Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1845

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
11-03-2016
Zaaknummer
200.158.250
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 7:311 BW

Pachtovereenkomst of gebruik om niet? Bewijswaardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2016/420
JG 2016/25 met annotatie van mr. drs. L. van Leijen
TvAR 2016/5850, UDH:TvAR/13484 met annotatie van G.M.F. Snijders
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.158.250

(zaaknummer rechtbank 430778)

arrest van de pachtkamer van 8 maart 2016

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [naam gemeente] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. G.J. Niezink,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [naam gemeente] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. N.E. Koelemaij.

1 Het verloop van het geding

1.1

Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van 25 november 2014 verwijst het hof naar dat arrest. Het vervolg van de procedure blijkt uit:

■ het proces-verbaal van comparitie van partijen;

■ de memorie van grieven;

■ de memorie van antwoord;

■ de akte uitlating producties;

■ de antwoordakte.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

2.2

[appellant] exploiteert een rundveehouderij met circa 143 stuks rundvee aan de [adres] te [plaats] .

2.3

[geïntimeerde] is eigenaar van diverse gronden, waaronder een perceel grasland gelegen aan de [straatnaam] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [naam gemeente] , sectie G, nummer 1015, groot 1.12.80 ha (hierna: het perceel).

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

In dit geding heeft [appellant] vastlegging gevorderd van een pachtovereenkomst tussen [geïntimeerde] als verpachter en [appellant] als pachter met betrekking tot het perceel. Volgens de stellingen van [appellant] heeft hij aanvankelijk (vanaf 1988 of 1990) meer gronden van [geïntimeerde] in gebruik gehad, tegen een pachtprijs van f 3.600,— per jaar, en resteerde uiteindelijk nog het gebruik van het perceel, tegen (contante) betaling op of omstreeks 1 november van enig jaar van € 380,—.

3.2

[geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld, kort gezegd, dat hij met betrekking tot het perceel geen overeenkomst met [appellant] heeft gesloten, maar met [A] en dat hij aan deze het gebruik van het perceel om niet heeft gegund, totdat hij dat gebruik begin 2013 heeft opgezegd. [geïntimeerde] veronderstelt dat [A] aan [appellant] heeft toegestaan om het perceel mede te gebruiken.

3.3

De pachtkamer in eerste aanleg heeft in het tussenvonnis van 13 september 2013, kennelijk op basis van wat ter gelegenheid van de voorafgaande comparitie van partijen was verklaard, als vaststaand aangenomen dat [appellant] in het verleden gronden die aan [geïntimeerde] toebehoren, waaronder het perceel, tegen betaling in gebruik heeft gehad. Niettegenstaande deze omstandigheid heeft de pachtkamer in eerste aanleg bij bedoeld vonnis aan [appellant] bewijs opgedragen, namelijk het bewijs dat het gebruik van het perceel tegen een vergoeding onafgebroken is gecontinueerd. Vervolgens zijn getuigen gehoord en heeft [appellant] enkele schriftelijke verklaringen in het geding gebracht. Bij het eindvonnis van 26 september 2014 heeft de pachtkamer geoordeeld dat [appellant] in het hem opgedragen bewijs niet was geslaagd.

3.4

De grieven richten zich uitsluitend tegen het eindvonnis. [appellant] heeft dus geen grief gericht tegen de bewijsopdracht in het tussenvonnis van 13 september 2013 en evenmin tegen het aan die opdracht ten grondslag liggende oordeel van de pachtkamer in eerste aanleg omtrent de verdeling van de bewijslast. In verband met het grievenstelsel bestaat er voor het hof geen ruimte om de (on)juistheid van bedoelde bewijslastverdeling te beoordelen. Het hof dient er dus vanuit te gaan dat de bewijslast op [appellant] ligt. Overigens heeft [geïntimeerde] in hoger beroep bij gelegenheid van de comparitie van partijen anders verklaard dan het tussenvonnis van 13 september 2013 inhoudt, namelijk dat hij andere gronden in 1988 aan [appellant] tegen betaling in gebruik had gegeven. (Als getuige had [geïntimeerde] echter naar aanleiding van productie 5 van de akte in conventie verklaard dat het daarop aangekruiste perceel met nummer 1015 ook deel uitmaakte van de gronden die vóór 1990 bij [appellant] in gebruik waren.)

