Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1693

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
11-03-2016
Zaaknummer
15/00306
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:1086, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Onderhoudsverplichtingen. Echtscheiding. Verrekening van levensverzekeringen. Negatief ROW? Waardeloze regresvordering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/589
V-N 2016/32.20.13
FutD 2016-0642
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/00306

uitspraakdatum: 1 maart 2016

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 24 februari 2015, nummer AWB 14/758, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Hoofddorp (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van € 25.517 en bij beschikking heffingsrente tot een bedrag van € 165 vergoed.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de beschikking. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.503 en de beschikking te vergoeden heffingsrente verhoogd tot een bedrag van € 253.

1.3.

Belanghebbende is tegen voormelde uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 24 februari 2015 gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.756 en de beschikking te vergoeding heffingsrente dienovereenkomstig aangepast.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2015 te Arnhem. Namens belanghebbende is daar verschenen [A] als gemachtigde. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [B] en mr. [C] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is gehuwd geweest met [D] (hierna: ex-echtgenoot) in algehele gemeenschap van goederen. Bij beschikking van 26 mei 2010 heeft de rechtbank Utrecht de echtscheiding uitgesproken.

2.2.

Bij beschikking van 12 januari 2011 heeft de rechtbank Utrecht de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat de schulden van de ex-echtgenoot voortvloeiend uit het bedrijf dat hij heeft gedreven, alsmede de schulden aan zijn vader voor een bedrag van € 69.175 in de verdeling moeten worden betrokken. Voorts heeft de rechtbank Utrecht, voor zover hier van belang, het volgende beslist:

“3.5. De man had tijdens het huwelijk een bedrijf (een kinderdagverblijf). Dit viel in de huwelijksgoederengemeenschap. Het bedrijf is in 2008 (voor de peildatum) verkocht, en hoeft dus niet meer in de verdeling betrokken te worden. De resterende schulden (en voor zover die er zijn: bezittingen) die samenhangen met het bedrijf behoren wel nog tot de ontbonden gemeenschap. De vrouw heeft aangevoerd dat die schulden verknocht zijn aan de man en daarom niet verdeeld moeten worden. Een huwelijksgoederengemeenschap houdt echter in dat alle bezittingen en alle schulden gemeenschappelijk zijn. Voor een uitzondering daarop is alleen plaats bij heel bijzondere omstandigheden. Daarvoor is niet voldoende dat de man het kinderdagverblijf dreef, omdat dit kinderdagverblijf zelf ook in de gemeenschap viel. Ook de omstandigheid dat dc vrouw geen volledig inzicht heeft in de afwikkeling van het bedrijf is onvoldoende zwaarwegend voor de conclusie dat de schulden verknocht zouden zijn.

3.6.

De man heeft op naam van het kinderdagverblijf een schuld aan [de a-bank] met een saldo van € 39.391. Hij stelt dat dit krediet is aangezuiverd uit de verkoopopbrengst van het kinderdagverblijf, maar daarna weer is gebruikt voor nagekomen schulden van het kinderdagverblijf en voor de belastingschulden van partijen. De vrouw betwist dat het krediet in de verdeling moet worden betrokken, omdat zij onvoldoende inzicht heeft in het verloop hiervan. Het staat echter vast dat deze schuld op de peildatum bestond. Ook als de man het krediet gebruikt heeft voor de kosten van zijn levensonderhoud of als hij daarover niet met de vrouw overlegd heeft, is dat geen reden waarom de schuld buiten de verdeling zou moeten blijven. De vrouw zal daarom de helft van deze schuld voor haar rekening moeten nemen.

3.7.

Het kinderdagverblijf had ook een schuld aan [E] , de verhuurder van het pand waarin het gevestigd was. De man heeft een verklaring van [E] overgelegd waaruit blijkt dat de openstaande vordering per l december 2010 nog € 11.000 bedroeg. De vrouw heeft dit verder niet betwist. Zij betwist wel dat deze schuld zou moeten worden verdeeld, omdat deze had kunnen worden afgelost uit de verkoop van het kinderdagverblijf. De man stelt dat deze opbrengst niet voldoende was voor alle schulden, Hoe dat ook zij, dat de schuld op de peildatum bestond staat vast. Deze moet daarom bij de verdeling betrokken worden. Gesteld dat de vrouw gelijk zou hebben met de stelling dat de man geld overgehouden heeft uit de verkoopopbrengst waarmee hij deze schuld had kunnen aflossen, dan moet ook dit geld bij de verdeling betrokken worden.

