Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1633

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
WAHV 200.152.836
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gronden van het beroep. 13 WAHV en formulering van de beslissing van de kantonrechter. Dwangsom. De vraag of een beroepschrift de gronden van het beroep bevat, is niet een aspect van openbare orde waaromtrent moet worden beslist onafhankelijk van hetgeen is aangevoerd. Het gaat immers om de vraag of het beroepsorgaan in staat is om het beroep te behandelen en niet om de vraag of het beroepsorgaan het beroep mag behandelen. Het beroepschrift tegen de inleidende beschikking bevatte wel gronden van het beroep en de officier van justitie heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter had alvorens over te gaan tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie, het beroep tegen die beslissing gegrond moeten verklaren. Ook had de kantonrechter een proceskostenvergoeding moeten toekennen. Het verzoek aan de officier van justitie om te bepalen dat de gestelde zekerheid wordt teruggegeven, is geen verzoek om een besluit te nemen als bedoeld in 1:3 juncto 4:17 Awb , maar een verzoek tot het verrichten van een feitelijke handeling. Niet tijdig reageren op dat verzoek kan derhalve niet leiden tot verbeurte van een dwangsom. Tegen het niet tijdig verrichten van een handeling van feitelijke aard staat geen (bestuursrechtelijk) rechtsmiddel open. De kantonrechter had het beroep in zoverre niet-ontvankelijk moeten verklaren in plaats van ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.152.836

2 maart 2016

CJIB 169798204

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 27 mei 2014

betreffende

[naam] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [plaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [naam] , wonende te [plaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de door de officier van justitie genomen beslissing vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de gemachtigde tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Op 22 januari 2016 is nog een fax van de gemachtigde ontvangen. Nu deze na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingekomen, kan op de inhoud hiervan geen acht worden geslagen.

Beoordeling

1. De gemachtigde heeft aangevoerd dat de kantonrechter het beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard. In dit verband wijst de gemachtigde erop dat het administratief beroep wel ontvankelijk was.

2. Het hof stelt vast dat de officier van justitie het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de betrokkene niet (tijdig) de gronden van het beroep heeft ingediend. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd omdat in het administratief beroepschrift van 26 maart 2013 wel een beroepsgrond was aangevoerd.

3. De advocaat-generaal heeft in het verweerschrift betoogd dat de beslissing van de officier van justitie wel juist is. De advocaat-generaal acht hetgeen in het beroepschrift is aangevoerd geen beroepsgrond. In reactie op het verweerschrift heeft de gemachtigde aangevoerd dat niet de officier van justitie of het hof de reikwijdte en de omvang van de beroepsprocedure bepalen maar dat dit aan de betrokkene is. Het hof begrijpt deze opmerking aldus dat de gemachtigde betoogt dat hetgeen de advocaat-generaal in het verweerschrift betoogt niet ter beoordeling van het hof staat.

4. De door de advocaat-generaal opgeworpen kwestie betreft een verzuim als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onder d, Awb. Dit is op zichzelf niet een aspect van openbare orde waaromtrent het hof onafhankelijk van hetgeen is aangevoerd moet beslissen. Het gaat immers om de vraag of het beroepsorgaan in staat is om het beroep te behandelen, niet of het beroepsorgaan het beroep mag behandelen. In het onderhavige geval heeft de gemachtigde in hoger beroep aangevoerd dat de kantonrechter het beroep gegrond had moeten verklaren. De beoordeling van deze beroepsgrond houdt verband met de beantwoording van de vraag of de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie terecht heeft vernietigd. In dit verband wijst het hof ook op artikel 13, eerste lid, WAHV, waaruit volgt dat eerst als het beroep gegrond wordt geacht, het besluit van de officier van justitie kan worden vernietigd.

5. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift heeft aangevoerd dat, omdat onvoldoende informatie is verschaft om de beschikking op juistheid te kunnen toetsen, het beroep vooralsnog is beperkt tot de algemene ontkenning van de verweten gedraging alsmede tot een algemene ontkenning van de verwijtbaarheid ervan en een ontkenning van de wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen. Het beroepschrift is niet geduid als pro forma beroepschrift. Naar het oordeel van het hof is -hoe algemeen geformuleerd ook- sprake van gronden van beroep. Dit betekent dat de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De kantonrechter die, gelet hierop terecht tot de bevinding was gekomen dat de beslissing van de officier van justitie niet kon worden gehandhaafd, had, alvorens deze te vernietigen, gelet op artikel 13, eerste lid, WAHV, het beroep tegen die beslissing gegrond moeten verklaren. In zoverre kleeft aan de beslissing van de kantonrechter een gebrek.

6. De gemachtigde heeft voorts betoogd dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. Er moest een procedure bij de kantonrechter worden gevoerd om te komen tot een juiste beslissing op het administratief beroep, aldus de gemachtigde.

