Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1706

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
WAHV 200.162.460
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermindering proceskostenvergoeding tot de helft omdat de betrokkene slechts gedeeltelijk en op een punt van ondergeschikt belang in het gelijk wordt gesteld. In hoger beroep wordt geklaagd over diverse aspecten van de (totstandkoming van de) sanctiebeschikking en de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. De aangevoerde argumenten falen en het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter behoudens één aspect. De kantonrechter had het beroep van de gemachtigde tegen het uitblijven van een beslissing van de officier van justitie op het verzoek om restitutie van de door de betrokkene gestelde zekerheid, in welk kader ook was verzocht om vaststelling van de hoogte van de verschuldigde dwangsom, niet-ontvankelijk moeten verklaren in plaats van ongegrond. Een verzoek strekkende tot teruggaaf van gestelde zekerheid is geen verzoek om een besluit te nemen als bedoeld in 1:3 juncto 4:17 Awb, maar een verzoek tot het verrichten van een feitelijke handeling. Niet tijdig reageren op dat verzoek kan derhalve niet leiden tot verbeurte van een dwangsom. Tegen het niet tijdig verrichten van een handeling van feitelijke aard staat geen (bestuursrechtelijk) rechtsmiddel open..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.162.460

4 maart 2016

CJIB 172414883

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 3 december 2014

betreffende

[naam] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [plaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [naam] ,

kantoorhoudende te [plaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 19 februari 2016. De betrokkene noch diens gemachtigde is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. M.E. Joha.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 269,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 30 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 22 mei 2013 om 22.04 uur op de A16, richting links te Rotterdam.

2. De gemachtigde van de betrokkene beklaagt zich in hoger beroep ten eerste over een aantal formele aspecten van de aan de betrokkene opgelegde sanctie, althans van de beslissing van de officier van justitie op het door de betrokkene ingestelde administratief beroep. De betrokkene heeft in dat administratief beroep aangevoerd dat de verkeerssituatie ter plaatse het niet toeliet om met de door de verbalisant geconstateerde snelheid te rijden en heeft zich daarnaast beklaagd over de door de verbalisant bij de staandehouding verstrekte informatie. In de motivering van de beslissing van de officier van justitie is, volgens de gemachtigde, onvoldoende op deze aspecten ingegaan. De officier van justitie heeft ten onrechte het beroep kennelijk ongegrond verklaard en slechts aangegeven dat doorslaggevende betekenis wordt toegekend aan de verklaring van de verbalisant. Aldus is de beslissing van de officier van justitie onvoldoende gemotiveerd, volgens de gemachtigde. Daarnaast heeft de officier van justitie zijn onderzoeksplicht geschonden, door het verweer van de betrokkene aangaande de verkeerssituatie ter plaatse niet nader te onderzoeken. Bovendien heeft de officier van justitie er ten onrechte van afgezien de betrokkene te horen, alvorens op het administratief beroep te beslissen. De gemachtigde meent dat de beslissing van de officier van justitie geen stand kan houden.

Voorts klaagt de gemachtigde erover dat in deze zaak niet kan worden gesproken over een staandehouding, nu de betrokkene tijdens het gesprek met de betrokken verbalisant niet adequaat kon worden geïnformeerd over hetgeen hem verweten wordt en hem niet aanstonds de beschikking is uitgereikt. Daarmee is volgens de gemachtigde gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 4 en artikel 5 van de WAHV.

Verder klaagt de gemachtigde erover dat het dossier niet een proces-verbaal bevat dat is ondertekend door de verbalisant. Aldus valt niet na te gaan of het in het dossier aanwezige proces-verbaal daadwerkelijk door een daartoe bevoegde verbalisant is opgemaakt.

3. Het staat vast dat de officier van justitie op het beroep heeft beslist zonder de betrokkene in de gelegenheid te stellen de inhoud van het administratief beroepschrift toe te lichten.

4. Ingevolge artikel 7:16 van de Awb in verbinding met artikel 7, tweede lid, van de WAHV moet de officier van justitie de indiener van het administratief beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Van het horen kan op grond van het bepaalde in artikel 7:17, aanhef en onder c, van de Awb worden afgezien, indien de indiener heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.