3.8.

Verder heeft de man een schuld aan de belastingdienst van € 35.748 in verband met de inkomstenbelasting over 2008; deze houdt verband met de verkoop van het bedrijf in dat jaar. De vrouw betwist dat deze schuld in de verdeling betrokken moet worden; zij stelt dat hij verknocht is aan de man wegens de ondoorzichtige afwikkeling van het bedrijf. Dat argument is echter, zoals al eerder besproken, niet voldoende voor een uitzondering op de regel dat alle bezittingen en alle schulden in een huwelijksgoederengemeenschap vallen. Voor een uitzondering wegens verknochtheid zijn echter zeer bijzondere omstandigheden nodig. Die zijn niet aangevoerd. Aangezien het bestaan van de schuld op de peildatum niet betwist wordt, moet hij dus in de verdeling betrokken worden.

(...)

3.13.

Het laatste grote geschilpunt is een reprisevordering van de vrouw in verband met de nalatenschap van haar vader. Zij stelt dat zij uit de nalatenschap van haar vader in 2001 f 100.000 ontvangen heeft en daarna nog andere bedragen, in totaal € 153.576. Bovendien heeft haar moeder haar € 12.270 geschonken. Omdat het testament van haar vader een uitsluitingsclausule bevatte, stelt zij recht te hebben op terugbetaling van die bedragen. De man voert verweer.

3.14.

De man erkent dat het bedrag van f 100.000 afkomstig was uit de nalatenschap en onder de uitsluitingsclausule viel. Voor de overige bedragen is niet komen vast te staan dat zij rechtstreeks uit de nalatenschap afkomstig waren of dat daarvoor afzonderlijk een uitsluitingsclausule gemaakt is. Een uitsluitingsbeding moet namelijk uitdrukkelijk gemaakt zijn, vóór of bij de schenking of erfenis. Het is niet voldoende dat het de bedoeling was (van de schenker/erflater of van de begunstigde) dat de schenking of de erfenis buiten de gemeenschap zou vallen, en evenmin dat de begunstigde het zo begrepen heeft. Bovendien vallen schenkingen niet onder de uitsluitingsclausule in een testament, ook niet wanneer zij (impliciet of expliciet) bedoeld zijn als voorschot op een erfenis.

3.15.

Van belang is verder wat er met het geschonkene gebeurd is. Niet iedere besteding van privévermogen voor gemeenschappelijke doeleinden is reden voor vergoeding. Wanneer echtgenoten ervoor kiezen om een schenking of erfenis op een bepaalde manier op te maken, dan gaat het niet aan om bij de echtscheiding alsnog de rekening te presenteren aan de andere echtgenoot. Hetzelfde geldt bij een keuze om dat privévermogen te beleggen op een manier waar bepaalde risico’s aan verbonden zijn.

3.16.

De vrouw stelt dat zij het bedrag van f 100.000 besteed heeft aan een gedeeltelijke sanering van de financiën van het bedrijf, dat in de gemeenschap viel. De man voert aan dat de vrouw er bewust voor gekozen heeft om dit geld te besteden aan de gemeenschap en dat zij daarmee voldaan heeft aan haar verplichting om bij te dragen aan de kosten van de huishouding. Omdat de vrouw onvoldoende heeft toegelicht wat zij met het geld gedaan heeft, welke afspraken zij daarover had met de man en waarom zij dit zo gedaan hebben, terwijl ook niet gebleken is dat het geld op de een of andere manier nog aanwezig is, ziet de

rechtbank onvoldoende reden voor terugbetaling van dit bedrag.

(...)

4.1.1.

De woning wordt toegescheiden aan de vrouw tegen een waarde van € 245.000,--. De vrouw neemt de hypotheekschuld van € 136.235,-- voor haar rekening. De man heeft recht op de helft van de overwaarde. De levering vindt plaats binnen 30 dagen na heden.

(...)

4.1.3.

