Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1696

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
04-03-2016
Zaaknummer
K15/0239
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klacht ex artikel 12 Sv strekkende tot de vervolging van een politieagente ter zake van poging tot doodslag dan wel zware mishandeling, die met haar dienstwapen gericht heeft geschoten op klager.

Gegrondverklaring van de klacht. Gelet op de ernst van het feit dient de vraag of sprake is van noodweer(exces) dan wel putatief noodweer ter beantwoording en behandeling ter openbare terechtzitting te worden voorgelegd aan de strafrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

K15/0239

Beschikking

inzake

[klager] ,

domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigde,

klager,
bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. A.T.L. van der Meulen, advocaat te Arnhem,

tegen

[beklaagde] ,
werkzaam als brigadier bij de politie-eenheid Oost-Nederland te Apeldoorn,

beklaagde,

bijgestaan door haar gemachtigde, mr. V.C.A. Eschauzier - Van Wijk, advocate te Nijmegen.

Op 9 maart 2015 is ter griffie van het hof een klaagschrift binnengekomen van klager. Het klaagschrift richt zich tegen de beslissing van de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland om tegen beklaagde geen strafvervolging in te stellen. Op 22 juli 2015 is in aanvulling op het klaagschrift door klager aan het hof toegezonden een analyse onderzoek verricht door de heer [naam] .

Het hof heeft kennisgenomen van het ambtsbericht van de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland, het schriftelijk verslag van de advocaat-generaal bij het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden en de overige op deze zaak betrekking hebbende stukken.

Op 10 februari 2016 heeft de gemachtigde van beklaagde aan het hof doen toekomen een rapportage schietincident, betreffende een verklaring van [naam commissaris van politie] , commissaris van politie. Op 11 februari 2016 is bij het hof binnengekomen een reactie van de heer [naam] op eerdergenoemde rapportage schietincident.

Op 12 februari 2016 is de zaak in raadkamer van dit hof behandeld. Bij de behandeling waren klager, zijn gemachtigde, beklaagde en haar gemachtigde, alsmede de advocaat-generaal aanwezig. Zij zijn in raadkamer gehoord.

De advocaat-generaal heeft, in overeenstemming met het schriftelijk verslag, geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de klacht.

Het beklag

Op 30 juli 2014 werd door de Rijksrecherche, onder leiding van het Arrondissementsparket Oost-Nederland, een onderzoek ingesteld naar de toedracht van een op diezelfde dag toegepaste geweldsaanwending (schietincident) door een politieambtenaar van de politie-eenheid Oost-Nederland.

Op 15 januari 2015 is door de plaatsvervangend hoofdofficier aan klager medegedeeld dat de officier van justitie heeft besloten om de politiefunctionaris, beklaagde, die op klager heeft geschoten, niet te vervolgen, nu aan beklaagde een beroep op noodweer toekomt.

De beoordeling van het beklag

Klager kan als rechtstreeks belanghebbende worden beschouwd en is derhalve ontvankelijk in zijn beklag.

Inleiding

Ter zake van het feit waarop de klacht betrekking heeft, is door de Rijksrecherche een onderzoek ingesteld, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in een dossier, genummerd 20140062, afgesloten op 27 oktober 2014.

Uit voormeld dossier blijkt, kort samengevat, dat beklaagde, brigadier van politie, werkzaam bij de politie-eenheid Oost-Nederland te Apeldoorn, op 30 juli 2014, gedurende de uitoefening van haar functie haar dienstpistool heeft getrokken en daarmee opzettelijk twee schoten op klager heeft gelost als gevolg waarvan klager (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Incident op 30 juli 2014

Uit de stukken en de zich in het dossier bevindende camerabeelden in samenhang met het verhandelde in raadkamer leidt het hof de volgende gang van zaken af.

Op 30 juli 2014 heeft de meldkamer omstreeks 21:41 uur een melding ontvangen van een incident in de [adres] te Apeldoorn, alwaar volgens de meldster een verwarde man door de straat zou lopen die een buurman van haar zou hebben aangevallen dan wel mishandeld en auto’s zou hebben vernield. Aan de collega van beklaagde, die op een motor surveilleerde (de 22-07), werd verzocht om ter plaatse te gaan. Even later wordt door de centrale aan beklaagde (de 22-03) gevraagd of ze mee kan rijden naar het incident. Beklaagde zat alleen in een surveillanceauto.

