Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1819

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
200.167.148
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindarrest: Vervolg van ECLI 2015:8078 Eigendomsvoorbehoud met betrekking tot bouwmaterialen. Uitleg van bepaling volgens welke de koper bevoegd is de materialen binnen het kader van zijn normale bedrijfsuitoefening te gebruiken in het licht van het gebruik in de branche en de kenbare belangen van partijen en lettend op de tekst van het beding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2016-0158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.167.148

(zaaknummer rechtbank Overijssel 3133369)

arrest van 8 maart 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Astrimex B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Astrimex,

advocaat: mr. J.W. Hilhorst,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Nijhuis Bouw B.V.,

gevestigd te Rijssen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Nijhuis,

advocaat: mr. M.S. Sprik.

1 Het verloop van het geding

1.1

Voor het verloop tot aan het arrest van 27 oktober 2015 (hierna: het tussenarrest) verwijst het hof naar dat arrest.

1.2

Ingevolge het tussenarrest heeft op 11 december 2015 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal van de comparitie behoort tot de gedingstukken.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De voortgezette beoordeling van de grieven en de vordering

2.1

Thans, na de comparitie van partijen, zal het hof nader beslissen.

2.2 (

(Ruim) voorafgaand aan de comparitie heeft Nijhuis negen nieuwe producties in het geding gebracht en die producties toegelicht met een akte. Astrimex heeft harerzijds drie nieuwe producties in het geding gebracht. Deze nieuwe producties zijn bij gelegenheid van de zitting uitvoerig met partijen besproken tegen de achtergrond van de voorlopige beschouwingen van het hof in het tussenarrest onder 5.8 e.v.

2.3

Nijhuis heeft schriftelijk bewijs bijgebracht van haar stelling dat zij met [A] was overeengekomen dat zij de bouwmaterialen reeds vóór de verwerking ervan van [A] kocht en dat [A] ter uitvoering van de koopovereenkomst ook aan Nijhuis zou leveren op het moment dat de bouwmaterialen op de bouwplaats worden afgeleverd. Nijhuis heeft in dit verband overgelegd:

a. Een aan [A] door Nijhuis gezonden digitale offerteaanvraag van 10 april 2012 ter zake van het door [A] in onderaanneming te verrichten werk (productie 1 bij akte overlegging producties). Die offerteaanvraag verwijst naar de inkoopvoorwaarden van Nijhuis, zoals verwoord in de grondlegger inkoopovereenkomst d.d. 1 juli 2008. Deze grondlegger inkoopovereenkomst was bij de digitale offerteaanvraag gevoegd in de vorm van een pdf.

b. De grondlegger inkoopovereenkomst d.d. 1 juli 2008 (productie 3 bij akte overlegging producties), welk stuk een artikel 2.17.2 bevat met de volgende inhoud:

Eigendoms- en risico-overdracht
Het eigendom van de door de leverancier te leveren en te verwerken zaken gaat over op de hoofdaannemer zodra deze zaken worden afgeleverd op de in artikel 1.3 genoemde bouwplaats.”

c. Stukken ter zake van eerdere transacties tussen Nijhuis als hoofdaannemer en [A] als onderaannemer, met toepassing van dezelfde grondlegger inkoopovereenkomst (productie 5 bij akte overlegging producties).

