Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1831

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
200.136.284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opdrachtnemer maakt na vier jaar aanspraak op overeengekomen provisie en stelt nieuwe klanten voor opdrachtverlener te hebben geworven. Opdrachtverlener zou diepgaand onderzoek in haar administratie moeten doen om uit te vinden om welke klanten het ging. Dit nadeel, het tijdsverloop en het feit dat de opdrachtnemer niet volgens de eveneens overeengekomen procedure melding van nieuwe klanten heeft gemaakt, maken het beroep op rechtsverwerking gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/814
RCR 2016/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.136.284

(zaaknummer rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, locatie Arnhem: 235348)

arrest van 8 maart 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te Santpoort-Zuid, gemeente Velsen,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J. Jong,

tegen:

de stichting Trees for All Stichting,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: TFA,

advocaat: mr. P.A.C. de Vries.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 23 januari 2013 en 17 juli 2013 die de rechtbank Gelderland heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 8 oktober 2013,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.6. en rechtsoverwegingen 2.8. tot en met 2.13. van het bestreden vonnis van 17 juli 2013, met dien verstande dat het in rechtsoverweging 2.11. geciteerde emailbericht dateert van 19 februari 2010 (in plaats van 2009). Gelet op grief I en de reactie daarop van TFA staat in hoger beroep niet vast hoeveel uren [appellant] voor TFA heeft gewerkt.

3.2

Samengevat gaat het bij de vaststaande feiten om het volgende. [appellant] heeft van 1 april 2006 tot 1 januari 2010 advieswerk voor TFA verricht. TFA heeft [appellant] met het oog op dat werk een conceptovereenkomst toegestuurd (productie 1 bij conclusie van antwoord). [appellant] heeft in de tekst daarvan wijzigingen aangebracht en de gewijzigde tekst (productie 4 bij dagvaarding in eerste aanleg) bij offertebrief van 4 april 2006 weer aan TFA gestuurd. In de teksten staat dat [appellant] tegen een vergoeding van € 50 exclusief BTW per uur zal werken, gedurende (volgens het eerste concept:) acht uur per week, respectievelijk (volgens de door [appellant] gewijzigde tekst:) gemiddeld acht uur per week. TFA heeft niet aan [appellant] laten weten dat zij met de gewijzigde tekst akkoord ging. [appellant] heeft gedurende de vermelde periode steeds (uitsluitend) acht uur werk per week bij TFA in rekening gebracht - TFA heeft deze vergoeding betaald. Ook houden beide teksten een provisieregeling in, maar die verschillen onder meer wat betreft de geldingsduur daarvan.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

[appellant] heeft in eerste aanleg primair van TFA betaling gevorderd van een hoofdsom van € 40.979,46 inclusief BTW, waarvan € 28.243,46 als provisie en € 12.733 als vergoeding voor misgelopen provisie. Subsidiair heeft hij gevorderd dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de provisieregeling zoals in [appellant] ’ tekst staat weergegeven tussen partijen geldt, en dat de rechtbank een deskundige zal benoemen met opdracht om te bepalen op welke provisie [appellant] recht heeft en TFA zal veroordelen om die provisie aan [appellant] te betalen.
Nadat TFA verweer had gevoerd heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen op grond dat [appellant] zijn (gestelde) recht op provisie heeft verwerkt.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

De afwijzing van de vordering tot betaling van een schadevergoeding van € 12.733 is in hoger beroep niet in geding, nu [appellant] tegen de afwijzing van deze vordering geen voldoende specifiek bezwaar heeft gemaakt.

5.2

Met grief I is bij de vaststelling van feiten reeds rekening gehouden.

5.3

Grief II betreft het oordeel van de rechtbank over rechtsverwerking. Volgens [appellant] heeft TFA in eerste aanleg geen beroep op rechtsverwerking gedaan, maar hierin volgt het hof hem niet. In de conclusie van antwoord heeft TFA het woord rechtsverwerking niet laten vallen, maar zij heeft in § 12 van die conclusie betoogd dat [appellant] in redelijkheid geen provisie meer kan vorderen. TFA heeft dit toegelicht met de stellingen dat TFA niet verplicht was om administratie bij te houden van het aanbrengen van klanten door [appellant] , omdat partijen hun samenwerking op andere wijze hadden ingevuld dan, zoals hen aanvankelijk voor ogen stond, door [appellant] acquisitie te laten doen, en dat het ondoenlijk is om na vier jaren met terugwerkende kracht te onderzoeken welke nieuwe relaties gedurende de eerste zes maanden van de samenwerking door [appellant] zijn aangebracht.

5.4

De rechtbank heeft hierin naar het oordeel van het hof terecht een beroep op het bepaalde in artikel 6:2 lid 2 BW gezien. Voor zover nodig moest de rechtbank ingevolge artikel 25 Rv het betoog van TFA met de desbetreffende rechtsgrond aanvullen. Intussen heeft TFA zich in haar memorie van antwoord aangesloten bij de door de rechtbank gegeven interpretatie van haar verweer, waardoor zij zich alsnog met zoveel woorden op rechtsverwerking heeft beroepen, ook waar het gaat om de periode vanaf 16 september 2006.