Beklaagde is als eerste ter plaatse gekomen en werd daar aangesproken door een aantal vrouwen dat een signalement van een man doorgaf en daarbij vertelden dat die man ‘de weg kwijt was’ en een paar auto’s had vernield. De verwarde man zou gekleed zijn in een rood T-shirt met letters op zijn borst. Nadat beklaagde verder de straat in was gereden, zag zij een man gekleed in een rood T-shirt, te weten: klager. Zij zag dat hij drukke handgebaren aan het maken was. Ook zag zij dat hij een glazige blik in zijn ogen had en hoorde zij dat hij iets riep over de duivel. Beklaagde heeft toen direct aan de meldkamer om versterking gevraagd.

Beklaagde zag dat een buurtbewoner, een Turkse man genaamd [naam Turkse man] , aan kwam lopen en dat hij probeerde om klager rustig te krijgen. Tussen [naam Turkse man] en klager ontstond een handgemeen. Beklaagde is als getuige gehoord door de rijksrecherche. Beklaagde heeft bij de Rijksrecherche verklaard (en dit ter zitting in raadkamer bevestigd) dat klager, in haar herinnering zijn beide handen om de keel van [naam Turkse man] had en dat klager hem probeerde te wurgen. Zij zag dat klager steeds gefocust was op [naam Turkse man] . Beklaagde heeft verklaard dat zij de situatie op dat moment erg bedreigend vond en dat zij besefte dat zij klager niet alleen onder controle zou kunnen krijgen.

Anders dan beklaagde heeft [naam Turkse man] over het handgemeen met klager verklaard dat hij degene was die klager bij zijn keel heeft gegrepen en niet andersom. Dit deed hij om klager op afstand te houden, nu klager met zijn armen bleef zwaaien en op hem af kwam lopen.

Beklaagde is naar klager en [naam Turkse man] toegelopen en heeft tegen klager geroepen dat hij [naam Turkse man] los moest laten. Toen zij op ongeveer twee meter afstond stond, heeft zij (in de richting van klager en [naam Turkse man] ) haar pepperspray gebruikt. Hierbij staat op grond van de verklaring van de [naam Turkse man] in ieder geval vast dat [naam Turkse man] pepperspray in zijn gezicht heeft gekregen. Op grond van het dossier kan echter niet worden vastgesteld - en blijft naar het oordeel van het hof derhalve onduidelijk - of klager óók pepperspray in zijn gezicht heeft gekregen. Beklaagde heeft hierover verklaard dat klager niet reageerde op de door haar gebruikte pepperspray.

Het hof constateert dat niet is onderzocht of het busje met pepperspray van beklaagde leeg was nadat zij (in de richting van klager en [naam Turkse man] ) gespoten.

Intussen heeft beklaagde ook de noodknop van haar portofoon ingedrukt, waardoor de meldkamer kon meeluisteren. Na het gebruik van de pepperspray, zijn klager en [naam Turkse man] op enig moment uit elkaar gegaan. Beklaagde heeft klager toen gesommeerd om op de grond te gaan liggen en zijn handen te laten zien. Klager heeft hier gehoor aan gegeven en is op zijn buik (met zijn handen achter op zijn hoofd) op de stoep gaan liggen.

Beklaagde heeft hierover verklaard dat zij hem constant in haar zicht had en dat zijn handen zichtbaar waren. Beklaagde heeft dan nog steeds haar dienstwapen in haar holster. Zij heeft desgevraagd verteld dat zij klager gecontroleerd op de grond wilde laten liggen totdat haar collega's kwamen. Uit het dossier en de camerabeelden volgt dat beklaagde op dat moment haar hand ter hoogte van haar heup op haar wapen hield. Beklaagde heeft verklaard dat klager op een gegeven moment naar haar keek en dat het leek alsof hij zijn totale focus op haar had (zoals hij dat volgens beklaagde eerder op [naam Turkse man] had).

Uit het dossier en de camerabeelden volgt dat klager vervolgens snel opstond en op beklaagde afrende. Volgens beklaagde was het alsof hij daarbij dwars door haar heen keek. Daar werd zij naar eigen zeggen angstig van. Op dat moment hoorde beklaagde een vrouwenstem die schreeuwde: "pas op een mes" of "pas op dat mes" of "hij heeft een mes". Beklaagde heeft hierover verklaard dat zij geen mes heeft gezien, maar dat zij ook niet heeft gezien dat klager niets in zijn handen had. Hierbij wordt opgemerkt dat het hof op de camerabeelden niet heeft waargenomen dat klager een mes in zijn bezit had dan wel dat er (door een vrouwenstem) werd geschreeuwd over de aanwezigheid van een mes. Geen van de in het kader van het onderzoek van de rijksrecherche gehoorde getuigen ondersteunt de verklaring van beklaagde dat er een waarschuwing is geroepen voor de aanwezigheid van een mes bij klager.

