Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1660

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
200.180.419
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing. Verzoek benoeming deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, familie

zaaknummers gerechtshof 200.180.419 en 200.180.422

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 283780)

beschikking van 3 maart 2016

in de zaak met zaaknummer 200.180.419

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader van [kind 2] ,
advocaat: mr. C.C. Sneper te Rotterdam,

en


de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Gelderland,

gevestigd te Arnhem,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI,

in de zaak met zaaknummer 200.180.422

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Erkens te Rotterdam,


en

de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,

gevestigd te Arnhem,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.


Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende] (in de zaak met zaaknummer 200.180.422),

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: de vader van [kind 1] ,

en

[belanghebbenden] (in beide zaken),

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, verder te noemen: de kinderrechter, van 3 juli 2015 en 13 augustus 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 De gedingen in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in de zaak met zaaknummer 200.180.419 blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 12 november 2015;

  • -

    het verweerschrift in hoger beroep met productie, ingekomen op 9 december 2015;

2.2

Het verloop van de procedure in de zaak met zaaknummer 200.180.422 blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 11 november 2015;

  • -

    het verweerschrift in hoger beroep met producties, ingekomen op 9 december 2015;

  • -

    het journaalbericht van 11 december 2015 van mr. Erkens met bijlagen, ingekomen op 16 december 2015;

  • -

    het journaalbericht van 15 december 2015 van mr. Erkens met bijlagen, ingekomen op
    18 januari 2015.

2.3

De mondelinge behandeling in beide zaken heeft op 19 januari 2016 gevoegd plaatsgevonden. De vader van [kind 2] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn verschenen [A], jeugdbeschermer, en [B], gedragsdeskundige. Voorts zijn de pleegouders met pleegzorgbegeleidster [C] verschenen. Het hof heeft de pleegouders, ondanks bezwaar, aangemerkt als belanghebbenden en het hof heeft aan [C] bijzondere toegang tot het bijwonen van de mondelinge behandeling verleend. De vader van [kind 1] en de Raad voor de Kinderbescherming zijn niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de relatie van de moeder met de vader van [kind 1] is op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] [kind 1] geboren. De moeder en de vader van [kind 1] zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind 1] .

3.2

Uit de relatie van de moeder met de vader van [kind 2] is op [geboortedatum] 2013 [kind 2] geboren. De moeder en de vader van [kind 2] zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind 2] . De moeder en de vader van [kind 2] hebben sinds oktober 2012 een relatie en zijn in mei 2014 gaan samenwonen. De moeder heeft de relatie met de vader van [kind 2] begin april 2015 beëindigd.

3.3

Beide kinderen staan vanaf hun geboorte onder toezicht van de rechtsvoorgangster van de GI (verder eveneens te noemen: de GI).

3.4

De moeder heeft in de periode van januari 2012 tot en met maart 2013 met [kind 1] intensieve zorg ontvangen vanuit de JP van den Bent stichting. Van april 2013 tot 5 april 2014, heeft de moeder met [kind 1] en, na de geboorte van [kind 2] , met beide kinderen in een beschermde woonvorm van Riwis te [plaats] gewoond.

3.5

Bij beschikkingen van 7 april 2014 heeft de kinderrechter de GI voor de duur van vier weken spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor verblijf pleegouder. Bij beschikkingen van 23 april 2014 heeft de kinderrechter de beschikking van 7 april 2014 bekrachtigd en de GI gemachtigd de kinderen uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 25 juni 2014.

3.6

Op 9 april 2014 zijn de moeder, de vader van [kind 2] , [kind 1] en [kind 2] in België aangetroffen. De GI heeft de kinderen in België op het politiebureau opgehaald. De moeder en de vader van [kind 2] hebben ermee ingestemd vrijwillig terug te keren naar Nederland. De kinderen zijn vanaf die datum geplaatst in een crisispleeggezin, te weten bij de grootmoeder van vaderszijde van [kind 1] .

3.7

Op 28 mei 2014 zijn de moeder, de vader van [kind 2] , [kind 1] en [kind 2] aangemeld voor een gezinsopname bij GGZ Drenthe, locatie Beilen. Op 20 oktober 2014 is daadwerkelijk gestart met de gezinsopname.