3.5

Grief I richt zich tegen de overweging van de pachtkamer in eerste aanleg volgens welke de getuige [A] materieel procespartij is en partijgetuige in de zin van het tweede lid van artikel 164 Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering. Deze grief slaagt. [A] is geen partij in de procedure. Dat hij een duidelijk belang heeft bij de uitkomst van de onderhavige procedure, maakt hem niet tot een partijgetuige. Ook de omstandigheid dat [A] sinds 1 januari 2015 maat is van de Maatschap [van appellant en A] brengt niets anders mee. In dit geding is immers niet die maatschap maar alleen [appellant] zelf procespartij.

3.6

Het slagen van grief I leidt ertoe dat het hof het bewijs opnieuw dient te waarderen. Daarbij zal het hof ook betrekken de grieven II tot en met V, die alle betrekking hebben op de waardering van het bewijs.

3.7

Het hof acht het bewezen dat [appellant] , mogelijk tezamen met [A] , het perceel gedurende langere tijd in gebruik heeft gehad. Dat volgt onder meer uit de verklaring van [buurman] , een buurman die sinds eind 1992 ter plaatse woonde en vanuit zijn woning op het perceel zicht heeft gehad. Hij veronderstelde aanvankelijk dat [appellant] eigenaar van het perceel was en zag [appellant] en [A] werkzaamheden op het perceel uitvoeren. Dat [appellant] het (mede)gebruik van het perceel had, volgt ook uit de schriftelijke verklaring van [loonwerker 1] en [loonwerker 2] , loonwerkers, die voor [appellant] op het perceel mest injecteerden. De getuigenverklaringen van [appellant] en [A] houden eveneens in dat [appellant] het perceel steeds heeft gebruikt. [geïntimeerde] heeft als getuige verklaard dat hij niet kan zeggen of [appellant] dan wel [A] gebruiker van het perceel is.

3.8

Het hof acht niet bewezen dat het bedoelde gebruik door [appellant] berustte op een pachtovereenkomst tussen [geïntimeerde] als verpachter en [appellant] als pachter. [buurman] , [loonwerker 1] en [loonwerker 2] hebben op dat punt niets verklaard. De getuigenverklaring van [appellant] zelf houdt op zichzelf inderdaad in dat hij het perceel pachtte, maar die verklaring heeft – in verband met hetgeen onder 3.4 omtrent de bewijslast is overwogen – op grond van artikel 164 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering slechts beperkte bewijskracht en er is aanvullend bewijs nodig dat zodanig sterk is en zodanige essentiële punten betreft dat het de partijgetuigenverklaring van [appellant] voldoende geloofwaardig maakt. Ook los van die regel geldt dat het hof de verklaring van [appellant] – die direct belang heeft bij de uitkomst van de procedure – met behoedzaamheid hanteert. Als zodanig aanvullend bewijs kan niet gelden de verklaring van [A] . [A] werkt iedere dag met [appellant] samen en ontvangt daarvoor van hem een vergoeding. Uit de stukken met betrekking tot een geweldsincident tussen [A] en [geïntimeerde] op zaterdagavond 18 januari 2014 zoals bij memorie van antwoord overgelegd (onder meer processen-verbaal van aangifte en van het verhoor van getuigen), volgt – ook wanneer het hof daarbij betrekt de door [appellant] bij akte uitlating producties daaraan toegevoegde stukken – dat [A] niet alleen zakelijk maar ook emotioneel zich in sterke mate met de zaak van [appellant] heeft verbonden. De getuige [partner van A] is de partner van [A] . Ook haar verklaring heeft in verband daarmee slechts een beperkt gewicht. Dat geldt ook voor de schriftelijke verklaring van de (destijds) 12-jarige dochter van [A] en [partner van A] . Het benodigde aanvullende bewijs is dus niet voorhanden.