2.4

Astrimex betwist vergeefs dat genoemd artikel 2.17.2 in de verhouding tussen Nijhuis en [A] van toepassing was (proces-verbaal van comparitie van partijen, tweede blad). Dat de overeenkomst niet in een afzonderlijk document is vastgelegd, is niet bepalend. Voor de toepasselijkheid van de grondlegger inkoopovereenkomst is voldoende dat Nijhuis die toepasselijkheid in de offerteaanvraag heeft bedongen en [A] daarop niet afwijzend heeft gereageerd. Waar de bouwplaats gelegen was, was voldoende duidelijk, namelijk ter plaatse van het nieuw te bouwen zorg- en wooncomplex [Wooncomplex] in [plaats] . De omstandigheid dat de offerteaanvraag als verwachte start van de bouwfase “medio 2012” vermeldt, terwijl de bouw uiteindelijk pas een jaar later is uitgevoerd, legt evenmin gewicht in de schaal. Ook als de overeenkomst pas in de loop van 2013 definitief zou zijn geworden, ontneemt dat aan de duidelijke verwijzing door Nijhuis naar de bedoelde grondlegger niet haar werking. Waar van de zijde van Astrimex is gesuggereerd dat er een overeenkomst is van 6 juni 2013, is dat van de zijde van Nijhuis opgehelderd door te wijzen op haar productie 6, tweede blad. Uit die productie blijkt dat tussen Nijhuis en [A] toen een schema van betalingstermijnen is gewisseld, zonder dat blijkt dat door hen iets is afgedaan aan de door Nijhuis bedongen toepasselijkheid van de grondlegger inkoopovereenkomst.

2.5

Niet in geschil is dat [A] de bouwmaterialen ter uitvoering van haar overeenkomst met Nijhuis bij Astrimex heeft ingekocht en dat de materialen op 19 augustus 2013 op de bouwplaats zijn afgeleverd. Aldus heeft [A] aan Nijhuis het bezit van de bouwmaterialen verschaft.

2.6

Vervolgens is aan de orde of [A] beschikkingsbevoegd was en Nijhuis dus van een beschikkingsbevoegde heeft verkregen. Zoals in het tussenarrest onder 5.9 is overwogen, komt het in dat verband aan op de vraag of de verkoop en levering van de materialen aan Nijhuis plaatsvond in de normale bedrijfsuitoefening van [A] zoals bedoeld in artikel 7 onder b van de algemene voorwaarden van Astrimex en daarmee op hetgeen [A] en Astrimex dienaangaande over en weer redelijkerwijs hebben mogen begrijpen en verwachten.

2.7

In bedoeld artikel 7 onder b is het gebruiken van de ingekochte bouwmaterialen in de normale bedrijfsuitoefening van [A] als afnemer slechts in zoverre nader gedefinieerd, dat is vermeld dat hieronder niet is begrepen het bezwaren van goederen met (zekerheids)rechten. Vergeefs voert Astrimex aan dat artikel 2.17.2 van de grondlegger inkoopovereenkomst neer zou komen op een zekerheidsoverdracht (proces-verbaal van comparitie van partijen, derde blad bovenaan). Nijhuis had immers belang bij de bouwmaterialen zelf, die bestemd waren om te worden verwerkt in het door haar aangenomen project; haar belang bij de eigendom van de materialen was dus niet zekerheid voor een andere aanspraak op [A] . Om dezelfde reden is ook geen sprake van het bezwaren van de goederen met een (zekerheids)recht.

2.8

Voor de uitleg van wat moet worden begrepen onder het gebruik door [A] in het kader van haar normale bedrijfsuitoefening acht het hof voor het overige in het bijzonder van belang wat in de branche gebruikelijk is, de kenbare belangen van partijen en de formulering van bedoeld artikel 7 onder b overigens (dat wil zeggen afgezien van de in de vorige alinea besproken bepaling met betrekking tot (zekerheids)rechten).

2.9

Wat betreft hetgeen in de branche gebruikelijk is, heeft Nijhuis zich op het standpunt gesteld dat met artikel 2.17.2 van de grondlegger inkoopovereenkomst vergelijkbare bepalingen in de bouw zeer gebruikelijk zijn, waarbij zij heeft gewezen op artikel 19 UAV (proces-verbaal van comparitie van partijen blad 3). Volgens haar houdt die bepaling in dat na goedkeuring van de bouwstoffen deze geacht worden eigendom te zijn van de opdrachtgever. Verder heeft Nijhuis erop gewezen dat tussen haar en [A] meermalen op dezelfde basis zaken is gedaan. Daartegenover heeft Astrimex aangevoerd dat zij niet eerder in aanraking is gekomen met een beding als dat van artikel 2.17.2 van de inkoopvoorwaarden van Nijhuis en dat zij in het algemeen zaken doet met onderaannemers van de aannemers van bouwprojecten en niet met die aannemers zelf, als gevolg waarvan zij ook niet in aanraking is gekomen met de UAV.