7. De kantonrechter heeft, met de vernietiging van de beslissing van de officier van justitie, de gemachtigde in het gelijk gesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat in zodanig geval aanleiding bestaat voor inwilliging van het verzoek om een vergoeding van de proceskosten, gemaakt in de procedure bij de kantonrechter. Nu de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, is er geen reden om een proceskostenveroordeling achterwege te laten. Gelet hierop kleeft ook in dit opzicht een gebrek aan de bestreden beslissing.

8. De gemachtigde heeft voorts aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte in het niet tijdig beslissen op de aanvraag van betrokkene inzake een verzoek tot teruggave zekerheid geen aanleiding heeft gezien om een dwangsom vast te stellen.

9. De betrokkene heeft op 6 november 2013 aan de officier van justitie verzocht om bij beschikking vast te stellen dat de betaalde zekerheid zo spoedig mogelijk wordt teruggestort. Ten grondslag aan dit verzoek is gelegd de omstandigheid dat de officier van justitie, volgens de betrokkene, niet tijdig de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de kantonrechter heeft toegezonden.

10. Artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) houdt in, voor zover hier van belang:

"1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen."

11. Ingevolge artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan een dwangsom verbeuren als een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven.

12. De verplichting tot het betalen van zekerheid vloeit voort uit artikel 11, derde lid, WAHV. Ingevolge artikel 21, eerste lid, WAHV vervalt de zekerheidstelling nadat ten aanzien van de opgelegde administratieve sanctie een onherroepelijke beslissing is genomen. Het regime van de zekerheidstelling vloeit dus voort uit de wet. De wet kent niet de mogelijkheid voor een (gemachtigde van de) betrokkene om restitutie van zekerheid te verzoeken. Naar het oordeel van het hof kan het verzoek niet worden aangemerkt als een verzoek om een besluit te nemen maar moet het worden aangemerkt als een verzoek tot het verrichten van een handeling van feitelijke aard. Het standpunt van de gemachtigde, dat sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3 juncto artikel 4:17 van de Awb, is derhalve niet juist. De omstandigheid dat er in de visie van de gemachtigde geen andere rechtsmiddelen openstaan voor de indiener van het beroep om de schending van artikel 11 van de WAHV door de officier van justitie aan de orde te stellen, doet hieraan niet af. Gelet hierop kan het niet tijdig reageren op een zodanig verzoek niet leiden tot verbeurte van een dwangsom.

13. Aangezien tegen het niet tijdig verrichten van een handeling van feitelijke aard geen (bestuursrechtelijke) rechtsmiddelen open staan, had de kantonrechter -in plaats van dat beroep ongegrond te verklaren- het beroep van de gemachtigde tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek van 6 november 2013, in welk kader ook was verzocht om vaststelling van de hoogte van de verschuldigde dwangsom, niet-ontvankelijk moeten verklaren.

14. Gelet op het voor overwogene kan de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet gegrond is verklaard, geen vergoeding is toegekend in de proceskosten verband houdende met de behandeling van het beroep bij de kantonrechter en het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van 6 november 2013 ongegrond is verklaard, niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing in zoverre vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen.

15. De door de betrokkene gemaakte proceskosten, verband houdende met de behandeling van het beroep bij de kantonrechter betreffen door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde heeft in de procedure bij de kantonrechter de volgende proceshandeling verricht: verschenen ter zitting van de kantonrechter (1 punt). Het beroepschrift kan niet als voor vergoeding in aanmerking komende proceshandeling worden aangemerkt nu dit beroepschrift (mede) door de betrokkene is ondertekend. De waarde per punt bedraagt € 487,-. Het gewicht van de zaak is licht (wegingsfactor 0,5). Dit betekent dat de betrokkene een vergoeding in de kosten, verband houdende met de behandeling van het beroep bij de kantonrechter, dient te krijgen ten bedrage van € 243,50 (= 1 x € 487,- x 0,5).

16. Het hof acht voorts termen aanwezig voor vergoeding van de proceskosten in hoger beroep. De gemachtigde heeft in hoger beroep de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een hoger beroepschrift bij het hof en het indienen van een nadere toelichting. Aan het indienen van een beroepschrift dient telkens één punt te worden toegekend en aan het indienen van een nadere toelichting een halve punt. De waarde per punt bedraagt eveneens € 487,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten in hoger beroep tot een bedrag van € 365,25 (= 1,5 x € 487,- x 0,5).

17. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, beslist het hof als volgt.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet gegrond is verklaard, het verzoek om vergoeding van proceskosten is afgewezen en het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op het verzoek van de gemachtigde van 6 november 2013 ongegrond is verklaard;

bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;

verklaart het beroep, gericht tegen de beslissing van de officier van justitie, gegrond;

verklaart het beroep tegen het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek van de gemachtigde van 6 november 2013 niet-ontvankelijk;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 608,75.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, Beswerda en De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Vlieger-Dijkstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.