3.9

De zojuist besproken getuigenverklaringen worden bovendien tegengesproken door de verklaringen van [geïntimeerde] en [partner van geïntimeerde] . De getuige [partner van geïntimeerde] , partner van [geïntimeerde] , heeft verklaard dat [geïntimeerde] met [A] een mondelinge gebruiksafspraak heeft gemaakt, dat op het perceel een beheersovereenkomst rust op grond waarvan [geïntimeerde] subsidie ontvangt en dat bij haar weten geen afspraken tussen [geïntimeerde] en [A] zijn gemaakt over een gebruiksvergoeding. Zij heeft stellig verklaard dat tijdens de avonden waarop [A] en [partner van A] [geïntimeerde] en [partner van geïntimeerde] bezochten, geen betalingen hebben plaatsgevonden voor het gebruik van het land. [geïntimeerde] heeft ook zelf als getuige verklaard dat hij een gebruiksafspraak met [A] had. Volgens hem onderhield hij destijds met [A] vriendschappelijke contacten en was dat de reden dat hij geen vergoeding vroeg; voor hem was wezenlijk dat hij over het perceel zou kunnen beschikken wanneer daarvoor noodzaak zou bestaan. Ook voor deze verklaringen geldt dat rekening behoort te worden gehouden met het belang van de getuigen bij een uitkomst van de procedure in hun voordeel, maar bedoelde verklaringen spreken intussen de verklaringen van [appellant] , [A] , [partner van A] en de dochter van [A] en [partner van A] wel tegen, zonder dat er objectieve aanwijzingen bestaan dat de verklaringen van [geïntimeerde] en [partner van geïntimeerde] niet juist (kunnen) zijn.

3.10

Uit het voorgaande volgt dat, niettegenstaande het slagen van grief I, de grieven niet tot een andere bewijsbeslissing kunnen leiden, omdat ook het hof het bijgebrachte bewijs aldus waardeert dat [appellant] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs. Het staat niet vast dat het gebruik door [appellant] (al dan niet naast gebruik door [A] ) nog steeds berustte op een overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] en evenmin staat vast dat [geïntimeerde] voor dat gebruik een tegenprestatie had bedongen.

3.11

[appellant] heeft nog aangeboden de dochter van [A] en [partner van A] ook als getuige te horen, maar zonder aan te geven wat zij meer of anders kan verklaren dan haar schriftelijke getuigenverklaring reeds inhoudt. In verband daarmee passeert het hof deze bewijsaanbieding als onvoldoende gespecificeerd. In dit verband verwijst het hof naar de arresten van de Hoge Raad van 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817 en 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49.

3.12

Door [appellant] is ook aangeboden om zijn buren [buur 1] , [buur 2] en [buur 3] als getuigen te doen voorbrengen, maar dat aanbod (slot van de toelichting op grief III) heeft alleen betrekking op wat het hof reeds bewezen acht, namelijk dat [appellant] het (mede)gebruik van het perceel heeft gehad.

3.13

De grieven VI en VII bouwen voort op de overige grieven en delen in het lot van die grieven.

3.14

De slotsom is dat het hoger beroep van [appellant] geen doel treft. Het hof dient het bestreden vonnis te bekrachtigen, naar volgt uit het voorgaande met verbetering en aanvulling van de gronden.

3.15

Het hof zal [appellant] veroordelen in de kosten van het hoger beroep. De aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen kosten zal het hof begroten op € 308,— voor griffierecht en € 2.235,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (tweeënhalf punt tarief II à € 894,— per punt, namelijk één punt voor de comparitie, één punt voor de memorie van antwoord en een half punt voor de antwoordakte). Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 26 september 2014;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep en begroot de tot op de uitspraak van dit arrest aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen kosten op € 308,— voor griffierecht en € 1.341,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,—, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,— in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest wat betreft voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, J.H. Lieber en F.J.P. Lock en de deskundige leden mr. ing. H.J. Vinke en ir. H.K.C. Roelofsen, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2016.