Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1544

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
200.142.618/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap. Geen weggemaakte of verzwegen bestanddelen. Gerechtelijke erkentenis. Uitgesloten erfdeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0072
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM- LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.142.618/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/121073 / HA ZA 12-221)

arrest van de eerste kamer van 1 maart 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,
appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
hierna: [appellante],

advocaat: mr. T.E. Heslinga, kantoorhoudend te Leeuwarden ,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H. Siesling-Vellinga, kantoorhoudend te Leeuwarden .

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van
13 maart 2013, 5 juni 2013 en 13 november 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden .

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 7 februari 2014, met bijlagen;

- de memorie van grieven, tevens houdende vermeerdering c.q. wijziging van eis, met producties;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens houdende vermeerdering c.q. wijziging van eis, met producties;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellante] luidt:

"het eindvonnis van de Rechtbank Leeuwarden , locatie Leeuwarden d.d. 13 november 2013 (alsmede voorgaande tussenvonnissen d.d. 13 maart 2013 en 5 juni 2013) gedeeltelijk te vernietigen en opnieuw rechtdoende - zo nodig onder aanvulling en/of verbetering der gronden - de (…) vorderingen van appellante alsnog toe te wijzen danwel gedeeltelijk toe te wijzen, zoals nader gespecificeerd in het navolgende:

grief 1 - effectendepot

1. primair verzoekt [appellante] het hof [geïntimeerde] te veroordelen tot het verstrekken van alle relevante informatie omtrent het effectendepot, zoals onder grief 1 is gespecificeerd;

primair verzoekt [appellante] het hof tevens te oordelen dat (voor zover de verzochte informatie niet (volledig) wordt overgelegd, dan wel dat uit de overgelegde informatie blijkt dat het bedrag is onttrokken uit de gemeenschap) [appellante] de volledige verkoopopbrengst van het effectendepot toekomt op basis van artikel 3:194 lid 2 BW;

subsidiair verzoekt [appellante] het hof te bepalen dat de verkoopopbrengst als afzonderlijk boedelbestanddeel tussen beide partijen bij helfte dient te worden verdeeld, waarbij [appellante] recht heeft op betaling van de helft van de opbrengst door [geïntimeerde] ;

grief II - lening te Senegal

1. primair verzoekt [appellante] het hof te bepalen dat de vordering ter zake de lening te Senegal niet genoegzaam is onderbouwd en bewezen, waardoor de vordering niet kan worden toebedeeld aan één der partijen

2. subsidiair verzoekt [appellante] het hof om, voor zover de lening voldoende vaststaat, deze vordering aan [geïntimeerde] toe te delen, onder vergoeding van de helft van de waarde van de vordering aan [appellante] ;

3. meer subsidiair verzoekt [appellante] het hof om te oordelen dat de vordering aan beide partijen bij helfte dient te worden toebedeeld;

grief III - pand aan de [a-straat] 4

1. primair verzoekt [appellante] het hof te bepalen dat [geïntimeerde] zijn aandeel in het pand aan de [a-straat] 4 te Leeuwarden heeft verbeurd op grond van artikel 3:194 lid 2 BW, waardoor het volledig eigendom aan [appellante] dient toe te komen;

2. subsidiair verzoekt [appellante] het hof te bepalen dat het pand aan de [a-straat] 4 te Leeuwarden zal worden toebedeeld aan [geïntimeerde] , onder verdeling van de waarde aan [appellante] ;

grief IV - vergoeding overbedeling

1. [appellante] verzoekt het hof om, na het nemen van de beslissingen ter zake de grieven, te komen tot een juist bedrag ter zake de vergoeding welke toekomt aan [appellante] uit de overbedeling van [geïntimeerde] .