2.10

Dat Astrimex zelf zaken doet met partijen die als onderaannemers optreden van de aannemers van bouwprojecten, is geen argument voor haar om zich niet te verdiepen in hetgeen tussen die onderaannemers en hun opdrachtgevers gebruikelijk is. Astrimex verwijst immers met artikel 7 onder b van haar algemene voorwaarden zelf naar de normale bedrijfsuitoefening van haar afnemers.

2.11

Intussen stelt het hof vast dat de inhoud van artikel 19 UAV 2012 (zie het Besluit vaststelling Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012), Staatscourant 2012, 1567) genuanceerder is dan Nijhuis heeft aangevoerd. Artikel 19 UAV 2012 luidt als volgt:

Ҥ 19. Eigendom van bouwstoffen

1. Alle voor het werk bestemde bouwstoffen worden – zonder dat de opdrachtgever daardoor aansprakelijk wordt voor betalingen aan leveranciers of andere rechthebbenden – eigendom van de opdrachtgever, zodra zij zijn goedgekeurd en de aannemer door overlegging van (een) verklaring(en) volgens het bij de UAV behorende bijlage B heeft aangetoond, dat de leveranciers en eventuele andere rechthebbenden afstand doen van alle aanspraken op die bouwstoffen ten behoeve van de opdrachtgever.

2. Geen overdracht van eigendom aan de opdrachtgever als bedoeld in het eerste lid wordt geacht te hebben plaats gevonden:

a. indien een schuldeiser van de opdrachtgever beslag legt op de in het eerste lid bedoelde bouwstoffen;

b. indien de opdrachtgever failliet wordt verklaard of hem surseance van betaling wordt verleend en het werk door de curator dan wel door de opdrachtgever en diens bewindvoerders niet wordt voortgezet.

Het in dit lid bepaalde lijdt nochtans uitzondering met betrekking tot die bouwstoffen, welke de opdrachtgever aan de aannemer heeft betaald.

3. Na voltooiing van het werk overgebleven bouwstoffen worden aan de aannemer teruggegeven en als niet geleverd beschouwd, behoudens toepassing van § 36, achtste lid.”

2.12

Het hof heeft er oog voor dat formele vereisten zoals die in het eerste lid van artikel 19 UAV 2012 worden benoemd, hier niet zonder meer bepalend kunnen zijn, omdat Nijhuis op bedoeld artikel 19 slechts een beroep heeft gedaan ter adstructie van haar stelling dat bedingen vergelijkbaar met artikel 2.17.2 van de grondlegger inkoopovereenkomst in de branche gebruikelijk zijn, terwijl Astrimex zich ook niet op dergelijke formele vereisten heeft beroepen. Tegelijk stelt het hof vast dat het tweede lid van artikel 19 een uitzondering op de regel van lid 1 bevat ten behoeve van de schuldeiser die op de bouwstoffen beslag legt, welke uitzondering vervolgens op haar beurt uitzondering lijdt voor zover de bouwstoffen aan de aannemer zijn betaald (zodat het beslag geen doel treft, voor zover de bouwstoffen aan de aannemer betaald zijn). Een en ander sluit aan bij het betoog van Astrimex, volgens welke artikel 7 van haar algemene voorwaarden niet ertoe mag leiden dat zij haar eigendomsvoorbehoud kwijtraakt ten behoeve van een opdrachtgever die voor de geleverde goederen nog niet heeft betaald. Verder bevat het derde lid van artikel 19 een uitzondering op lid 1 voor na voltooiing van het werk overgebleven bouwstoffen.