5. Het hof heeft in vaste rechtspraak geoordeeld (onder meer bij arrest van 26 maart 2003, WAHV 02/01144, ECLI:NL:GHLEE:2003:AF7658, te raadplegen via www.rechtspraak.nl) dat in het kader van de procedure in WAHV-zaken een redelijke uitleg van de wet meebrengt dat wanneer op een verzoek om aan te geven of men wil worden gehoord niet wordt gereageerd, dit door de officier van justitie mag worden beschouwd als een verklaring dat de indiener van het beroepschrift geen gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Het is het hof ambtshalve bekend dat een inleidende beschikking in dit verband als standaardtekst bevat: “Wenst u een mondelinge toelichting te geven op uw beroep? Dan kunt u hierom verzoeken in uw beroepschrift. Vermeld dan ook een telefoonnummer waarop u overdag bereikbaar bent.”

6. De betrokkene heeft in administratief beroep niet aangegeven dat hij zijn beroep mondeling wilde toelichten, in reactie op voornoemde mededeling. Bij die stand van zaken bestond voor de officier van justitie geen verplichting de betrokkene te horen alvorens op het administratief beroep te beslissen. Van een schending van de hoorplicht is derhalve niet gebleken.

7. Voor zover de gemachtigde klaagt over de motivering van de beslissing van de officier van justitie overweegt het hof het volgende.

8. In artikel 7:26, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de beslissing op het beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Dat brengt echter niet mee dat in het geval niet uitgebreid en expliciet op alle aangevoerde argumenten wordt ingegaan, er sprake is van schending van het motiveringsbeginsel. Bij een beoordeling of sprake is van een dergelijke schending, dient te worden gekeken naar de omstandigheden van het betreffende geval.

9. De officier van justitie heeft in zijn beslissing op het administratief beroep

d.d. 23 augustus 2013 het volgende overwogen:

“U hebt beroep ingesteld tegen de opgelegde sanctie. Op basis van wetgeving en jurisprudentie is vastgelegd dat van u mag worden verwacht dat u aan de hand van feiten en/of omstandigheden een begin van bewijs aandraagt. U moet aannemelijk maken, eventueel met behulp van bewijsstukken en/of getuigenverklaringen dat u de gedraging niet hebt begaan of u niet kan worden verweten. U hebt uw stelling niet of onvoldoende nader onderbouwd of aannemelijk gemaakt. De officier van justitie gaat dan ook van de beschikkingsgegevens uit. Er is geen reden om de beschikking te vernietigen of het sanctiebedrag te verlagen. Alles overwegende verklaart de officier van justitie het beroep ongegrond.”

10. Het hof stelt vast dat de officier van justitie niet de door de gemachtigde genoemde motivering heeft gebezigd. In zoverre mist die klacht feitelijke grondslag. Voorts is het hof van oordeel dat de door de officier van justitie gebezigde motivering niet als ondeugdelijk kan worden aangemerkt. De officier van justitie heeft voldoende inzichtelijk gemaakt waarom hetgeen de betrokkene in administratief beroep aanvoerde niet kon slagen: een en ander was onvoldoende onderbouwd, derhalve onvoldoende aannemelijk geworden, zodat de verklaring van de verbalisant niet als ongeloofwaardig terzijde is gesteld door de officier van justitie. Dit verweer faalt derhalve eveneens.

11. De stelling van de gemachtigde, dat de officier van justitie onvoldoende onderzoek heeft verricht naar hetgeen in administratief beroep is aangevoerd, leidt evenmin tot de conclusie dat de beslissing van de officier van justitie geen stand kan houden. In WAHV-zaken kan de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag bieden voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. De onder 9. genoemde waardering van hetgeen door de betrokkene is aangevoerd in administratief beroep - zijnde onvoldoende aannemelijk tegen de achtergrond van de verklaring van de verbalisant - brengt mee dat enig nader onderzoek van - bijvoorbeeld - de verkeerssituatie ter plaatse niet noodzakelijk was voor de beoordeling van het beroep.