Ten opzichte van alle grieven

danwel in goede justitie te bepalen beslissingen, dit met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.4

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd:

"de vonnissen, zoals die op 13 maart 2013, 5 juni 2013 en 13 november 2013 door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden , in de zaak bekend onder nummer C/17/121073 HA ZA 12-221, zijn gewezen, deels te vernietigen en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder verbetering of aanvulling van de gronden, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog toe te wijzen,

en ten aanzien van de vermeerdering/wijziging van eis:

primair te bepalen dat het pand aan de [a-straat] 4 te Leeuwarden dient te worden verkocht, waarbij de verkoopopbrengst onder aftrek van de verkoopkosten en de eigenaarslasten vanaf de beëindiging van het geregistreerd partnerschap tot aan de verkoop, gelijk tussen partijen dient te worden verdeeld;

subsidiair te bepalen dat het pand aan de [a-straat] 4 te [A] aan [appellante] wordt toegedeeld voor een bedrag van € 50.000,-, onder gehoudenheid van [appellante] om [geïntimeerde] de helft van de waarde, zijnde een bedrag van € 25.000,-, te vergoeden alsmede de helft van de verkoopkosten en de eigenaarslasten vanaf de beëindiging van het geregistreerd partnerschap tot aan de verkoop, met bepaling dat [appellante] voormeld bedrag uiterlijk bij levering van de woning aan [geïntimeerde] dient te betalen.

te bepalen dat [appellante] [geïntimeerde] in verband met de nagekomen vorderingen ter zake de gedeeltelijke terugbetaling van het in 2011 ontvangen persoonsgebonden budget ad € 1.361,91 en de aanslag IB/PV over 2010 van € 3.263,- een bedrag van € 2.314,95 dient te vergoeden.

In het principaal en in het incidenteel appel

[appellante] te veroordelen in de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in appel".

2.4

Bij brief van 25 januari 2016 heeft (de advocaat van) [geïntimeerde] een volledig exemplaar van het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 27 november 2012 overgelegd. Het hof had daarom verzocht omdat beide partijen een onvolledig exemplaar daarvan hadden gefourneerd.

3 De vaststaande feiten

3.1

Tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten zijn geen grieven of andere bezwaren ingebracht, zodat deze vaststaan. Zij luiden als volgt.

3.2

Partijen zijn op 6 november 2003 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Het geregistreerd partnerschap is door partijen middels de ondertekening van een overeenkomst beëindigd, welke beëindiging op 6 februari 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Ten gevolge van het aangaan van het geregistreerd partnerschap is een gemeenschap van goederen ontstaan, die door de beëindiging van het geregistreerd partnerschap is ontbonden.

3.3

Daarnaast staat vast dat partijen het er over eens zijn dat voor de vaststelling van de omvang van de boedel als peildatum 3 februari 2012 dient te gelden, en dat de bankrekening met nummer [00000] ten name van [geïntimeerde] door hem wordt voortgezet onder verdeling van het saldo per 31 december 2011.

3.4

De panden aan de [a-straat] 6 en 8 te [A] zijn aan een derde verkocht en geleverd.

4 De beoordeling

4.1

Met hun grieven en gewijzigde/vermeerderde vorderingen leggen partijen de volgende onderwerpen aan het hof voor:

a. de omvang en waarde van het effectendepot;

b. de lening aan een partij in Senegal ;

c. het pand aan de [a-straat] 4 te [A] ;

d. het van de gemeenschap uitgesloten erfdeel van de moeder van [geïntimeerde] ;

e. nagekomen vorderingen ter zake van PGB 2011 en IB/PV over 2010;

f. de hoogte van het uiteindelijke bedrag van de overbedeling.