2.13

Met betrekking tot de kenbare belangen van partijen overweegt het hof als volgt. Het was voor [A] een kenbaar belang van Astrimex dat haar eigendomsvoorbehoud niet te spoedig krachteloos zou worden. Tegelijk was het een kenbaar belang van [A] om in haar bedrijfsvoering zo min mogelijk door het eigendomsvoorbehoud te worden gehinderd. Het belang van beiden kwam bij elkaar op het moment dat het gebruik van de door Astrimex geleverde goederen in de bedrijfsvoering van [A] ertoe leidde dat [A] door een hoofdaannemer voor die goederen werd betaald, wat immers de kans vergrootte dat [A] op haar beurt Astrimex zou kunnen voldoen. Bij materialen die bij de uitvoering van het door [A] aangenomen werk uiteindelijk niet werden verwerkt, hadden de opdrachtgevers van [A] als zodanig geen belang, zodat het [A] in haar bedrijfsvoering niet hinderde indien het eigendomsvoorbehoud van Astrimex wat betreft zulke niet-verwerkte materialen in stand bleef.

2.14

Volgens hetgeen hiervoor is overwogen, wijzen het gebruik in de branche, zoals dat blijkt uit artikel 19 UAV 2012, en de kenbare belangen van partijen in dezelfde richting.

2.15

Het gebruik door [A] in de normale bedrijfsuitoefening als bedoeld in artikel 7 onder b van de algemene voorwaarden van Astrimex, legt het hof in het licht van het voorgaande en lettend op de tekst van artikel 7 van de algemene voorwaarden van Astrimex aldus uit, dat daaronder mede valt het verkopen en leveren van de materialen aan de opdrachtgevers van [A] , mits deze opdrachtgevers zich hadden verbonden om die materialen ook uiterlijk direct na levering te betalen, en betaling dus niet wachtte op de uitvoering van het aangenomen werk.

2.16

Het hof heeft zich de vraag gesteld of artikel 7 van de algemene voorwaarden ruimte biedt voor verdere nuancering. Die verdere nuancering zou, in het licht van artikel 19 UAV 2012 en de hiervoor bedoelde kenbare belangen van partijen, met name kunnen zien op de vraag of de desbetreffende opdrachtgever van [A] de materialen ook daadwerkelijk heeft voldaan en op bij de uitvoering van door [A] aangenomen werk uiteindelijk onverwerkt gebleven materialen. Het hof ziet in de tekst van artikel 7 van de algemene voorwaarden van Astrimex – waarin het verval van het eigendomsvoorbehoud wordt verbonden aan het enkele gebruik in de normale bedrijfsoefening van [A] en niet aan uitvoeringshandelingen door de opdrachtgevers van [A] – voor dergelijke nadere nuanceringen echter geen ruimte.

2.17

Nijhuis heeft aangevoerd dat zij de van [A] gekochte materialen conform de overeenkomst met [A] heeft voldaan, deels door betaling en het restant door verrekening (conclusie van antwoord onder 23, conclusie van dupliek onder 6 en memorie van antwoord onder 25). Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft Nijhuis die stelling nader uitgewerkt en overgelegd een opsomming van door Nijhuis aan [A] te betalen termijnen (“betalingsvoorstel 2”), zoals die tussen Nijhuis en [A] op 6 juni 2013 is gewisseld (productie 6). Volgens dat schema zagen de eerste door Nijhuis te betalen termijnen op de levering van materialen en werd vervolgens per woning afgerekend voor het monteren van die materialen en het afwerken. Door Nijhuis is verder overgelegd uitdraaien uit haar projectadministratie (opnieuw productie 6) en financiële administratie (productie 7). Uit productie 6 blijkt dat op 18 juni 2013 in totaal € 25.000 is betaald voor de levering van wandmateriaal en wanden, hetgeen overeenkomt met een factuur van [A] van 7 juni 2013 (opnieuw productie 6). In een en ander ligt besloten dat Nijhuis zich in haar verhouding tot [A] had verbonden om de materialen ook uiterlijk direct na levering te betalen en dat betaling niet wachtte op de uitvoering van het door [A] aangenomen werk.

