Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1671

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
12-06-2017
Zaaknummer
21-002973-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:791, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002973-14

Uitspraak d.d.: 3 februari 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 29 april 2014 met parketnummer 06-950892-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 januari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. N. Hendriksen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met uitzondering van de strafoplegging en met verbetering en aanvulling van de gronden. In zoverre wordt het vonnis vernietigd.

Verbetering en aanvulling van de gronden

De rechtbank heeft op pagina 7 van het vonnis, onder ‘oordeel van de rechtbank ten aanzien van de feiten 2, 3, 4 en 5’ overwogen:
“Met een van de VISA-kaarten is € 1.250,-- opgenomen17.”

Dit deel van het vonnis (inclusief noot 17) wordt niet bevestigd door het hof. Dit wordt weggelaten.

Verder heeft de rechtbank op pagina 9 van haar vonnis overwogen:

“De rechtbank overweegt dienaangaande dat zij de foto’s van de camerabeelden van het Golden Tulip Hotel heeft gelegd naast de foto’s van de camera’s van aangever. Daarbij heeft de rechtbank waargenomen dat de persoon die op de camerabeelden van aangever zichtbaar is grote gelijkenis vertoont met de persoon op de beelden van het Golden Tulip Hotel en van wie verdachte zegt zich daarin te herkennen. Met name valt op de foto’s de gelijkenis met betrekking tot het schoeisel op. Ook de kleding en het postuur komen overeen. Naar het oordeel van de rechtbank is de persoon die op de bij aangever geregistreerde beelden voorkomt en de persoon die te zien is op de beelden van het Golden Tulip Hotel in Hoenderloo een en dezelfde persoon.”

In plaats van het voorgaande overweegt het hof als volgt:

Ter terechtzitting van het hof heeft het hof het volgende waargenomen:

Op de fotoprints van de camerabeelden van het Golden Tulip Hotel (pagina 97, 98, 207 en 208, foto’s 1, 2 en 4) zijn twee mannelijke personen te zien. De voorste persoon draagt een donkerkleurige jas met een capuchon, een lichtblauwe spijkerbroek en donkere schoenen met een witte rand onderaan. Deze persoon heeft kort donker haar en donkere wenkbrauwen.

Op de camerabeelden gemaakt door de beveiligingscamera’s van aangever [betrokkene] (pagina 201 t/m 205) is een man te zien met donkerkleurige jas met een capuchon, een lichtkleurige broek en donkere schoenen met een witte rand onderaan. Deze persoon heeft kort donker haar en donkere wenkbrauwen.

Bij vergelijking van de persoon op de foto’s van het Golden Tulip Hotel en de persoon op de foto’s van aangever [betrokkene], neemt het hof waar dat de kleding, de haardracht, het postuur van het lichaam en de vorm van het gezicht grote gelijkenis vertoont. Er zijn geen onverklaarbare verschillen waarneembaar.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal inbraken. Bij één van deze inbraken heeft hij ook een bankpas weggenomen. Met die pas heeft hij geld gepind en een hotelovernachting betaald. Daarnaast heeft hij met behulp van die pas een bedrag van in totaal € 225.000,-- overgeboekt van de rekening van het slachtoffer naar zijn eigen rekening en vervolgens nog eens geprobeerd een bedrag van € 400.000,-- over te boeken.

Dergelijke delicten veroorzaken veel schade, hinder en gevoelens van onveiligheid voor/bij de slachtoffers. Verdachte heeft alleen oog gehad voor eigen geldelijk gewin en heeft blijk gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander.

Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 december 2015 blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld. Dit betreffen veroordelingen uit 2005 en 2006.

Door de psycholoog H.R.J. ter Borg is omtrent de persoon van de verdachte op 24 oktober 2013 een rapport opgemaakt. Daarin staat beschreven dat verdachte functioneert op een zwakbegaafd niveau en dat er bij hem sprake is van een angststoornis en ADHD. Bij hem is sprake van forse gedragsproblemen en achterblijvende gewetensontwikkeling, die al bestaan sinds zijn vroege jeugd en waaraan ADHD ten grondslag ligt. Hiermee samenhangend vertoont hij een zwakke impuls- en agressieregulatie en aanzienlijke beperkingen in emotioneel en sociaal functioneren. Hij overweegt niet en houdt geen rekening met anderen.

De psycholoog adviseert de rechter om verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde feiten licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Hij acht de recidivekans hoog als verdachte geen behandeling krijgt.

Het hof neemt de conclusie van de psycholoog, dat verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten licht verminderd toerekeningsvatbaar is, over en maakt deze tot de zijne.

In de door de reclassering opgemaakte rapporten over de persoon van de verdachte wordt onder meer beschreven dat verdachte verslaafd is aan GHB en cocaïne. Er is geprobeerd hem ambulant hulp te bieden, maar dat is tot nu toe nog niet gelukt. In het rapport van 17 maart 2014 adviseert de reclassering om verdachte in het kader van een voorwaardelijke straf onder reclasseringstoezicht te stellen, hem te verplichten deel te nemen aan het re-integratietraject InWerking en aan een (medicamenteuze) behandeling bij een GGZ-instelling voor zijn angststoornis en ADHD.

Door de raadsman is ter terechtzitting van het hof naar voren gebracht dat de hulpverlening niet van de grond is gekomen omdat het vonnis waarin de hulpverlening aan verdachte was opgelegd nog niet onherroepelijk was en daarmee voor de hulpverlenende instanties een titel voor de hulpverlening ontbrak.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk een passende en noodzakelijke bestraffing is. De door de rechtbank opgelegde straf is naar het oordeel van het hof, gelet op de geringe en de relatief oude recidive van verdachte, een te zware straf.

Om recidive te voorkomen en verdachte te helpen zijn leven op orde te krijgen wordt aan het voorwaardelijk deel van de straf bijzondere voorwaarden verbonden. Deze bijzondere voorwaarden houden in dat verdachte contact houdt met de reclassering en een behandeling krijgt voor zijn angststoornis en ADHD.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich binnen 5 dagen na onherroepelijk worden van dit arrest zal melden bij GGZ Palier. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen voor zijn angstproblemen en ADHD bij een GGZ-instelling of instelling voor soortgelijke ambulante zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. A.J. Smit, voorzitter,

mr. B.J.J. Melssen en mr. G. Dam, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,

en op 3 februari 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. G. Dam is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 3 februari 2016.

Tegenwoordig:

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. I.E.W. Gonzales, advocaat-generaal,

mr. M. Nijhuis, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.