De levensverzekeringen bij [F] met nummer [00000] (waarde € 26.240,--) en [00001] (waarde € 5.035,--) worden toegescheiden aan de vrouw; de man heeft recht op de helft van de waarde.

4.1.4.

Ieder van partijen dient de helft te dragen van [de a-bank] , de schuld aan [E] van € 11.000,-- en de belastingschuld van € 35.748,--. De vrouw moet van de schuld aan de vader van de man een gedeelte groot € 34.587,50 voor haar rekening nemen.”

2.3.

Belanghebbende en haar ex-echtgenoot hebben ten aanzien van de uitwerking van de beschikking van rechtbank Utrecht van 12 januari 2011 een vaststellingsovereenkomst, opgemaakt op 30 augustus 2011, gesloten. Aan de vaststellingsovereenkomst is een Excel overzicht gehecht, waarin de beschikking nader cijfermatig is uitgewerkt.

2.4.

Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2011 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.517. Met dagtekening 22 februari 2013 is de aanslag IB/PVV 2011 overeenkomstig de aangifte opgelegd. Belanghebbende heeft op 29 maart 2013 bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de Inspecteur verzocht alsnog rekening te houden met de volgende aftrekposten:

- aftrek voor onderhoudsverplichtingen vanwege de verrekening van de levensverzekeringen bij [F] met nummers [00000] en [00001] (hierna: de levensverzekeringen) ten bedrage van in totaal € 15.637,50 (0,5 x € 31.275);

- aftrek van een regresvordering op de ex-echtgenoot vanwege betaling van diens zakelijke schulden ten bedrage van in totaal € 43.069,50 (0,5 x (€39.391 + € 11.000 + € 35.748)) en

- aftrek van scholingsuitgaven ten bedrage van € 541.

2.5.

Ten aanzien van de levensverzekering bij [F] met nummer [00000] is met ingang van 1 juni 1993 een premie verschuldigd van € 794 per halfjaar. In de periode tot en met 2010 is in totaal een premie van € 28.584 verschuldigd. Op de levensverzekering bij [F] met nummer [00001] is een eenmalige koopsom van f 5.000 (€ 2.269) gestort. De totaal verschuldigde premies ter zake van de levensverzekeringen bedragen over de periode tot en met 2010 derhalve in totaal € 30.853 (€ 28.584 + € 2.269). In de aangiften IB/PVV over de periode 2004 tot en met 2010 is een aftrek voor lijfrentevoorzieningen genoten van in totaal € 2.219.

2.6

De Inspecteur heeft bij brieven van 28 augustus 2013, 4 december 2013 en 9 januari 2014 aan eiseres medegedeeld dat hij voornemens is om de aftrek voor onderhoudsverplichtingen tot een bedrag van € 9.979 toe te staan, de aftrek vanwege de regresvordering af te wijzen en uit te gaan van een bedrag aan scholingsuitgaven van € 535, waarvan € 35 aftrekbaar is. Ten aanzien van de aftrek voor onderhoudsverplichtingen heeft de Inspecteur het volgende in zijn brief van 4 december 2013 geschreven:

“Uit de van u ontvangen verzekeringspolis met polis nummer [00001] blijkt dat de premie 5.000 gulden (€ 2.269) heeft bedragen.

De totale waarde van de polissen volgens de beschikking van de Rechtbank Utrecht van 12 januari 2011 bedraagt € 31.275.

De tot en met 2010 verschuldigde premies € 26.240 [bedoeld is € 28.584; toevoeging Hof] (zie mijn brief van 28 augustus 2013) plus € 2.269, totaal € 30.853.

Genoten aftrek voor lijfrente voorzieningen € 19.687 (zie mijn brief van 28 augustus 2013).

Het aftrekbare bedrag zal ik vaststellen op 50% van (€ 19.687/€ 30.853 x € 31.275) = € 9.979.”

