Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1784

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
200.144.556/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verklaringsprocedure. Verzwaarde motiveringsplicht derde-beslagene.

Feiten en omstandigheden, onderbouwd met bescheiden, waaruit kan worden afgeleid dat (arbeidsrechtelijke) verhoudingen bestaan tussen derde-beslagene en ex-werknemers van beslaglegger zijn onvoldoende weersproken. Aan bewijs wordt daarom niet toegekomen: bewijsaanbod gepasseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Zwolle

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.144.556

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen 2427341)

arrest van 8 maart 2016

in de zaak van

[appellante] , h.o.d.n.

Topo Zakelijke Dienstverlening,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. W. Hogenkamp,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Circuit Sneltransport B.V.,

gevestigd te Zoeterwoude,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Circuit,

advocaat: mr. R.W. van den Hoek.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
11 maart 2014 dat de kantonrechter (rechtbank Noord-Nederland, sector kanton, locatie Assen) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 27 maart 2014,

- de memorie van grieven tevens akte vermeerdering van eis tevens incidentele conclusie

(met producties),

- de conclusie van antwoord in het incident tevens reactie op vermeerdering eis,

- de memorie van antwoord,

- de schriftelijke pleidooien.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen

1. tot en met 8 van het bestreden vonnis.

Kort weergegeven gaat het daarbij om het volgende.

Circuit heeft op 28 oktober 2012 twee werknemers, de heren [X] en [Y] (hierna: [X] , respectievelijk [Y] ), op staande voet ontslagen wegens (beweerdelijke) schending van met hen overeengekomen concurrentie- en relatiebedingen. Circuit heeft vervolgens bij vonnissen in kort geding aan [X] en [Y] verboden op laten leggen tot in die vonnissen nader beschreven vormen van concurrentie, op straffe van verbeurte van dwangsommen. vanwege overtreding van relatie- en concurrentiebedingen. Stellende dat [X] en [Y] dwangsommen hebben verbeurd, heeft Circuit derdenbeslag gelegd onder [appellante] . [appellante] heeft ex artikel 476a Rv verklaard dat tussen haar en [X] en/of [Y] geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Circuit heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter [appellante] zal bevelen tot het doen van een juiste gerechtelijke verklaring, zal vaststellen hetgeen Circuit zal toekomen, [appellante] zal veroordelen tot betaling of afgifte aan de gerechtsdeurwaarder van hetgeen is vastgesteld dat toekomt aan Circuit - te vermeerderen met wettelijke rente -, en voor het geval [appellante] in haar verklaring volhardt, haar zal veroordelen tot betaling van het bedrag waarvoor beslag is gelegd (in totaal een bedrag van € 83.950,32) - te vermeerderen met wettelijke rente - een en ander met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure. Circuit betwist de juistheid van de door [appellante] afgegeven verklaring. Circuit stelt dat in tegenstelling tot hetgeen [appellante] heeft verklaard, sprake is (geweest) van (arbeidsrechtelijke) rechtsverhoudingen, zowel tussen [appellante] en [X] als tussen [appellante] en [Y] , nadat [appellante] op 1 juni 2013 het bedrijf Topo Zakelijke Dienstverlening (hierna: Topo) van [Y] had overgenomen.

4.2

De kantonrechter heeft bij vonnis van 11 maart 2014 [appellante] veroordeeld tot betaling aan Circuit van een bedrag van € 83.950,32 met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

5 De beoordeling van het hoger beroep

5.1

In hoger beroep werpt [appellante] zeven grieven op tegen het vonnis van de kantonrechter, vermeerdert zij haar eis en stelt zij een incidentele vordering tot schorsing van het bestreden vonnis in. Het incident is thans niet meer aan de orde, nu partijen buiten rechte een regeling hebben getroffen, waarna [appellante] het incident heeft ingetrokken.

