Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1698

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
200.132.329/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verschoning afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

zaaknummer gerechtshof 200.132.329/02

beslissing van de wrakingskamer van 11 februari 2016

inzake het verzoek tot verschoning, gedaan door

mr. H.E. de Boer,

raadsheer in het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

in

de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A.] Beheer B.V.,

hierna: [A.] Beheer,

gevestigd te Arnhem,

advocaat: mr. F.M. Schmitz,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Mowi Beheer B.V.,

hierna: Mowi Beheer,

gevestigd te Bemmel, gemeente Lingewaard,

advocaat: mr. M.H. ten Have.

1 De procedure

1.1

In bovenvermelde zaak hebben ingevolge de tussenarresten van 15 oktober 2013 en 14 oktober 2014 bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12 december 2014, 2 april 2015, 23 juni 2015 en 24 september 2015 getuigenverhoren aan de zijde van [A.] Beheer plaatsgevonden. De verhoren zijn afgenomen door mr. De Boer in zijn hoedanigheid van raadsheer-commissaris. Op de roldatum 8 december 2015 heeft [A.] Beheer een memorie na enquête genomen. Op de roldatum 5 januari 2016 heeft Mowi Beheer een antwoord-memorie na enquête genomen.

1.2

Bij verzoekschrift gedateerd 15 december 2015 en ingekomen ter griffie van het hof op diezelfde datum heeft mr. De Boer een verzoek gedaan tot verschoning en is de behandeling van de zaak ingevolge artikel 40 lid 3 Rv geschorst.

1.3

Bij brief van 30 december 2015 heeft de advocaat van [A.] Beheer zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Bij brief van 11 januari 2016 heeft de advocaat van Mowi Beheer zich ook gerefereerd aan het oordeel van het hof.

1.4

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling van het verzoek tot verschoning

2.1

Mr. De Boer heeft voor zijn verzoek tot verschoning, kort samengevat en voor zover thans van belang, de navolgende gronden aangevoerd:

- in het kader van vrijwilligerswerk voor de voetbalclub van zijn zoon (twee a drie keer per jaar helpen in de kantine bij de verkoop van consumpties) is hij op 12 december 2015 de heer [A.] tegengekomen;

- de heer [A.] is scheidsrechtercoördinator van de voetbalclub en naar mr. De Boer heeft begrepen fluit de heer [A.] zelf ook wel wedstrijden; tot 12 december 2015 was hij hiervan niet op de hoogte;

- de heer [A.] en hij zullen elkaar blijven tegenkomen in verenigingsverband en zijn zoon zal bij de voetbalclub blijven voetballen, waar hij met scheidsrechters te maken heeft;

- zijn zoon neemt deel aan de scheidsrechtersopleiding die de voetbalclub heeft opgezet.

In de beschreven betrokkenheid ziet mr. De Boer een reden voor partijen en derden om aan zijn onpartijdigheid te twijfelen.

2.2

De wrakingskamer stelt voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Ingevolge artikel 40 Rv in verbinding met artikel 36 Rv kan op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden een rechter verzoeken zich te mogen verschonen. Er dient dan sprake te zijn van feiten en omstandigheden die, ongeacht de persoonlijke instelling van de rechter, grond geven te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid van belang is.

2.3

In dit licht dient beoordeeld te worden of de door mr. De Boer aangevoerde gronden gekwalificeerd kunnen worden als dergelijke feiten of omstandigheden.

2.4

Vooropgesteld dient te worden dat uit het verschoningsverzoek niet blijkt dat mr. De Boer zelf van mening is dat hij de zaak niet meer onpartijdig verder zou kunnen behandelen. Door verzoeker is enkel gesteld dat hij in de beschreven betrokkenheid reden voor partijen en derden ziet om aan zijn onpartijdigheid te twijfelen.

2.5

De wrakingskamer oordeelt als volgt. De aangevoerde gronden, te weten dat mr. De Boer in het kader van vrijwilligerswerk een bestuurder van één van partijen eenmalig is tegengekomen en wellicht in de toekomst in dezelfde hoedanigheid nog eens zal tegenkomen, en de omstandigheid dat zijn zoon een scheidsrechteropleiding opgezet door de voetbalclub volgt, leveren naar het oordeel van de wrakingskamer, op zichzelf en bezien in onderling verband en samenhang, geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de vrees dat de rechterlijke onpartijdigheid van mr. De Boer schade zou kunnen lijden objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer neemt daarbij in aanmerking dat geen sprake is van enige persoonlijke relatie met die persoon of de partij die hij vertegenwoordigt. Het verzoek zal om deze reden worden afgewezen.

3 De beslissing

De wrakingskamer, beslissende op het verzoek tot verschoning:

wijst het verschoningsverzoek van mr. De Boer af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, J.P.M. Kooijmans en G. Mintjes en is in tegenwoordigheid van mr. C. Vleggaar, griffier, in het openbaar uitgesproken op

11 februari 2016.