Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1781

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
200.142.201/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging standpunt in hoger beroep. Bewijsopdracht ten aanzien van tenietgaan van de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.142.201/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 431916 \ CV EXPL 13-4166)

arrest van 8 maart 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. S.L. Elzinga, kantoorhoudend te Heerenveen,

tegen

[geïntimeerde] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Euro Sales Trading B.V.,

kantoorhoudende te Apeldoorn,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: de curator,

advocaat: mr. P.J.F.M. de Kerf, kantoorhoudend te Nijmegen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van

18 oktober 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 16 januari 2014,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met productie).

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad; het vonnis, op 18 oktober 2013 onder zaak- en rolnummer 431916 \ CV EXPL 13-4166 door de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden, tussen partijen gewezen, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, in conventie de vorderingen van geïntimeerde alsnog af te wijzen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten

geding in beide instanties."

3 De feiten

3.1.

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2. (2.2. tot en met 2.6.) van genoemd vonnis is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden als volgt.

3.2.

[appellant] exploiteert een eenmanszaak onder de naam [naam] .

3.3.

Euro Sales Trading B.V. hierna te noemen: Euro Sales) heeft goederen aan

[appellant] verkocht en geleverd. Terzake hiervan heeft Euro Sales de volgende facturen aan [appellant] gezonden:

factuurnummer factuurdatum bedrag in EURO

1030935 25-11-2010 € 673,30

1030839 23-11-2010 € 3.766,03

1030684 18-11-2010 € 3.353,29

1030499 15-11-2010 € 2.182,79

1030348 10-11-2010 € 841,18

1030107 3-11-2010 € 1.085,28

totaal € 11.901,87

3.4.

Op 13 januari 2011 heeft [appellant] een bedrag van € 9.401,24 op rekeningnummer [nummer] t.n.v. Eurosales overgemaakt o.v.v.: "1029146, 1029585, 1029730, 1029829,

1029985, 1029968, 1029943".

3.5.

Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 8 maart 2011 is het faillissement

uitgesproken van de Euro Sales met aanstelling van mr. E. Smit tot curator.

3.6.

Bij brieven van 8 september 2011 en 18 oktober 2012 heeft de curator [appellant] verzocht tot betaling van een bedrag van € 13.088,95 over te gaan.

3.7.

De rechter-commissaris heeft Smit machtiging verleend voor het voeren van de

onderhavige procedure.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

In eerste aanleg heeft de curator in conventie gevorderd betaling aan hem van een bedrag van € 11.901,87 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente tot 1 mei 2013 berekend op € 2.422,74 en de proceskosten. De curator heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat Eurosales aan [appellant] goederen heeft geleverd die onbetaald zijn gebleven.

4.2.

[appellant] heeft in conventie tot zijn verweer aangevoerd dat de desbetreffende goederen door hem contant zijn betaald. In reconventie heeft [appellant] € 25.000,- gevorderd uit hoofde van schadevergoeding ter zake van een door Eurosales geleverde partij pootlampen.

4.3.

De curator heeft ontkend dat er afspraken zijn gemaakt tot schadevergoeding met betrekking tot genoemde pootlampen.

4.4.

De kantonrechter heeft in conventie de vordering vermeerderd met de wettelijke rente toegewezen en in reconventie is [appellant] in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard. [appellant] is in conventie en in reconventie in de proceskosten veroordeeld.

5 De beoordeling van de vordering en de grieven.

5.1.

[appellant] heeft tegen het in conventie gewezen vonnis vijf grieven aangevoerd. Hij heeft in de toelichting op de grieven gesteld dat hij niet tot betaling van de facturen is gehouden, omdat hij eind 2010 met de heer Beltman, bestuurder van Euro Sales, een regeling is overeengekomen inhoudende dat hij van zijn openstaande facturen een deel groot € 11.901,87 (rov. 3.3.) mocht verrekenen als schadevergoeding voor door Euro Sales geleverde ondeugdelijke pootlampen. Het overige deel van de openstaande vorderingen heeft hij voldaan door betaling van een bedrag van € 9.401,24 (rov. 3.4.).

5.2.

De curator heeft betwist dat er afspraken zijn gemaakt met Beltman ter zake van (onder meer) verrekening en hij heeft daarbij gewezen op het ontbreken van enig logisch verband tussen de gepretendeerde vordering tot schadevergoeding van € 25.000,- en de hoogte van de beweerdelijk te verrekenen vordering van Euro Sales ter hoogte van

€ 11.902,87, naast de betaling van € 9.402,24 ter zake van andere facturen van Euro Sales.

5.3.

Het hof stelt voorop dat het hoger beroep mede ertoe strekt de appellerende partij de gelegenheid te bieden tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen zij in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. Het staat [appellant] daarom in beginsel vrij in hoger beroep een ander standpunt in te nemen dan hij in eerste aanleg heeft gedaan, ook als dat standpunt sterk afwijkt van eerder ingenomen standpunten. Een verklaring voor deze koerswijziging behoeft [appellant] ook niet te geven (HR 9 juli 2010; ECLI:NL:HR:2010:BM3912).

In eerste aanleg heeft [appellant] gesteld (conclusie van antwoord in conventie, conclusie van eis in reconventie d.d. 11 juni 2013) dat hij de geleverde goederen bij aflevering contant heeft voldaan. Daarnaast heeft hij in reconventie een vordering ingediend van € 25.000,- ter zake van door Euro Sales geleverde ondeugdelijke pootlampen, waarbij hij heeft aangevoerd dat hierover afspraken zouden zijn gemaakt met Beltman en inhoudende dat deze laatste de schade zou verhalen bij de fabrikant en als dat niet zou lukken Euro Sales en [appellant] de schade samen zouden delen. In hoger beroep heeft [appellant] niet langer gesteld dat hij de betreffende facturen door contante betaling heeft voldaan, maar gesteld dat de vordering van Euro Sales, zoals door de curator is ingesteld, reeds voorafgaand aan het faillissement van Euro Sales als gevolg van een eind 2010 met Euro Sales mondeling getroffen regeling door verrekening is teniet gegaan.

5.4.

De stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan van de door [appellant] getroffen regeling met Euro Sales inhoudende het tenietgaan van de onder rov. 3.3. weergegeven facturen door middel van verrekening ligt, conform de hoofdregel van artikel 150 Rv, bij [appellant] . Nu [appellant] hiervan nadrukkelijk bewijs heeft aangeboden, zal hij worden toegelaten tot bewijslevering als in het dictum staat vermeld.

5.5.

Voor het overige zullen de beslissingen worden aangehouden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

alvorens nader te beslissen:

draagt [appellant] op te bewijzen dat hij met Euro Sales is overeengekomen dat een bedrag van € 11.902,87 terzake van door Euro Sales verzonden facturen werd verrekend met een vordering uit hoofde van schadevergoeding terzake van door Euro Sales aan [appellant] geleverde ondeugdelijke pootlampen;

bepaalt dat, indien [appellant] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. I. Tubben, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

verhinderdata enquete

bepaalt dat [appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum dinsdag

22 maart 2016, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het verhoor ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) vaststelt;

bepaalt dat [appellant] overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

Dit arrest is gewezen door mr I. Tubben, mr. G. van Rijssen en mr. B.J.H. Hofstee en uitgesproken door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier op dinsdag 8 maart 2016.