5.2

[appellante] vordert de vernietiging van het bestreden vonnis, de afwijzing van de vorderingen van Circuit, de veroordeling van Circuit tot terugbetaling van hetgeen [appellante] haar ter voldoening aan het bestreden vonnis heeft betaald en van hetgeen Circuit middels executiemaatregelen ten laste van haar heeft geïncasseerd, een verklaring voor recht dat Circuit zich met de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis heeft schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad, met veroordeling van Circuit in de dientengevolge geleden schade, een en ander met de veroordeling van Circuit in de kosten van beide instanties.

5.3

De gevorderde verklaring voor recht met veroordeling van Circuit tot vergoeding van schade - door [appellante] , die in eerste aanleg gedaagde partij was, ten onrechte vermeerdering van eis genoemd -, komt neer op een vordering in reconventie en stuit reeds daarop af dat deze in hoger beroep niet (voor het eerst) kan worden ingesteld (artikel 353 lid 1 Rv).

5.4

Ten aanzien van de grieven overweegt het hof dat deze het geschil in volle omvang voorleggen en zich lenen voor gezamenlijke bespreking.

5.5

Het hof stelt voorop dat het gelet op de hoofdregel van bewijsrecht in artikel 150 Rv op de weg ligt van Circuit, die zich ter onderbouwing van haar vordering erop beroept dat in weerwil van de verklaring van [appellante] wel degelijk een rechtsverhouding bestaat tussen [Y] en [X] enerzijds en [appellante] anderzijds, daartoe feiten te stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting die feiten te bewijzen. Daarbij geldt dat het hier gaat om een verklaringsprocedure, waarin aan de motivering van de betwisting van de door Circuit gestelde feiten zwaardere eisen worden gesteld; zo dient de derde-beslagene zijn verklaring zo veel mogelijk te staven met gegevens en bescheiden (artikel 476a lid 2 en 476b lid 2 Rv).

5.6

Circuit heeft ter onderbouwing van haar stelling dat [appellante] als werkgever van [Y] en [X] optreedt, uit hoofde waarvan [Y] en [X] periodiek betalingen ontvangen van [appellante] , onder meer de volgende, met bescheiden onderbouwde, feiten ten grondslag gelegd:

  • -

    Na overname van Topo door [appellante] per 1 juni 2013zijn [Y] en [X] koerierswerkzaamheden blijven verrichten;

  • -

    Door Topo is op 18 juli 2013 een betaling ten behoeve van [X] verricht;

  • -

    [Y] heeft in ieder geval tot en met 31 juli 2013 werkzaamheden verricht, die hij via Topo factureerde en waarbij de betaling van de facturen op de bankrekening van Topo geschiedde;

  • -

    De bedrijfsauto’s zijn op 17 juni 2013 door [Y] overgedragen aan Topo, waarvoor [appellante] op 18 juni 2013 een bedrag van in totaal € 6.655,- heeft voldaan;

  • -

    Deze auto’s stonden regelmatig bij [X] dan wel [Y] op de oprit of voor de woning; toen deze beide bedrijfswagens op 17 juli 2013 respectievelijk 24 juli 2013 in beslag zijn genomen stond een van de wagens geparkeerd op de oprit van de woning van [Y] , de andere wagen stond in een straat achter de woning van [X] ;

  • -

    In de desbetreffende auto’s lagen diverse visitekaartjes van Topo Sneltransport met daarop de naam van [Y] ;

  • -

    Op LinkedIn (social medium) heeft [X] zich vanaf maart 2013 tot ongeveer oktober 2013 als betrokken bij Topo uitgegeven.

Anders dan [appellante] meent is het hof van oordeel dat Circuit daarmee heeft voldaan aan haar stelplicht.