4.2

Het hof zal deze onderwerpen afzonderlijk bespreken.

de omvang en waarde van het effectendepot

4.3

[appellante] stelt - kort gezegd - dat niet blijkt dat de door [geïntimeerde] in oktober 2011 verkochte effecten, waarvan (het merendeel van - toevoeging hof) de opbrengst ( € 67.100,- - toevoeging hof) op bankrekening [00000] is gestort, het volledige effectendepot vormden, zodat zij er van uitgaat dat dit niet het geval is. Zij verwijst daarbij naar een overzicht van de effectenportefeuille dat [geïntimeerde] haar, naar zij stelt, kort voor 19 juni 2013 heeft overhandigd en waarop meer aandelen vermeld staan dan in oktober 2011 verkocht zijn, met een totale waarde van € 88.500,-. Het tegoed op de genoemde bankrekening is in het jaar 2011 slechts met € 16.157,40 toegenomen, zodat [appellante] zich afvraagt waar het in oktober gestorte bedrag van ruim € 67.000,- is gebleven. De uitleg die [geïntimeerde] daarover gegeven heeft acht zij ongeloofwaardig. Het kan zijn dat [geïntimeerde] het missende bedrag van rond de € 50.000,- tussen de datum van verkoop en de peildatum (een periode van ongeveer drie maanden) heeft doorgestort naar een andere, onbekende rekening; in dat geval maakt het saldo op die rekening deel uit van de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap. Ook verwijst [appellante] naar het financieel jaaroverzicht van ABN-Amro, overgelegd als productie 13 bij de conclusie van antwoord in reconventie, waaruit blijkt dat het effectendepot onder nummer [00001] per 31 december 2010 een waarde had van € 83.220,48.

Wanneer mocht blijken dat [geïntimeerde] een deel van de verkoopopbrengst van de effecten op een onbekende rekening heeft gestort, dan heeft hij dat deel verborgen gehouden als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW en maakt [appellante] aanspraak op dat gehele deel van de opbrengst.

4.4

[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat op de peildatum het effectendepot niet meer bestond. Het bedrag van € 67.423,38 was in oktober 2011 de totale opbrengst van het depot; dit bedrag is gestort op bankrekening nummer [00001] en € 67.000,- daarvan is doorgestort naar bankrekening nummer [00000] . Het saldo van laatstgenoemde rekening is in de verdeling betrokken. Het overzicht van de effectenportefeuille dat [appellante] heeft overgelegd is oud en irrelevant. [geïntimeerde] legt een portefeuille-overzicht per 30 september 2011 over, waaruit blijkt dat de portefeuille toen alleen de effecten omvatte die in oktober 2011 verkocht zijn. [geïntimeerde] verwijst naar door hem overgelegde bankafschriften waaruit moet blijken wat er met de opbrengst van de effecten is gebeurd. Zo heeft [geïntimeerde] op 15 november 2011 een schuld aan zijn dochter ad € 30.000,- afgelost.

4.5

Het hof overweegt als volgt.

Bij brief van mr. Siesling aan de rechtbank van 18 april 2013 is het rekeningafschrift van 1 november 2011 van rekening nummer [00001] overgelegd, waaruit de verkoop van effecten uit de portefeuille blijkt. De soorten en aantallen verkochte effecten komen geheel overeen met hetgeen vermeld is op het hierboven genoemde portefeuille-overzicht per 30 september 2011, met dien verstande dat van de deelneming in Delta Lloyd niet het aantal verkochte participaties is vermeld. Ten aanzien van die participaties blijkt wel dat de opbrengst per 25 oktober 2011 € 17.096,52 was en de waarde per 30 september 2011 € 16.662,80. Uit het door [appellante] genoemde jaaroverzicht van ABN-Amro blijkt dat de stand van de effectenportefeuille per 31 december 2011 nihil was. [appellante] heeft niet voldoende onderbouwd gesteld dat er buiten deze effectenportefeuille nog een andere effectenportefeuille was, dan wel dat [geïntimeerde] naast de effectenportefeuille nog los effecten hield. Derhalve stelt het hof vast dat er op de peildatum geen effecten meer waren. De grief betreffende de effectenportefeuille faalt daarom.