12. Voor zover de gemachtigde klaagt over enkele formele aspecten van de aan de betrokkene opgelegde sanctie, overweegt het hof als volgt.

13. De stelling van de gemachtigde, dat er geen sprake is geweest van een staandehouding zodat het bepaalde in artikel 4 en artikel 5 van de WAHV is geschonden, vindt geen steun in het recht. Op grond van de stukken van het dossier staat vast dat de betrokkene degene was die na de constatering van de verbalisant in gesprek is geweest met de verbalisant, is geïnformeerd omtrent de geconstateerde gedraging en zijn personalia heeft opgegeven die middels een rijbewijs zijn geverifieerd, in vervolg waarop hij onderhavige beschikking heeft ontvangen. Waarom dit niet als een staandehouding zou kunnen worden aangemerkt, zoals de gemachtigde stelt, valt niet in te zien. Dat er mogelijk onjuiste informatie is verstrekt door de verbalisant - hetgeen niet valt te verifiëren op grond van het dossier - kan daar niet aan afdoen. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat aan de betrokkene geen aankondiging van beschikking zou zijn uitgereikt. Wat daar verder ook van zij, de inleidende beschikking is ruimschoots binnen de in artikel 4, tweede lid, WAHV gestelde termijn van vier maanden aan de betrokkene toegezonden: de pleegdatum was 22 mei 2013 en de inleidende beschikking is met dagtekening 5 juni 2013 aan de betrokkene toegezonden. Bij inleidende beschikking is de betrokkene op juiste wijze geïnformeerd over hetgeen hem wordt verweten. Gelet op de inhoud van zijn administratief beroepschrift was dit ook duidelijk voor de betrokkene. Ingeval de betrokkene inderdaad geen aankondiging van beschikking heeft ontvangen bij de staandehouding valt derhalve niet in te zien hoe hij hierdoor in enig rechtens te respecteren belang zou zijn geschaad.

14. Dat het afschrift van het brondocument dat zich in het dossier bevindt niet is ondertekend door de verbalisant, behoeft evenmin gevolg te krijgen. De enkele omstandigheid dat die ondertekening ontbreekt, in verband met de omstandigheid dat dit document digitaal is aangemaakt, noopt in zaken als de onderhavige op zichzelf niet tot nader onderzoek naar de bevoegdheid van de betrokken verbalisant dan wel tot twijfel aan de juistheid van de in het zaakoverzicht opgenomen gedragingsgegevens. De stelling van de gemachtigde, dat niet valt na te gaan of de betrokken verbalisant al dan niet bevoegd was aldus op te treden, is bovendien onjuist. De betrokken verbalisant valt immers op grond van de in het brondocument genoemde gegevens te herleiden.

15. Voorts heeft de gemachtigde zich in hoger beroep beklaagd over een aantal materiële aspecten van de onder 1. genoemde sanctie. Volgens de gemachtigde is het onmogelijk dat de genoemde gedraging is verricht, nu de verkeerssituatie ter plaatse het niet toeliet om 130 km/h te rijden. Het betrof een tweebaansweg ergens bij Rotterdam, waar het vaak erg druk

is. Het rijden met de door de verbalisant genoemde snelheid is dan praktisch niet mogelijk, laat staan over een afstand van 4500 meter - de afstand die de verbalisant beweert de betrokkene te hebben gevolgd. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde een aantal stukken bijgevoegd: een ongevallenkaart betreffende het Nederlandse wegennet, een filekaart betreffende het jaar 2014 en een verkeersdruktekalender betreffende het jaar 2015.

Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de verklaring van de verbalisant als onvoldoende betrouwbaar moet worden aangemerkt, nu daarin slechts is vermeld dat de betrokkene over een traject van 4500 meter is gevolgd, doch niet is aangegeven welk traject dit betreft. Er is slechts aangegeven dat het een autoweg bij Rotterdam betreft, maar dat is naar de mening van de gemachtigde te vaag. Gelet hierop moet minder waarde aan deze verklaring worden toegekend, aldus de gemachtigde. Hij verzoekt het hof het openbaar ministerie een bewijsopdracht te geven, met betrekking tot gegevens van Rijkswaterstaat aangaande de verkeersdichtheid en gemiddelde snelheid van het verkeer op de pleeglocatie ten tijde van de vermeende gedraging.

13. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

14. In het dossier bevindt zich een afschrift van het brondocument. De daarin opgenomen ambtsedige verklaring van de verbalisant houdt, naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, onder meer het volgende in:

“Wegtype: 1 - autosnelweg.

Op basis van: A1 (regulier bord)

(…)

De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van de geijkte boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig, door bestuurder met een gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen.

Afgelezen snelheid boordsnelheidsmeter: 140 km per uur.

Snelheid volgens kallibratietabel: 135 km per uur.

Toegestane snelheid: 100 km per uur.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 130 km per uur.

Overschrijding met: 30 km per uur.

Meetafstand: 4500 m.

Tussenafstand: 250 m.

Goedkeuring meetmiddel geldig tot 19 oktober 2013.”

15. Hetgeen door de gemachtigde hier tegenover is gesteld, houdt in dat het niet mogelijk was om ter plaatse met een gecorrigeerde snelheid van 130 km per uur te rijden. Hetgeen daartoe is aangevoerd is echter onvoldoende om deze stelling aannemelijk te maken. Het hof betrekt daarbij dat de pleeglocatie, anders dan de gemachtigde heeft gesteld, een autosnelweg betreft en geen autoweg. Bovendien is voornoemde constatering gedaan om 22.04 uur, een tijdstip dat ruim buiten de spits is gelegen. Gegeven die omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om voornoemde verklaring van de verbalisant als ongeloofwaardig terzijde te stellen. De door de gemachtigde overgelegde stukken doen daar niet aan af. De enkele omstandigheid dat onderhavig weggedeelte kennelijk over het algemeen een hoge filedruk kent en dat ter plaatse kennelijk veel ongevallen gebeuren, betekent niet dat het voor de betrokkene onmogelijk is geweest om over de door de verbalisant genoemde afstand met de door de verbalisant geconstateerde snelheid te rijden.

16. Hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd, geeft het hof derhalve geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de constatering van de verbalisant. Dat de verbalisant niet exact heeft aangegeven over welk traject hij de betrokkene heeft gevolgd, maakt dat niet anders. Nu uit het dossier evenmin blijkt van feiten of omstandigheden die aanleiding tot zodanige twijfel geven, staat vast dat de onder 1. genoemde gedraging is verricht. Nu evenmin blijkt van feiten of omstandigheden die nopen tot het achterwege laten of matigen van de sanctie, is het hof van oordeel dat die sanctie terecht aan de betrokkene is opgelegd.

17. Ten slotte voert de gemachtigde aan - zakelijk weergegeven - dat de officier van justitie dwangsommen heeft verbeurd, doordat - ook na ingebrekestelling door de

betrokkene - niet tijdig is gereageerd op het verzoek van de betrokkene d.d. 28 januari 2014, strekkende tot teruggaaf van de door de betrokkene gestelde zekerheid. Dat verzoek had de betrokkene gedaan, omdat de officier van justitie de in artikel 11, eerste lid, van de WAHV bedoelde termijn had geschonden, door niet tijdig te stukken van het geding door te zenden aan de rechtbank. Dit verzoek moet, aldus de gemachtigde, worden aangemerkt als een aanvraag om een beschikking, waarop niet tijdig is beslist door de officier van justitie. De gemachtigde meent, zo begrijpt het hof, dat de kantonrechter om die reden dwangsommen had moeten vaststellen.