3.8

Bij beschikking van 3 juli 2015 heeft de kinderrechter de termijn van de ondertoezichtstelling van de kinderen en de machtiging tot hun uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg, laatstelijk verlengd tot 18 augustus 2015, en de behandeling voor het overige aangehouden.

3.9

Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking van 13 augustus 2015 heeft de kinderrechter de onder 3.8 vermelde ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot uiterlijk 18 juli 2016.

3.10

De kinderen zijn op 25 juni 2014 vanuit het crisispleeggezin bij de grootmoeder van vaderszijde van [kind 1] naar een ander pleeggezin overgeplaatst. Eind februari 2015 zijn de kinderen geplaatst in het perspectief biedend pleeggezin van de pleegouders.

4 De omvang van het geschil


in de zaak met zaaknummer 200.180.419

4.1

De vader van [kind 2] is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 13 augustus 2015. Deze grieven zien uitsluitend op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] in een voorziening voor pleegzorg en beogen in zoverre het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader van [kind 2] verzoekt het hof primair de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] te verlengen met een jaar, af te wijzen, en in plaats daarvan de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] te verlengen voor de duur van acht maanden, zodat in die periode het traject Beilen een vervolgtraject krijgt, waarbij de focus wordt gelegd op de vader, om op die manier te onderzoeken of [kind 2] en, indien mogelijk, ook [kind 1] bij hem geplaatst kunnen worden, dan wel te beslissen zoals het hof juist acht.

4.2

De GI voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans het verzoek in hoger beroep af te wijzen.

in de zaak met zaaknummer 200.180.422

4.3

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 13 augustus 2015. De grieven zien uitsluitend op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen en beogen in zoverre het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, primair de verzoeken machtiging uithuisplaatsing af te wijzen en subsidiair de verzoeken toe te kennen voor een beperkte periode met daarin de opdracht tot nader onderzoek naar de mogelijkheden voor de moeder om haar kinderen op te voeden zoals geschetst, of anders te beslissen in het belang van de kinderen.

4.4

De GI voert verweer en verzoekt het hof en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans het verzoek in hoger beroep af te wijzen.

4.5

Het hof zal de grieven gezamenlijk bespreken.

5 De motivering van de beslissing in beide zaken

in beide zaken

5.1

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de GI, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.2

De vader van [kind 2] kan zich met de verlenging van de machtiging tot haar uithuisplaatsing niet verenigen. Hij voert aan dat zijn rol en capaciteiten als opvoeder van de kinderen onderbelicht zijn geweest bij de beoordeling van het ouderschap in het Centrum voor Behandeling en Beoordeling Ouderschap in Beilen, verder: CBBO. De nadruk in het onderzoek heeft vooral op de mogelijkheden van de moeder gelegen. Ook in eerdere onderzoekstrajecten is de vader van [kind 2] niet betrokken geweest. Voor de moeder was CBBO de laatste kans, maar voor de vader van [kind 2] was het eigenlijk pas de eerste kans. Zijn relatie met [kind 2] is weinig aan bod geweest in het eerdere traject. De conclusie van het eindrapport dat de ouders geen "goed genoeg ouderschap" hadden laten zien, is niet onderbouwd en kwam voor de vader van [kind 2] geheel uit de lucht vallen, aangezien de weekverslagen van het verblijf bij het CBBO steeds overwegend positief waren. Er worden in het eindverslag van CBBO geen concrete voorbeelden genoemd waarom het doel emotionele beschikbaarheid voor de kinderen niet zou zijn behaald. De vader van [kind 2] stelt dat hij wel degelijk verder kan groeien in zijn emotionele beschikbaarheid voor de kinderen. Hij stelt verder dat hij de kans moet krijgen om in een een-op-een-contact met [kind 2] te laten zien dat hij dat doel ook daadwerkelijk kan behalen. Hij verzoekt dan ook onderzoek te doen naar mogelijkheden van het starten van een nieuw traject bij het CBBO voor hem en [kind 2] (en eventueel ook [kind 1] ). Nu het enige doel dat niet gehaald zou zijn de emotionele beschikbaarheid voor de kinderen is, betwist de vader van [kind 2] dat hij [kind 2] niet de nodig rust, regelmaat en structuur zou kunnen bieden.