de lening aan een partij in Senegal

4.6

In afwijking van haar standpunt in eerste aanleg betwist [appellante] in hoger beroep dat het bedrag dat in de periode 2004 tot en met 2008 naar Senegal is overgeboekt, in totaal € 246.550,-, volledig een lening betreft. Zij betwist voorts de contante ontvangst van een bedrag van € 8.500,- op 19 april 2004, althans dat dat besteed zou zijn aan een pension in Senegal . De bedragen die op 7 maart 2006 en 25 maart 2008 door [geïntimeerde] naar [appellante] zijn overgemaakt, € 30.000,- en € 25.000,-, heeft zij niet aan familie in Senegal uitgeleend. Ook de omschrijvingen bij de andere overgemaakte bedragen bewijzen niet dat er van een lening sprake is, noch waarvoor die lening dan zou zijn en aan wie die verstrekt zou zijn. [geïntimeerde] leende niet alleen geld aan familieleden in Senegal , zo nu en dan werd er ook geld geschonken. Mocht al een lening komen vast te staan, dan dient die aan [geïntimeerde] te worden toegedeeld, mede omdat [appellante] geen weet heeft van afgesproken voorwaarden of bedragen en [geïntimeerde] de contacten over een en ander heeft onderhouden.

4.7

[geïntimeerde] wijst er op dat [appellante] in eerste aanleg heeft erkend dat het totale bedrag van € 246.550,- een lening betreft. Dit is tussen partijen ook altijd duidelijk geweest en [geïntimeerde] heeft schriftelijk bewijs geleverd van de overboekingen. Niet [geïntimeerde] maar [appellante] onderhield de contacten met Senegal . Als [appellante] bedragen die voor de familie in Senegal waren bestemd niet aan hen heeft uitgeleend moeten die bedragen er nog zijn en heeft [appellante] die buiten de verdeling gehouden; dit gaat om een bedrag van maximaal € 63.500,-.

4.8

Het hof overweegt als volgt.

4.8.1

Het hoger beroep is mede bedoeld om fouten die in de eerste aanleg gemaakt zijn te herstellen. Daaronder valt ook dat een partij een eerder betrokken stelling kan prijsgeven en een andere stelling kan betrekken. Op grond van artikel 154 Rv geldt echter een uitzondering voor gerechtelijke erkentenissen.

4.8.2

[appellante] heeft in eerste aanleg zonder voorbehoud uitdrukkelijk erkend dat een bedrag van in totaal € 246.550,- naar Senegal is overgeboekt (conclusie van antwoord punt 12). Naar het oordeel van het hof kan zij daar niet op terugkomen, zodat hetgeen zij in hoger beroep heeft gesteld ter zake van de omvang van het bedrag dat naar Senegal is overgeboekt dient te worden gepasseerd.

4.8.3

[appellante] heeft in eerste aanleg niet erkend dat het bedrag is aangewend voor de aankoop en verbouw van een woning en een pension in Senegal , zoals [geïntimeerde] heeft gesteld. Volgens haar betreft het een lening die op den duur dient te worden terugbetaald (conclusie van antwoord punt 12, herhaald/aangehaald in memorie van grieven punt 26 e.v.). In hoger beroep gaat ook [geïntimeerde] uit van een lening (memorie van antwoord punt 16).

4.8.4

Voor zover [appellante] in hoger beroep daarnaast heeft gesteld (haar standpunt is niet eenduidig) dat niet alle betalingen ten titel van lening zijn overgeboekt heeft zij haar stellingen onvoldoende onderbouwd. Meer in het bijzonder heeft zij niet voldoende concreet onderbouwd dat het voor een gedeelte om schenkingen zou gaan. Het hof zal die stellingen dan ook passeren. Een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod ontbreekt. Dit gedeelte van de grief van [appellante] faalt dan ook.

4.8.5

Naar het oordeel van het hof dient de vordering ter zake van de uitgeleende gelden te worden toegedeeld aan [appellante] . Het ligt voor de hand dat zij betere contacten heeft met degenen die in Senegal de gelden hebben ontvangen dan [geïntimeerde] ; het gaat ten minste ten dele om familie van haar. Dat alle contacten via [geïntimeerde] zouden zijn gegaan, zoals [appellante] stelt en [geïntimeerde] ontkent, is ongeloofwaardig, reeds omdat een deel van de betalingen via [appellante] naar Senegal zijn gegaan. Daarentegen is wel aannemelijk dat [appellante] beter dan [geïntimeerde] in staat zal zijn activiteiten in Senegal te ondernemen ter terugbetaling van de leningen, nu zij uit dat land afkomstig is, de taal spreekt en de betrokkenen kent.