5.5

TFA heeft gemotiveerd bestreden dat de door [appellant] bedoelde provisieregeling tussen partijen is overeengekomen, maar het hof zal er hier, waar het gaat om een beoordeling van het beroep op rechtsverwerking, veronderstellenderwijs vanuit gaan dat dit verweer ongegrond is, ook waar het gaat om de periode vanaf 16 september 2006, toen de overeenkomst stilzwijgend werd verlengd. In dat geval is van belang dat [appellant] destijds voor TFA niet alleen contact onderhield met relaties die al langer bestonden of die zich uit eigen beweging bij TFA hadden gemeld voor dergelijke relaties kon onder de provisieregeling geen aanspraak op provisie ontstaan en dat hij recht heeft gekregen op provisie doordat hij tevens nieuwe relaties heeft geworven. Dan had hij volgens de in de considerans van de conceptovereenkomsten en de in zijn offertebrief beschreven procedure intern bij TFA moeten melden dat hij mogelijke cliënten had weten te interesseren in TFA. Daarna, zodra er aan dergelijke nieuwe contacten een offerte zou worden verstuurd, had de voorzitter van TFA om de schriftelijke goedkeuring kunnen worden verzocht om in de administratie de desbetreffende relatie aan te merken als resultaat van het acquisitiewerk van [appellant] (het zogenaamde labelen). [appellant] heeft nagelaten om dergelijke meldingen te doen. Uit de conclusie van antwoord moet worden opgemaakt dat als gevolg daarvan alleen nog door een diepgaand onderzoek in de administratie van TFA kan worden vastgesteld in hoeverre [appellant] recht heeft op provisie.

5.6

[appellant] heeft aan TFA voor het eerst bij factuur van 17 september 2010 duidelijk gemaakt dat hij aanspraak op provisie maakt. Met het mailbericht van 27 april 2007 (productie 34 bij memorie van grieven) heeft [appellant] namelijk slechts om informatie verzocht uit de administratie van TFA. Waarom TFA in dat mailbericht reden had moeten zien om acquisitieresultaten te boeken, maakt [appellant] niet voldoende duidelijk, te minder nu hij in de bij het mailbericht gevoegde spreadsheet geen onderscheid heeft gemaakt tussen de bestaande en de uit eigen beweging bij TFA gekomen relaties enerzijds, en relaties die door zijn inspanningen in TFA geïnteresseerd zijn geraakt anderzijds. Provisieaanspraken konden immers ontstaan doordat facturen werden gestuurd aan relaties die aan [appellant] waren gelabeld, en niet reeds doordat die relaties tot [appellant] ’ account behoorden. [appellant] heeft ook al niet aangegeven wanneer zijn provisieaanspraken zouden zijn ontstaan. Hij wijt een en ander aan tekortkomingen in de administratie van TFA en stelt dat hij geen kopieën van offertes en facturen kreeg, maar dat hij als gevolg daarvan niet kon melden wie hij had aangebracht is niet begrijpelijk. De overeengekomen melding ging toch vooraf aan het labelen, had moeten worden gedaan wanneer een eerste offerte werd verstuurd en had er dan toe geleid dat [appellant] in de administratie aan die relatie zou worden gelieerd. Los hiervan ligt het voor de hand dat [appellant] bij uitstek op de hoogte was van de ontwikkelingen van zijn contacten met derden en daardoor in staat moet zijn geweest om tijdig te melden dat hij potentiële klanten had aangebracht. In de verhouding tussen TFA en [appellant] komen de gevolgen van het ontbreken van tijdige meldingen en de daardoor ontstane tekortkomingen in de administratie van TFA daarom redelijkerwijs voor rekening van [appellant] .

5.7

[appellant] heeft gesteld dat hij meer uren heeft gewerkt dan gemiddeld acht uren per week, maar TFA heeft dit weersproken. Nu [appellant] geen inzicht heeft gegeven in het aantal gewerkte uren kent het hof hieraan binnen het kader van de beoordeling van het beroep op rechtsverwerking geen gewicht toe. Dat de overeengekomen vergoeding van € 50 per uur relatief laag was, heeft TFA eveneens weersproken en is door [appellant] niet anders toegelicht, dan dat daaruit blijkt van de toepasselijkheid van de provisieregeling. Dit werpt daarom bij de beoordeling van het beroep op rechtsverwerking evenmin gewicht van betekenis in de schaal.

5.7

[appellant] heeft tijdens de procedure nog steeds niet gemeld welke klanten door hem zijn aangebracht, terwijl dit tot gevolg zou hebben dat onderzoek daarnaar in de administratie van TFA meer tijd zou kosten. Dit nadeel, gevoegd bij de intussen verlopen tijd en de overige hierboven beschreven omstandigheden, brengen het hof tot het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de provisieregeling nu alsnog toe te passen, ook al zou dat voor [appellant] een nadeel van € 28.243,46 inclusief BTW opleveren. Grief II is ongegrond.

5.8

Feiten of omstandigheden, die tot een ander oordeel kunnen leiden, zijn niet gesteld, zodat het hof aan het bewijsaanbod van [appellant] voorbij gaat.

6 De slotsom

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal daarom worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten zullen aan de zijde van TFA worden vastgesteld op € 1.862 aan griffierecht en € 1.631 voor salaris van de advocaat (1 punt x tarief IV), in totaal is dat € 3.493.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 17 juli 2013;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van TFA vastgesteld op € 1.862 voor verschotten en op € 1.631 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, S.B. Boorsma en A.E.B. ter Heide en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2016.