5.3

De moeder kan zich met de verlenging van uithuisplaatsing van de kinderen evenmin verenigen. Zij voert aan dat het eindrapport van CBBO inhoudelijk onjuist en onlogisch is en dat daarmee de conclusies van dit rapport onvoldoende concreet worden onderbouwd om te kunnen leiden tot de wettelijk vereiste noodzaak voor een uithuisplaatsing van de kinderen. Aan het eind van de gezinsopname waren er nauwelijks zorgen over het functioneren van haar als verzorgende ouder. Uitsluitend was nog sprake van een emotionele tekortkoming bij de moeder. De conclusies van het rapport zijn niet in lijn met tussenrapportages. De moeder ontwikkelde zich en zij aanvaardde hulp. Het enige probleem dat is geconstateerd had betrekking op de emotionele beschikbaarheid van de moeder voor de kinderen. Dit probleem is evenwel niet zo ernstig dat thuisplaatsing van de kinderen met hulp geen alternatief is. Uit de rapportage blijkt weinig tot niets over leer-en werkpunten. Het kan en mag niet zo zijn dat tijdens de gezinsopname geen concrete (opbouwende) feedback is gegeven en deze niet is gedocumenteerd, terwijl er vervolgens een negatief advies volgt. De rapportage biedt onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat de moeder niet in staat zou zijn tot “goed genoeg” opvoeden. Er zijn volgens de moeder ook geen concrete observaties gedaan waaruit moet volgen dat de drastische maatregel van uithuisplaatsing van de kinderen nodig is. Als de redenering van het CBBO is dat de kinderen elders betere stimulans kunnen krijgen, dan is dat geen reden voor een uithuisplaatsing (NJ 2009, 471). Bovendien is de conclusie van het CBBO gebaseerd op een periode dat er veel spanningen waren tussen de moeder en de vader van [kind 2] . Deze relatie is kort na de opname beëindigd. Dit moet worden meegewogen in de te geven beslissing. Volgens de moeder dient dan ook een nader onderzoek te worden uitgevoerd, eventueel in haar thuissituatie via intensieve video home training of -toezicht en monitoring van het welzijn van de kinderen, zodat kan worden geconstateerd dat zij voldoende emotioneel beschikbaar is voor de kinderen.

5.4

De GI betwist de standpunten van de vader van [kind 2] en de moeder gemotiveerd.

5.5

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat, anders dan de vader van [kind 2] en de moeder aanvoeren, de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn. Bij beschikking van 3 juli 2015 heeft de kinderrechter geoordeeld dat de vader van [kind 2] en de moeder niet in staat waren de kinderen een opvoedingsklimaat te bieden waarin de continuïteit van en veiligheid in hun dagelijkse verzorging en opvoeding zijn gewaarborgd. Voor zover de vader van [kind 2] en de moeder stellen dat thans sprake is van gewijzigde omstandigheden, acht het hof hun stelling onvoldoende gemotiveerd.