4.8.6

Het hof zal bij eindarrest conform het bovenstaande beslissen.

het pand aan de [a-straat] 4 te [A]

4.9

[appellante] stelt dat [geïntimeerde] het bestaan van het pand [a-straat] 4 te [A] als boedelbestanddeel bewust en opzettelijk heeft verzwegen. Hij heeft in de procedure alleen de panden [a-straat] 6 en 8 genoemd, terwijl nr. 4 een afzonderlijk pand is dat tevens bij partijen in eigendom was. [appellante] is pas van het bestaan van het pand op nr. 4 als boedelbestanddeel op de hoogte geraakt toen zij door de notaris werd benaderd om mee te werken aan de levering van [a-straat] nrs. 6 en 8. [geïntimeerde] moet zich door zijn verplichting om zijn box 3-bezittingen aan te geven en door de ontvangst van een WOZ-beschikking voor dit pand bewust zijn geweest van zijn eigenaarschap van dit pand. Ingevolge artikel 3:194 lid 2 BW komt het pand in zijn geheel aan [appellante] toe. Subsidiair wenst [appellante] het pand alsnog in de verdeling te betrekken met toebedeling aan [geïntimeerde] tegen betaling van de helft van de waarde aan [appellante] . In haar memorie van antwoord in incidenteel appel verzoekt [appellante] om verkoop van de woning, hetgeen - aldus [appellante] - hetzelfde is als wat [geïntimeerde] primair vordert.

4.10

[geïntimeerde] betwist het pand aan de [a-straat] 4 bewust buiten de verdeling te hebben gehouden. Ook al waren de panden in de inleidende dagvaarding omschreven als "nummer 6 en 8", partijen wisten precies om welke panden het ging. De vermelding in de dagvaarding was een gevolg van de manier waarop [geïntimeerde] boekhouder de informatie had aangeleverd. De nummeraanduiding van de panden geeft wel vaker onduidelijkheid; zo noemt de gemeente in de WOZ-beschikking alleen nr. 4. [appellante] kende het pand op nr. 4, want zij is daar wel met [geïntimeerde] geweest, zoals ook blijkt uit een overgelegde getuigenverklaring. [geïntimeerde] wil dat ook nr. 4 wordt verkocht, zoals de rechtbank ook ten aanzien van nrs. 6 en 8 heeft bepaald. Het was ook zonder dat nr. 4 in de beslissing werd genoemd zijn bedoeling de opbrengst daarvan met [appellante] te delen. Het pand kon voor € 50.000,- verkocht worden aan een derde, maar [appellante] wilde daar niet aan meewerken omdat zij het pand zelf toegedeeld wil krijgen. De (boven)woning op nr. 4 is echter onbewoonbaar verklaard en het kost vermoedelijk minimaal € 100.000,- om de noodzakelijke verbouwing uit te voeren, iets waartoe [appellante] niet in staat is. Als het pand niettemin aan [appellante] wordt toegedeeld dient dat tegen de geboden waarde van € 50.000,- te gebeuren.

4.11

Het hof overweegt als volgt.

4.11.1

Voor een geslaagd beroep op artikel 3:194 lid 2 BW is vereist dat de wederpartij het betreffende goed opzettelijk heeft (in dit geval) verzwegen. Gelet op hetgeen [geïntimeerde] heeft aangevoerd is het hof van oordeel dat noch de verzwijging, noch de opzet daartoe vaststaat. Het zou daarom op de weg van [appellante] liggen om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit die verzwijging en de opzet daartoe voortvloeien. Een dergelijk, voldoende concreet bewijsaanbod ontbreekt echter. Daarom verwerpt het hof het beroep van [appellante] op artikel 3:194 lid 2 BW.

