advocaat: voorheen mr. M.H. Wormmeester, kantoorhoudend te Emmen,

thans geen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 30 september 2014.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 19 december 2014;

- journaalberichten van/namens mr. Wormmeester van 23 april 2015 en 16 november 2015;

- journaalberichten van/namens mr. Wensing van 30 april 2015, 11 juni 2015, 21 juli 2015, 3 september 2015, 15 oktober 2015 en 16 november 2015;

- een journaalbericht van mr. Wensing van 15 februari 2016 met bijlagen, waaronder een akte gedateerd 16 februari 2016, met bijlagen.

3 De beoordeling door het hof

3.1

Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank - kort gezegd - onder meer de vrouw veroordeeld in 2/3 deel van de deskundigenkosten, tot een bedrag van € 10.250,-. Tegen dit deel van de beslissing is het beroep van de vrouw gericht.

3.2

De man is op 10 april 2015 overleden. Uit het gedeelte van de verklaring van erfrecht van 26 mei 2015, dat is overgelegd bij de akte van 16 februari 2016, blijkt dat de beide kinderen van partijen de enige erfgenamen van de man zijn. Dit betreft de inmiddels meerderjarige [de meerderjarige] , geboren [in] 1998 (hierna: [de meerderjarige] ), en de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 1999 (hierna: [de minderjarige] ). Het hof maakt uit de stukken op dat zij bij de vrouw wonen en dat de vrouw het gezag over [de minderjarige] uitoefent. Over hetgeen zijn minderjarige kinderen uit de nalatenschap van de man verkrijgen is bij testament van de man van 16 maart 2011 overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:253i lid 4 sub c BW de heer [C] , broer van de man, tot bewindvoerder benoemd.

3.3

Bij akte van 16 februari 2016 heeft de vrouw verzocht de procedure te schorsen op de voet van artikel 225 Rv., met als doel de nieuwe procespartij in de gelegenheid te stellen zich te beraden over (voortzetting van) de procedure.

3.4

Het hof is van oordeel dat een schorsing van de procedure op de voet van artikel 225 Rv. niet aan de orde is. Dit artikel heeft betrekking op dagvaardingsprocedures, terwijl de onderhavige procedure een verzoekschriftprocedure is. De wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zoals geregeld in art. 261 e.v. Rv verzetten zich naar het oordeel van het hof tegen overeenkomstige toepassing van dit artikel op de verzoekschriftprocedure. Oproeping in een verzoekschriftprocedure vindt op een andere wijze plaats dan in een dagvaardingsprocedure, namelijk doordat de griffier de belanghebbenden oproept. Daarom is de bijzondere regeling van artikel 225 Rv. e.v., met de daarmee beoogde waarborgen voor een correcte oproeping van de erfgenamen, in een verzoekschriftprocedure niet nodig. Het hof zal het verzoek om schorsing van de procedure dan ook reeds op die grond afwijzen.

3.5

Alvorens de procedure inhoudelijk kan worden voortgezet dient echter wel het een en ander duidelijker te worden.

a. Uit het gedeelte van de verklaring van erfrecht dat is overgelegd (alleen het eerste blad) blijkt niet of het bewind voortduurt nadat de kinderen meerderjarig zijn geworden en zo ja, tot hoe lang. Met andere woorden: of er alleen sprake is van een bewind ex artikel 1:253i lid 4 sub c BW of daarnaast tevens van een testamentair bewind zoals geregeld in artikel 4:153 e.v. BW. Reeds om deze reden verzoekt het hof de vrouw de gehele verklaring van erfrecht alsnog in het geding te brengen. Overlegging van het testament, indien mogelijk, is tevens wenselijk.

b. Gesteld dat zou blijken dat het bewind ten aanzien van een erfgenaam eindigt op het moment dat die erfgenaam meerderjarig wordt, dan dient [de meerderjarige] in deze procedure zelfstandig verweer te voeren. Ten aanzien van [de minderjarige] (en voor [de meerderjarige] indien het bewind nog zou blijken voort te duren) geldt dat de bewindvoerder haar (en eventueel [de meerderjarige] op de voet van artikel 4:173 BW ) in en buiten rechte vertegenwoordigt ter zake van onder het bewind staande goederen, wat [de minderjarige] betreft aangezien hij het bewind uitoefent als ware hij voogd. In deze procedure gaat het om de vraag in welke verhouding partijen de deskundigenkosten in het kader van de rechtbankprocedure moeten dragen. Voor zover zou blijken dat de vrouw daarvan minder behoeft te dragen dan waartoe de rechtbank heeft beslist, komt dat deel ten laste van het erfdeel van de kinderen en betreft het dus onder het bewind staande goederen. In geval de procedure derhalve (mede) tegen de bewindvoerder zal worden voortgezet dient de vrouw een recent uittreksel uit de basisregistratie personen (BRP) over te leggen waaruit het actuele adres van de bewindvoerder blijkt, zodat het hof hem naar behoren kan oproepen.

c. Hoewel de bewindvoerder [de minderjarige] in rechte vertegenwoordigt oefent de vrouw het gezag over haar uit. Het geldend maken van de vordering van de vrouw (en daarmee haar belang) zou kunnen worden beschouwd als strijdig met het belang van [de minderjarige] dat eruit bestaat dat haar erfdeel te haren behoeve in stand blijft en niet, althans zo weinig mogelijk, dient tot betaling van een vordering van de vrouw op de vader van [de minderjarige] . Wanneer de procedure wordt voortgezet valt daarom niet uit te sluiten dat het hof het aangewezen zal achten om op de voet van artikel 1:250 BW een bijzondere curator te benoemen. Het feit dat de vermogensrechtelijke belangen van [de minderjarige] in dit opzicht door de bewindvoerder worden behartigd maakt deze overweging vooralsnog niet anders.

3.6

Gelet op deze vraagpunten en overwegingen zal het hof de vrouw in de gelegenheid stellen zich er over uit te laten of zij de procedure wenst voort te zetten en zo ja, de onder 3.5 sub a en b hierboven genoemde stukken over te leggen.

3.7

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

Het gerechtshof:

stelt de vrouw in de gelegenheid zich uiterlijk op 24 maart 2016 uit te laten zoals in overweging 3.6 hierboven bedoeld en de daarbij bedoelde stukken over te leggen in geval zij de procedure wenst voort te zetten;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. G.M. van der Meer en

mr. G. Jonkman en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 25 februari 2016 in bijzijn van de griffier.