Voorts is het het hof gebleken dat in het verleden ten aanzien van de moeder, de vader van [kind 2] en de kinderen al veel hulpverlening is ingezet, steeds zonder het daarmee beoogde resultaat. Beide kinderen staan al vanaf hun geboorte onder toezicht. In de periode van januari 2012 tot en met maart 2013 heeft de moeder intensieve hulpverlening ontvangen vanuit de JP van den Bent stichting. In die periode was [kind 2] nog niet geboren en was die hulpverlening uitsluitend gericht op de moeder en op [kind 1] . Deze hulpverlening is beëindigd, omdat was gebleken dat de moeder onvoldoende vooruitgang had geboekt. De hulpverlening aan de moeder in een beschermde woonvorm van Riwis, waar zij vanaf maart 2013 tot 5 april 2014 heeft gewoond, is eveneens beëindigd, nadat Riwis had geconcludeerd dat de zorgen over de kinderen dermate groot waren en de vermijdende houding van de moeder zodanig was dat onvoldoende kon worden geprofiteerd van de aangeboden hulpverlening. Volgens Riwis was met name de verzorging, de pedagogische vaardigheden en het inzicht van moeder onvoldoende en was de leerbaarheid van moeder nihil. Moeder (en ook de vader van [kind 2] ) zijn onvoldoende in staat gebleken de leerdoelen op te pakken, aldus de evaluatie van Riwis betreffende de periode 3 december 2013 tot 13 maart 2014.
Verder acht het hof voor zijn oordeel nog het volgende van belang. Nadat de moeder en de vader van [kind 2] gesprekken met Riwis en de GI hadden gehad, zijn zij, zonder de GI hiervan op de hoogte te stellen, begin april 2014 plotseling met beide kinderen met onbekende bestemming vertrokken. Pas nadat zij met behulp van recherche begin april in België waren aangetroffen, waren zij eerst na aandringen van de GI bereid naar Nederland terug te keren, waarna de kinderen op 9 april 2014 zijn geplaatst in een crisispleeggezin, te weten de grootmoeder van vaderszijde van [kind 1] . Vervolgens heeft de GI besloten om de ouders nog een (laatste) kans te geven om de kinderen bij zich te houden door middel van een gezinsopname bij het CBBO. Het hof is met de moeder en de vader van [kind 2] eens dat in de weekverslagen van het CBBO weliswaar melding wordt gemaakt van positieve ontwikkelingen/vooruitgang bij hen beiden, maar de conclusie van het CBBO is evenwel ook dat die vooruitgang erg beperkt is en dat deze heel veel tijd heeft gekost. De belaste voorgeschiedenis van de vader van [kind 2] en van de moeder en hun beperkingen -de moeder heeft een angststoornis en bij de vader van [kind 2] zijn kenmerken van PDD NOS gesignaleerd- maken dat ze moeilijk leerbaar zijn gebleken. De moeder en de vader van [kind 2] hebben weliswaar stappen gezet, maar deze zijn niet groot genoeg en de verwachting van CBBO is dat zij niet in staat zullen zijn toe te groeien naar goed genoeg ouderschap, ook niet als de behandeling zou worden verlengd. Daarnaast volgt uit de rapportage van het CBBO dat beide kinderen gedurende de opname flink tekort zijn gekomen, vooral in emotioneel opzicht en dat de moeder en de vader van [kind 2] hen in dit opzicht niet hebben kunnen bieden wat zij nodig hadden. Deze conclusie heeft CBBO getrokken naar aanleiding van observaties door professionals tijdens de gezinsopname. Het hof sluit aan bij deze conclusies en neemt deze over. Dat de weekrapportages een ander -wellicht meer positief- beeld (zouden) geven, betekent naar het oordeel van het hof nog niet dat het CBBO niet tot voormelde conclusie had kunnen komen. Immers, de inhoud van de weekrapportages was met name gebaseerd op de invulling van praktische taken door de moeder en de vader van [kind 2] , terwijl de eindconclusie in het bijzonder ziet op het ontbreken van emotionele beschikbaarheid van hen voor de kinderen, zoals dat was gebleken uit de observaties door professionals tijdens de gezinsopname. Het hof is voorts van oordeel dat -anders dan de vader stelt- uit de inhoud van de weekrapportages genoegzaam blijkt dat ook de vader van [kind 2] voldoende is betrokken bij die observaties. Met name blijkt uit de rapportages van Riwis en het CBBO dat niet alleen de moeder maar ook de vader van [kind 2] beperkt leerbaar is en dat zij beiden de kinderen op emotioneel gebied te weinig kunnen bieden en daarbij niet voldoende kunnen aansluiten bij de kinderen. Dit is schadelijk voor de ontwikkeling en het evenwichtig opgroeien van de kinderen.

5.6

Bij dit alles komt nog het volgende. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de moeder nog steeds bij haar moeder inwoont en dus niet over zelfstandige woonruimte beschikt, dat ook haar financiële situatie nog steeds niet op orde is, dat zij nog geen werk heeft gevonden, en dat het wat haar angststoornis betreft wel de goede kant op gaat, maar dat zij nog wel antidepressiva dient te gebruiken.

De vader van [kind 2] staat weliswaar ingeschreven voor een woning in [plaats] , maar woont op dit moment nog in bij zijn moeder in [woonplaats] . Voorts heeft hij een vaste Wajong-uitkering en daarnaast betaald werk als verkeersregelaar, waarbij hij door heel Nederland werkzaam is. Begin maart 2016 kan hij eventueel worden toegelaten voor een opleiding tot vrachtwagenchauffeur.