4.11.2

Dit zo zijnde zijn partijen het er over eens dat het pand dient te worden verkocht, waarbij de verkoopopbrengst onder aftrek van de verkoopkosten en de eigenaarslasten vanaf de beëindiging van het geregistreerd partnerschap tot aan de verkoop, gelijk tussen partijen dient te worden verdeeld. Het hof zal bij eindarrest aldus beslissen.

het van de gemeenschap uitgesloten erfdeel van de moeder van [geïntimeerde]

4.12

[geïntimeerde] stelt dat - naast het bedrag van € 20.734,17, waarover partijen het eens zijn - een bedrag van € 30.904,- (fl. 68.103,90) ingevolge de uitsluitingsclausule in het testament van zijn overleden moeder buiten de verdeling moet blijven en hem toekomt. Dit bedrag heeft hij in 1984 ontvangen. Er is ook bij zijn eerdere echtscheiding in 1998 rekening mee gehouden. Het is niet relevant wat [geïntimeerde] met het geld gedaan heeft nu het in de gemeenschap is gevloeid; daardoor is een repriserecht ontstaan tot genoemd bedrag.

4.13

[appellante] erkent het bestaan van de uitsluitingsclausule, maar betwist dat het erfdeel van [geïntimeerde] ooit aan hem is uitbetaald. Evenmin is duidelijk welk bedrag zou zijn uitbetaald. Zij wijst er op dat het in eerste aanleg door [geïntimeerde] ter zake gevorderde bedrag van € 36.131,- (fl. 79.622,25) niet valt af te leiden uit de overgelegde berekening van het erfdeel. Omdat [geïntimeerde] geen wijziging van eis heeft geformuleerd kan zijn grief niet slagen. Uitgaande van een erfdeel van € 30.904,- meent [appellante] dat dat bedrag wegvalt tegen de verrekening met de schuld die [geïntimeerde] aan zijn ouders had en tegen andere verrekenposten. Verder betwist [appellante] dat er met het erfdeel geïnvesteerd is in de voormalige echtelijke woning.

4.14

Het hof overweegt als volgt.

4.14.1

Uit het vierde en vijfde blad van de contantenrekening met staat van verdeling (productie 8 bij de inleidende dagvaarding), die niet betwist wordt, volgt dat het erfdeel van [geïntimeerde] , na aftrek van boedelkosten en successierechten etc., fl. 68.103,90 beliep en dat dat bedrag grotendeels is verrekend met vorderingen op [geïntimeerde] . Feitelijk kwamen ter beschikking van [geïntimeerde] effecten ter waarde van fl. 2.630,- en een bedrag in contanten van fl. 20.874,52. Voor zover [appellante] de uitbetaling van het erfdeel aan [geïntimeerde] betwist kan dit dan ook slechts laatstgenoemd bedrag betreffen; dat is omgerekend € 9.472,44.

4.14.2

Hoewel onaannemelijk is dat dit bedrag niet zou zijn uitbetaald is niet duidelijk op welke rekening dat is gebeurd en in hoeverre dit bedrag nog ten tijde van het aangaan van het geregistreerd partnerschap tussen partijen in 2003 aanwezig was. [geïntimeerde] heeft nog niet de gelegenheid gehad om op dit punt te reageren en eventueel bewijs aan te bieden, zodat hij daartoe in de gelegenheid dient te worden gesteld. Hetzelfde geldt voor de effecten tot een waarde van fl. 2.630,-.

4.14.3

Indien en voor zover komt vast te staan dat deze bedragen in de gemeenschap tussen partijen zijn gevloeid zal [geïntimeerde] tot dat bedrag een repriserecht hebben.