2.7

De Rechtbank heeft het beroep – uitsluitend voor wat betreft de correctie van de aftrek voor onderhoudsverplichtingen – gegrond verklaard en het belastbaar inkomen uit werk en woning verder verminderd met € 747. Daartoe heeft de Rechtbank – voor zover hier van belang – overwogen:

“16. Vaststaat dat in het kader van de echtscheiding ter zake van de levensverzekeringen een verrekening heeft plaatsgevonden voor een bedrag van € 15.637,50. Anders dan eiseres meent, komt naar het oordeel van de rechtbank echter niet het gehele bedrag voor aftrek in aanmerking. Slechts voor zover de betaling ziet op levensverzekeringen waarvan de betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen, bestaat recht op aftrek als onderhoudsverplichting. Verweerder heeft zich nader op het standpunt gesteld dat de verschuldigde premies in de periode juni 1993 tot en met 2003 voor het volledige bedrag van € 16.674 en € 2.269 als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen en in de periode 2004 tot en met 2010 tot een bedrag van € 2.219. Gelet op de door verweerder overgelegde aangiften IB/PVV acht de rechtbank aannemelijk dat slechts een bedrag van € 21.162 (€ 16.674 + € 2.269 + € 2.219) van de totaal verschuldigde premies van € 30.853 in het verleden in de aangiften als aftrek voor lijfrentevoorzieningen in aftrek is gebracht. De aftrekbare onderhoudsverplichtingen bedragen derhalve € 10.726 (€ 21.162 / € 30.853 x € 15.637,50). Nu verweerder in de uitspraak op bezwaar een bedrag van € 9.979 in aftrek heeft toegelaten, is het gelijk derhalve in zoverre aan eiseres. De door eiseres genoemde jurisprudentie leidt niet tot een hogere aftrek, aangezien daarin een oordeel is gegeven in de situatie dat, anders dan in de situatie van eiseres, wel volledig premie-aftrek is genoten. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het belastbaar inkomen uit werk en woning met € 747 verminderen.

(…)

18. Eiseres stelt dat zij een regresvordering heeft verkregen op haar ex-echtgenoot door betaling van de zakelijke schulden, die hun oorzaak vinden in de onderneming van haar ex-echtgenoot. De vordering is gelet op de verhaalsmogelijkheden waardeloos en dient te worden afgewaardeerd tot nihil. Nu de vordering valt onder de reikwijdte van artikel 3.91 van de Wet IB 2001, dient de afwaardering als verlies in aanmerking te worden genomen, aldus eiseres.

19. Dit standpunt kan niet slagen. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Uit de beschikking van rechtbank Utrecht van 12 januari 2011 volgt dat de zakelijke schulden tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorden en in de verdeling moesten worden betrokken. De schulden waren derhalve voor de helft toerekenbaar aan eiseres en zij diende dan ook ter vereffening van de huwelijksgoederengemeenschap de helft van de zakelijke schulden te dragen. Niet is gebleken dat is overeengekomen dat eiseres in dat kader een regresvordering op haar ex-echtgenoot zou verkrijgen. Uit de beschikking alsook uit de tussen eiseres en haar ex-echtgenoot gesloten vaststellingsovereenkomst volgt juist dat eiseres bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is overbedeeld, waardoor juist een overbedelingsschuld van haar aan haar ex-echtgenoot is ontstaan. Nu niet aannemelijk is dat eiseres een regresvordering op haar ex-echtgenoot heeft verkregen, behoeft de vraag of een afwaardering van die vordering als negatief resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking kan worden genomen, geen beantwoording meer.”

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of de aanslag IB/PVV 2011 en de beschikking heffingsrente op de juiste bedragen zijn vastgesteld. Meer in het bijzonder is daarbij in geschil of de aftrek voor onderhoudsverplichtingen in verband met de verrekening van de levensverzekeringen op het juiste bedrag is vastgesteld en of belanghebbende een negatief resultaat uit overige werkzaamheden in mindering kan brengen op haar belastbaar inkomen uit werk en woning in verband met een waardeloze regresvordering op haar ex-echtgenoot vanwege de betaling van zakelijke schulden in zijn plaats.

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, belanghebbende tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur en tot vernietiging van de aanslag. Tevens concludeert belanghebbende tot vaststelling van een verlies uit werk en woning van € 131.514.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De Inspecteur heeft zich naar het oordeel van het Hof terecht op het standpunt gesteld dat de Rechtbank met de in onderdeel 2.7 weergegeven overweging de op basis van artikel 6.1, tweede lid, onderdeel a, juncto artikel 6.3, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 aftrekbare onderhoudsverplichtingen correct en tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Belanghebbendes stelling dat een hoger bedrag als onderhoudsverplichting aftrekbaar moet zijn omdat de aldus verkregen uitkomst onredelijk is, vindt geen steun in het recht.