5.7

Het hof betrekt bij zijn oordeel voorts nog het verslag van Icare Jeugdgezondheidszorg van september 2015. Uit dit verslag blijkt dat bij de kinderen sprake was van opvallend gedrag. [kind 1] vroeg veel negatieve aandacht, sloeg zichzelf bij frustratie, lacht en huilt ongepast hard, daagt uit en komt regels en afspraken niet na, vraagt in het begin van zijn plaatsing in het pleeggezin voortdurend of de pleegvader/de pleegmoeder weer terug komt en liep voortdurend achter de pleegmoeder aan. [kind 2] was in het begin vooral erg rustig en gelaten, zocht geen toenadering naar de pleegouders en reageerde niet op contactinitiatieven. Op pijnprikkels reageerde zij ook nauwelijks en zij kon niet/nauwelijks stoppen met eten. Om deze gedragsproblemen weg te nemen hebben de kinderen extra ondersteuning nodig met name op emotioneel gebied. De inschatting is dat de moeder en de vader van [kind 2] dit niet voldoende kunnen bieden.

5.8

Gelet op al het voorgaande is het hof in de eerste plaats van oordeel dat voldoende is gebleken dat het lange traject van hulpverlening (ten aanzien van de moeder vanaf eind 2011 en ten aanzien van de vader vanaf de geboorte van [kind 2] ) niet tot voldoende positieve ontwikkelingen bij de moeder en de vader van [kind 2] in hun rol van opvoeders van de kinderen heeft geleid. Gebleken is dat zij met name op het emotionele vlak niet in staat zijn de kinderen datgene te bieden dat voor hen noodzakelijk is en voorts is niet, althans onvoldoende, gebleken van de nodige leerbaarheid. Voorts is gebleken dat wel sprake is van aanzienlijke kindproblemen, die bijzondere opvoedvaardigheden noodzakelijk maken.

Gelet op de laatste ontwikkelingen, zoals hiervoor vermeld onder 5.6, is het hof van oordeel dat de moeder of de vader van [kind 2] de kinderen bovendien niet een voldoende stabiele woonsituatie kunnen bieden, waarin sprake is van de voor de kinderen zo noodzakelijke rust en regelmaat.

Het hof is dan ook van oordeel dat bij het uitblijven van de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing de continuïteit van en veiligheid in de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen niet zijn gewaarborgd. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is dan ook nog steeds noodzakelijk.

5.9

Met betrekking tot het verzoek van de moeder om op de voet van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een deskundige te benoemen, oordeelt het hof als volgt.
Bij de beoordeling van dit verzoek stelt het hof het volgende voorop. Artikel 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de ontheffing en ontzetting van het ouderlijk gezag, of de ontzetting van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van een zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (Kamerstukken II 1993/94, 22 487, nrs. 15 en 18; Handelingen II 1993/94, p. 4135-4161). Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen, indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.

5.10

Het hof zal voormeld verzoek van de moeder afwijzen en overweegt hiertoe als volgt. Gegeven de zeer aanzienlijke problematiek waarvan inmiddels bij beide kinderen is gebleken -zie hiervoor onder 5.7- moet worden geoordeeld dat het door de moeder gewenste onderzoek op dit moment voor hen te belastend zou zijn, zodat toewijzing van dit verzoek strijd zou opleveren met het belang van de kinderen, die op dit moment vooral rust en structuur nodig hebben. Reeds daarom is het verzoek van de moeder niet toewijsbaar. Het hof voegt hieraan nog toe dat is gebleken dat reeds uitvoerig onderzoek is verricht, in het bijzonder naar de ontwikkeling van de pedagogische vaardigheden van de moeder en van de vader van [kind 2] in een praktische opvoedingssituatie met de kinderen met behulp van goed gedocumenteerde methodisch begeleiding, en wel over een periode van bij elkaar ongeveer twaalf maanden (Riwis en CBBO). Hierin zijn te weinig aanknopingspunten terug te vinden voor een noodzakelijke minimale ontwikkeling van de ouders, nog daargelaten dat zij thans met tal van praktische problemen kampen om de voor de kinderen nodige stabiliteit in de opvoeding te kunnen verzorgen.

6
6. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen falen de grieven en dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 13 augustus 2015, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof;

wijst het meer of anders verzochte af;

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.P.M. van den Dungen, C.J. Laurentius-Kooter en J.W.P. Verheugt, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, en is op 3 maart 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.