2.18

Astrimex heeft een en ander niet voldoende gemotiveerd weersproken. Weliswaar heeft zij in twijfel getrokken of de door Nijhuis aangeduide betalingen betrekking hebben op de op 19 augustus 2013 geleverde materialen, maar dat is onvoldoende. Tegen de achtergrond van hetgeen onder 2.15 en 2.16 is overwogen gaat het immers niet om de vraag of Nijhuis op 18 juni 2013 daadwerkelijk heeft betaald voor alle materialen zoals die op 19 augustus 2013 zijn geleverd, maar in plaats daarvan om de vraag of [A] en Nijhuis waren overeengekomen dat Nijhuis de materialen uiterlijk direct na levering zou betalen. Dat zij dat inderdaad waren overeengekomen volgt uit de opsomming van de door Nijhuis te betalen termijnen d.d. 6 juni 2013 en het daadwerkelijk betalen van € 25.000 voor geleverde materialen conform de door [A] daarvoor verstuurde factuur.

2.19

Uit het voorgaande volgt dat de verkoop en levering van de bouwmaterialen door [A] aan Nijhuis valt binnen het door artikel 7 onder b van de algemene voorwaarden van Astrimex bedoelde gebruik in de normale bedrijfsuitoefening van [A] en dat het eigendomsvoorbehoud van Astrimex dus reeds bij gelegenheid van de aflevering van de materialen op de bouwplaats op 19 augustus 2013 is vervallen. Bij die stand van zaken stond het aan Nijhuis vrij om de materialen na het faillissement van [A] onder zich te houden en te (laten) verwerken bij de uitvoering van het oorspronkelijk door [A] aangenomen werk. Van ongerechtvaardigde verrijking van Nijhuis ten koste van Astrimex is geen sprake. Alle grieven van Astrimex stuiten hierop af. Het subsidiaire beroep van Nijhuis op artikel 3:86 Burgerlijk Wetboek behoeft geen bespreking.

2.20

Ten overvloede voegt het hof in vervolg op rechtsoverweging 2.16 nog toe dat Nijhuis de onverwerkt gebleven materialen aan Astrimex eind september 2013 heeft afgegeven (inleidende dagvaarding onder 3) en dat voor zover de door Astrimex geleverde bouwmaterialen door Nijhuis niet aan [A] zijn betaald, Nijhuis de koopprijs van die materialen wel op andere wijze heeft voldaan, namelijk door verrekening (productie 1 bij de conclusie van antwoord en productie 9 van Nijhuis bij gelegenheid van de comparitie van partijen). Het laatste, dat de koopprijs van de materialen in ieder geval uiteindelijk door Nijhuis aan [A] is voldaan, is door Astrimex bij gelegenheid van de comparitie van partijen niet meer betwist. Naar aanleiding van de memorie van grieven onder 14 (waar Astrimex aanvoert dat de verrekeningsverklaring ná het faillissement van [A] is afgelegd) merkt het hof in dit verband nog op dat volgens artikel 6:129 Burgerlijk Wetboek een verrekening terugwerkt tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan.

2.21

De slotsom is dat de grieven geen doel treffen. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen, naar uit voorgaande volgt met verbetering en aanvulling van de gronden.

2.22

Het hof zal Astrimex veroordelen in de kosten van het hoger beroep. De aan de zijde van Nijhuis gevallen kosten zal het hof begroten op € 1.937,— voor griffierecht en op € 2.316,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten tarief III à € 1.158,— per punt: 1 punt voor de memorie van antwoord en 1 punt voor de comparitie van partijen). Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 9 december 2014;

veroordeelt Astrimex in de kosten van het hoger beroep, en begroot die kosten op € 1.937,— voor griffierecht en op € 2.316,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Astrimex in de nakosten, begroot op € 131,—, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,— in geval Astrimex niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, A.A. van Rossum en Th.C.M. Willemse en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2016.