18. Uit het dossier blijkt het volgende, voor zover hier van belang. Nadat de officier van justitie met dagtekening 23 augustus 2013 op het administratief beroep had beslist, heeft de betrokkene bij brief van 16 september 2013 tegen die beslissing beroep ingesteld. Bij brief van 27 november 2013 aan de officier van justitie heeft de betrokkene verzocht de beslissing op het administratief beroep te heroverwegen. Bij brief van 8 januari 2014 heeft de betrokkene de officier van justitie in gebreke gesteld, omdat nog niet op zijn verzoek van 27 november 2013 was beslist. Bij brief van 17 januari 2014 van de CVOM is aan de betrokkene medegedeeld dat geen dwangsommen zijn verbeurd, nu geen sprake is van een beschikking op aanvraag als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb. Vervolgens heeft de betrokkene bij brief van 28 januari 2014 de officier van justitie verzocht de door de betrokkene op 8 oktober 2013 gestelde zekerheid ad € 276,- terug te storten.

19 Artikel 1:3 van de Awb houdt in, voor zover hier van belang:

“ 1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.”

20 Ingevolge artikel 4:17 van de Awb kan een bestuursorgaan een dwangsom verbeuren als een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven.

21. De verplichting tot het betalen van zekerheid vloeit voort uit artikel 11, derde lid, WAHV. Ingevolge artikel 21, eerste lid, WAHV vervalt de zekerheidstelling nadat ten aanzien van de opgelegde administratieve sanctie een onherroepelijke beslissing is genomen. Het regime van de zekerheidstelling vloeit dus voort uit de wet. De wet kent niet de mogelijkheid voor een (gemachtigde van de) betrokkene om restitutie van zekerheid te verzoeken. Naar het oordeel van het hof kan het verzoek niet worden aangemerkt als een verzoek om een besluit te nemen maar moet het worden aangemerkt als een verzoek tot het verrichten van een handeling van feitelijke aard. Het standpunt van de gemachtigde, dat sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3 juncto artikel 4:17 van de Awb, is derhalve niet juist. De omstandigheid dat er in de visie van de gemachtigde geen andere rechtsmiddelen openstaan voor de indiener van het beroep om de schending van artikel 11 van de WAHV door de officier van justitie aan de orde te stellen, doet hieraan niet af. Gelet hierop kan het niet tijdig reageren op een zodanig verzoek niet leiden tot verbeurte van een dwangsom.

22. Aangezien tegen het niet tijdig verrichten van een handeling van feitelijke aard geen (bestuursrechtelijke) rechtsmiddelen open staan, had de kantonrechter -in plaats van dat beroep ongegrond te verklaren- het beroep van de gemachtigde tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek van 28 januari 2014, in welk kader ook was verzocht om vaststelling van de hoogte van de verschuldigde dwangsom, niet-ontvankelijk moeten verklaren.

23. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het beroep, gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om restitutie van de zekerheidstelling, ongegrond is verklaard, vernietigen en - doende hetgeen de kantonrechter in zoverre had moeten doen - dat beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Voor het overige zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

24. Nu de beslissing van de kantonrechter deels wordt vernietigd, ziet het hof aanleiding tot vergoeding van de door de betrokkene in hoger beroep gemaakte proceskosten, betreffende door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft in hoger beroep de volgende proceshandeling verricht: het indienen van het hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 487,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe, zodat de waarde per procespunt

€ 243,50 bedraagt.

Het hof stelt vast dat betrokkene met deze vernietiging slechts zeer gedeeltelijk, op een punt van ondergeschikt belang, in het gelijk wordt gesteld. Het betreft hier niet een punt dat door de betrokkene en de gemachtigde naar voren is gebracht en ligt ook niet in het verlengde daarvan. Alle verweren die door betrokkene en zijn gemachtigde naar voren zijn gebracht treffen geen doel.

Daarin ziet het hof aanleiding het aldus hiervoor vastgestelde bedrag - op de voet van artikel 2, tweede lid, van het Besluit - te verminderen tot de helft.

25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 121,75 (=1 x € 487,- x 0,5 x 0,5).

26. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, beslist het hof als volgt.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het beroep, gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om restitutie van de zekerheidstelling, ongegrond is verklaard;

verklaart het hiervoor bedoelde beroep niet-ontvankelijk;

bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 121,75.

Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Van Schuijlenburg en De Witt in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting, zijnde mr. De Witt buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.