Door getuigen wordt verklaard dat klager op het moment dat hij op beklaagde afrende, schreeuwde: "ik ga je pakken" of "ik ben niet bang voor je".

Hierop heeft beklaagde direct haar dienstwapen getrokken en van zeer korte afstand gericht geschoten op klager. Klager werd hierdoor twee keer kort achter elkaar geraakt: eenmaal in zijn linkerschouder en eenmaal in zijn gezicht onder zijn rechteroog.

De optiek van beklaagde

Beklaagde heeft verklaard dat zij door de blik en de houding van klager het gevoel had dat hij haar wilde pakken. Toen klager razend op haar afkwam, heeft beklaagde geschoten, omdat zij dacht: "het was echt hij of ik". Zij was bang en angstig dat hij haar iets aan wilde doen. Beklaagde heeft verklaard dat zij zich zo bedreigd en aangevallen voelde dat zij geen andere mogelijkheid zag dan om zo te handelen.

Namens beklaagde is ter zitting in raadkamer aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door klager, waarbij duidelijk was dat beklaagde op dat moment geen andere mogelijkheid had en had hoeven te zien dan ter afwending van dit onmiddellijk dreigend gevaar te schieten. Om die reden is namens beklaagde aangevoerd dat zij terecht een beroep kan doen op noodweer.

Standpunt klager

Klager is op 21 oktober 2014 door de politie gehoord. Hij heeft verklaard dat hij niets meer weet van de confrontatie met beklaagde. Ook over het feit dat hij is gepepperd, kan hij niets verklaren. Ten gevolge van het neerschieten door beklaagde, heeft hij blijvend letsel.

Namens klager is in het klaagschrift en ter zitting in raadkamer aangevoerd dat de handelwijze van beklaagde niet voldeed aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Omdat duidelijk was dat klager niet gewapend was en er hulp van collega’s van beklaagde aanstaande was, is het gebruik van het pistool, door te richten en tweemaal te schieten (in het hoofd en de schouder), volstrekt disproportioneel te noemen. Bovendien waren er op dat moment zeker voldoende minder ingrijpende alternatieven voorhanden, zoals het gebruik van een wapenstok, zodat het handelen van beklaagde ook niet voldoet aan het beginsel van subsidiariteit. Bij dit alles dient te worden uitgegaan van de Garantenstellung, waarbij een grotere verantwoordelijkheid rust op personen met bijzondere kwaliteiten. Politieagenten worden opgeleid en getraind om in dit soort zaken effectief te kunnen ingrijpen.

Namens klager is aangevoerd dat door de rechter, en niet door het Openbaar Miniserie, zal moeten worden getoetst of er sprake is geweest van noodweer.

Oordeel van het hof

Gelet op het voorgaande en op het door beklaagde gevoerde verweer staat centraal de vraag of aan beklaagde, toen zij de schoten op klager loste, een geslaagd beroep op noodweer(exces) dan wel putatief noodweer toekomt.

De beantwoording van deze vraag hangt af van de waardering van alle feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het dossier, waaronder in het bijzonder de feitelijke situatie ter plaatse, waarbij betekenis toekomt aan het moment waarop en de omstandigheden waaronder beklaagde heeft geschoten. Naar het oordeel van het hof kan een eenduidig antwoord op deze vraag niet op voorhand in het kader van deze beklagprocedure worden gegeven, maar dient deze - mede gelet op de ernst van het verwijt - ter beantwoording en behandeling ter openbare terechtzitting te worden voorgelegd aan de strafrechter.

Een vervolging van beklaagde ter zake van dit feit is dan ook geïndiceerd, eventueel in de vorm van een nader onderzoek als bedoeld in artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering.

Uit het voorgaande volgt dat het beklag gegrond is. Er wordt beslist als volgt.

Beslissing

Het hof:

Beveelt dat door de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland een strafvervolging tegen [beklaagde] zal worden ingesteld ter zake van het misdrijf omschreven in artikel 287 jo. 45 dan wel 302 of 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelast dat eventueel door de officier van justitie een vordering als bedoeld in artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering zal worden gedaan teneinde een nader onderzoek te doen verrichten.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Mintjes, voorzitter, mr. F.A.M. Bakker en

mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, raadsheren, in tegenwoordigheid van

mr. E.C.M. Steeghs, griffier,

op 1 maart 2016 en ondertekend door de voorzitter en de griffier.