4.2.

Belanghebbende heeft verder gesteld dat zij een regresvordering heeft verkregen op haar ex-echtgenoot door betaling van de zakelijke schulden. Belanghebbende stelt in dat kader dat zij gelden aan de onderneming van haar ex-echtgenoot ter beschikking heeft gesteld. Van het door belanghebbende gestelde bedrag van f 100.000 staat vast dat het afkomstig was uit de nalatenschap van haar vader en onder een uitsluitingsclausule viel, en dus – in beginsel – niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde, zodat voor dit bedrag mogelijk sprake zou kunnen zijn van een ter beschikkingstelling als bedoeld in artikel 3.91 van de Wet IB 2001. De vordering is gelet op de niet bestaande verhaalsmogelijkheden waardeloos en dient te worden afgewaardeerd tot nihil. Nu de vordering valt onder de reikwijdte van artikel 3.91 van de Wet IB 2001, dient de afwaardering als verlies in aanmerking te worden genomen, aldus nog steeds belanghebbende.

4.3.

In haar beschikking van 12 januari 2011 overweegt rechtbank Utrecht met betrekking tot het hiervoor bedoelde bedrag van f 100.000 dat, nu belanghebbende onvoldoende heeft toegelicht wat zij met het geld gedaan heeft, welke afspraken zij daarover had met de ex-echtgenoot en waarom zij dit zo gedaan hebben, er onvoldoende reden voor terugbetaling van dit bedrag is. Naar het oordeel van het Hof moet het er derhalve voor worden gehouden dat deze gelden (f 100.000) – uiteindelijk – in de huwelijksgoederengemeenschap zijn opgegaan. Ook voor het Hof heeft belanghebbende – tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur – niet aannemelijk gemaakt dat zij het hiervoor bedoelde bedrag van f 100.000 ter beschikking heeft gesteld in de zin van artikel 3.91 Wet IB.

4.4.

De Rechtbank heeft in onderdeel 19. van haar uitspraak overwogen dat de zakelijke ondernemingsschulden van de ex-echtgenoot tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorden en in de verdeling moesten worden betrokken. De schulden waren derhalve voor de helft toerekenbaar aan belanghebbende en zij diende dan ook ter vereffening van de huwelijksgoederengemeenschap de helft van de zakelijke schulden te dragen. Niet is gebleken dat is overeengekomen dat belanghebbende in dat kader een regresvordering op haar ex-echtgenoot zou verkrijgen.

4.5.

De Rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof derhalve op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt dat oordeel over en maakt de door de Rechtbank daartoe gebezigde gronden tot de zijne.

4.6.

Belanghebbende heeft ter zitting een bewijsaanbod gedaan voor de stelling dat het bedrag van f 100.000 dat onder een uitsluitingsclausule was verkregen uit de erfenis van de vader van belanghebbende is aangewend om de onderneming van de ex-echtgenoot te financieren. Voor zover daarmee wordt bedoeld dat nader kan worden toegelicht wat belanghebbende met het geld gedaan heeft, welke afspraken zij daarover had met haar ex-echtgenoot en waarom deze afspraken zo gemaakt waren, dan wel anderszins bewijs kan worden bijgebracht voor de stelling dat de f 100.000 door de rechtbank Utrecht ten onrechte tot de huwelijksgemeenschap is gerekend, is het Hof van oordeel dat de goede procesorde zich ertegen verzet de behandeling van de zaak aan te houden teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen dit bewijs te leveren. Belanghebbende kon sinds de beschikking van de rechtbank Utrecht van 12 januari 2011 weten dat zij onvoldoende bewijs had bijgebracht voor de door haar ingenomen stelling dat de f 100.000 buiten de huwelijksgemeenschap viel, zodat niet valt in te zien waarom dit bewijs niet in een eerder stadium kon worden bijgebracht.

Slotsom

Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank een juiste beslissing genomen. Het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

5 Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. R.A.V. Boxem , voorzitter, M.G.J.M. van Kempen en J.J. Westerbaan, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 1 maart 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

De voorzitter,

(J.H. Riethorst)

(R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 maart 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EHDen Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.