5.7

[appellante] heeft in eerste aanleg tegen de vordering van Circuit ingebracht dat zij in juni 2013 op verzoek van [Y] , met wie [appellante] destijds een affectieve relatie had, de inschrijving van Topo in het handelsregister op haar naam heeft gesteld, hetgeen op 28 juni 2013 is geëffectueerd. [Y] wilde op die manier een nieuwe juridische procedure tegen Circuit voorkomen, aldus [appellante] . [appellante] heeft verder aangevoerd dat zij geen personeel in dienst heeft genomen en ook met [Y] en [X] geen arbeidsovereenkomst heeft gesloten. Voor zover [X] en [Y] nog werkzaamheden hebben verricht, zijn die werkzaamheden niet in opdracht noch voor rekening van [appellante] verricht, zo voert zij aan.

5.8

In hoger beroep heeft [appellante] erkend dat zowel [Y] als [X] in juni en juli 2013 nog koerierswerkzaamheden hebben verricht, maar dat [Y] dat heeft gedaan voor eigen rekening en dat [X] voor zijn werkzaamheden werd betaald door uitzendbureau Werkplan. Uit de door Circuit overgelegde stukken blijkt echter dat [Y] zijn werkzaamheden heeft gefactureerd op naam van Topo - productie 2 bij memorie van antwoord -, welke factuur het bankrekeningnummer [bankrek.nr] vermeldt, waarop het desbetreffende bedrag inderdaad door de opdrachtgever is gestort, zoals blijkt uit de door [appellante] overgelegde productie 2 bij memorie van grieven. Voor de door [X] verrichte werkzaamheden geldt volgens [appellante] dat betaling daarvan buiten Topo om is gegaan. Het uitzendbureau zou de benodigde gelden hebben ontvangen van bankrekening [bankrek.nr] welke rekening altijd op naam van [Y] heeft gestaan en niet aan [appellante] is overgedragen. Zoals hiervoor overwogen is dat bankrekeningnummer het op de facturen van Topo vermelde nummer. Dat die rekening altijd op naam van [Y] is blijven staan - wat daarvan verder ook zij - kan [appellante] niet baten, nu vast staat dat op die rekening gelden werden ontvangen van uit naam van Topo verrichte en gefactureerde werkzaamheden op een moment dat [appellante] eigenaar was van Topo. De betaling op 18 juli 2013 van de door [X] verrichte werkzaamheden aan uitzendbureau Werkplan heeft eveneens vanaf die rekening plaatsgehad. In het licht daarvan kan [appellante] , die als eigenaar aansprakelijk was voor het reilen en zeilen binnen Topo, zich niet verweren door alleen maar te stellen dat zij van de facturering noch de incassering weet heeft gehad.

5.9

Op de overige hiervoor onder 5.6 door Circuit gestelde feiten, zoals de overname van de bedrijfsauto’s en de daarin aangetroffen visitekaartjes is [appellante] in het geheel niet in gegaan. In reactie op de stelling van Circuit over de uitlatingen van [X] op LinkedIn heeft [appellante] niet meer aangevoerd dan dat zij daarmee niet bekend is.

5.10

De conclusie is dan ook dat de door [appellante] in eerste aanleg en in hoger beroep als verweer tegen de vordering van Circuit ingebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf noch in onderling verband beschouwd van voldoende gewicht zijn - mede in aanmerking nemend de op [appellante] rustende verzwaarde motiveringsplicht - om de stellingen van Circuit te ontkrachten. Het hof komt evenals de kantonrechter dan ook tot het oordeel dat in het licht van de gefundeerde, met concrete feiten, omstandigheden en bescheiden aannemelijk gemaakte stellingen van Circuit, het verweer van [appellante] als onvoldoende feitelijk gemotiveerd moet worden verworpen. Aan bewijs komt het hof daarom niet toe, zodat het aanbod van [appellante] wordt gepasseerd. Het hoger beroep faalt dus. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

6 De slotsom

6.1

Het hoger beroep faalt, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Circuit zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 1.920,-

- salaris advocaat € 1.788,- (2 punten x tarief II)

Totaal € 3.708,-

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Assen van 11 maart 2014,

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Circuit vastgesteld op € 1.920,- voor verschotten en op € 3.708,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief,

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, H.E. de Boer en G. van Rijssen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2016.