4.14.4

Ten aanzien van het resterende bedrag, dat niet is uitbetaald maar verrekend is met een schuld van [geïntimeerde] aan zijn ouders, geldt het volgende. Indien vast komt te staan dat de schuld is aangegaan ter gedeeltelijke financiering van de aankoop van het huis aan de [b-straat] te [A] , dat deel uitmaakte van de gemeenschap tussen partijen, heeft [geïntimeerde] in zoverre met privégeld geïnvesteerd in een goed dat (naderhand) gemeenschappelijk is geworden en komt hem - nu een en ander heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2012 - een reprise tot het nominale bedrag van die schuld toe. [geïntimeerde] heeft nog niet de gelegenheid gehad om op dit punt te reageren en eventueel bewijs aan te bieden, zodat hij daartoe in de gelegenheid dient te worden gesteld.

nagekomen vorderingen ter zake van PGB 2011 en IB/PV over 2010

4.15

[geïntimeerde] wenst bij wege van vermeerdering van eis dat twee vorderingen, die betrekking hebben op de periode waarin partijen geregistreerd partners waren en niet meegenomen zijn in de verdeling van de gemeenschap, alsnog worden verrekend. Het betreft een bedrag van € 1.361,91 ter zake van gedeeltelijke terugbetaling van het in 2011 ontvangen persoonsgebonden budget en een bedrag van € 3.263,- ter zake van een aanslag IB/PV over 2010. [geïntimeerde] wenst deze schulden - in totaal volgens hem € 4.629,91 - voor zijn rekening te nemen, onder gehoudenheid van [appellante] om hem de helft daarvan, € 2.314,95, te vergoeden.

4.16

[appellante] stelt zich op het standpunt dat de schuld ter zake van het persoonsgebonden budget op 23 augustus 2013 is opgekomen; dat is na de peildatum 3 februari 2012, zodat de vordering buiten de verrekening van de gemeenschap valt. Van de IB/PV-schuld worden geen bewijsstukken overgelegd; de betreffende productie bevat twee dezelfde pagina's waaruit het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag niet valt af te leiden. Daarnaast neemt [appellante] aan dat ook deze vordering na de peildatum is ontstaan en dus niet verrekend dient te worden.

4.17

Het hof overweegt als volgt.

4.17.1

Het is juist dat de productie die [geïntimeerde] heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn vordering ter zake van de IB/PV over 2010 alleen tweemaal het tweede blad van de betreffende aanslag bevat. Daardoor is beoordeling van deze vordering, gelet op het door [appellante] gevoerde verweer, niet mogelijk. [geïntimeerde] zal in de gelegenheid worden gesteld de betreffende aanslag correct en compleet in het geding te brengen, waarna het hof nader zal beslissen.

4.17.2

De terugvordering ter zake van het persoonsgebonden budget heeft betrekking op gelden die partijen gedurende hun geregistreerd partnerschap, naar achteraf blijkt: ten onrechte, hebben ontvangen. Nu die gelden ten goede zijn gekomen aan de gemeenschap dient hetgeen ten onrechte is genoten ook ten laste van de gemeenschap te worden terugbetaald. De vordering van [geïntimeerde] zal dan ook bij eindarrest worden toegewezen, nu [appellante] voor het overige geen verweer heeft gevoerd.

4.17.3

Indien [geïntimeerde] de aanslag IB/PV over 2010 naar behoren onderbouwt zal daarover op dezelfde wijze worden geoordeeld.

de hoogte van het uiteindelijke bedrag van de overbedeling

4.18

Over dit onderdeel van het geschil kan en zal het hof pas een oordeel geven wanneer op de thans nog nader te beoordelen, hierboven behandelde onderdelen kan worden beslist.

de slotsom

4.19

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de na te noemen onderdelen van hun geschil. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 29 maart 2016 voor een akte uitlating aan de zijde van [geïntimeerde] over hetgeen in rechtsoverweging 4.14.2, 4.14.4 en 4.17.1 is overwogen;

bepaalt dat [appellante] drie weken nadien een antwoordakte kan nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. G.M. van der Meer en mr. B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 1 maart 2016.