Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1542

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
200.130.096/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk. Geschil over gefactureerde bedragen. Verrekening met tegenvordering op de voet van artikel 53 Faillissementswet.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 27
Faillissementswet 29
Faillissementswet 53
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 136
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2016-0135
AR 2016/684
JOR 2016/172 met annotatie van mr. A.C.A.D. Bakker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.130.096/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 109974 / HA ZA 11-66)

arrest van 1 maart 2016

in de zaak van

[appellant] ,
wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M.R.P. Ossentjuk, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

1. mr. [de curator] q.q.handelende in zijn hoedanigheid van curator van Schildersbedrijf [geïntimeerde1] V.O.F.,

kantoorhoudend te Drachten,
niet verschenen,

2. [de bewindvoerder] q.q.in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van de vennoten van Schildersbedrijf [geïntimeerde1] V.O.F,

kantoorhoudend te Heerenveen,
niet verschenen,

3. Schildersbedrijf [geïntimeerde1] V.O.F.,
hierna: [geïntimeerde1] VOF,
gevestigd te [B] ,
niet verschenen,
alsmede haar vennoten
4. [geïntimeerde2],
hierna: [geïntimeerde2],
5. [geïntimeerde3],
beiden wonende te [B] ,

beiden niet verschenen,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,
hierna: gezamenlijk aan te duiden als: [geïntimeerden] VOF c.s.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 16 januari 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 16 april 2013 en

- de memorie van grieven (met producties).

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] in hoger beroep luidt:


"(…) het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden, gewezen op 16 januari 2013 (109974/HA ZA 11-66) te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. De vorderingen van [geïntimeerde2] alsnog af te wijzen.
II. Met veroordeling van [geïntimeerde2] van de proceskosten in beide instanties."

3 De feiten

3.1

In deze zaak staat het volgende vast.

3.1.1

[geïntimeerde1] VOF is een vennootschap onder firma met twee vennoten, te weten [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] . [geïntimeerde1] VOF is per 24 januari 2012 failliet verklaard met aanstelling van mr. Detmar tot curator. Beide vennoten zijn op 1 maart 2012 toegelaten tot de schuldsanering krachtens de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) met aanstelling van de heer Zwaagstra tot bewindvoerder. Mr. Detmar heeft voor wat betreft [geïntimeerde1] VOF de procedure in eerste aanleg in conventie op de voet van artikel 27 Faillissementswet (Fw) overgenomen. Mr. Zwaagstra heeft als bewindvoerder de procedure van de vennoten overgenomen, met dien verstande dat mr. Detmar als advocaat is opgetreden. De procedure in eerste aanleg in reconventie is krachtens het bepaalde in artikel 29 Fw van rechtswege geschorst.

3.1.2

[appellant] heeft een eenmanszaak en handelt onder de naam Bouwbedrijf [C] .

3.1.3

[appellant] heeft woningen gerealiseerd op een recreatieterrein te [D] , plaatselijk bekend onder de naam [E] te [D] ". [geïntimeerde1] VOF heeft in dat verband in opdracht en voor rekening van [appellant] schilder- en glaszetwerkzaamheden verricht. [geïntimeerde1] VOF heeft in eerste instantie deze werkzaamheden op regiebasis verricht. Partijen zijn op enig moment in onderhandeling getreden over de prijzen die [geïntimeerde1] VOF in rekening bracht voor haar werkzaamheden. [geïntimeerde1] VOF heeft daarom op 20 december 2007 een offerte uitgebracht ter zake van de woningen waarvoor nog geen werkzaamheden waren uitgevoerd. Deze offerte is door [appellant] niet ondertekend. [geïntimeerde1] VOF heeft haar werkzaamheden ook na 20 december 2007 voorgezet.

3.1.4

Eén van de onder 3.1.3 bedoelde recreatiewoningen heeft [appellant] in opdracht van [geïntimeerde2] gebouwd. Ter zake van deze woning heeft [appellant] op 2 februari 2009 en 29 april 2010

aan [geïntimeerde2] bedragen van € 105.265,04 respectievelijk € 46.637,50 gefactureerd. Op de eerste factuur (nr. 2009005) heeft [geïntimeerde2] een bedrag van € 5.000,- onbetaald gelaten. De tweede factuur (nr. 2010016) is in het geheel niet voldaan.

3.1.5

[appellant] en [geïntimeerde1] VOF hebben op zaterdag 8 mei 2010 in het bijzijn van de heer [F] (hierna: [F] ), projectontwikkelaar verbonden aan [H] B.V., een bespreking gevoerd over de door [geïntimeerde1] VOF gefactureerde werkzaamheden. Partijen hebben vervolgens schriftelijke afspraken gemaakt over de bedragen die partijen over en weer aan elkaar verschuldigd waren. Partijen hebben hun handtekening gezet onder een document waarin per factuur is opgeschreven hetgeen zij over en weer van elkaar te vorderen hebben. Uit het ondertekende stuk blijkt dat [appellant] aan [geïntimeerde1] VOF een bedrag van € 50.455,- verschuldigd was en dat [geïntimeerde1] VOF daarvan een bedrag van € 32.243,75 zou crediteren.

3.1.6

In zijn brief d.d. 11 mei 2010 schrijft [geïntimeerde2] aan [appellant] , voor zover thans van belang:
"08-05-2010 hebben wij overzicht getekend waar ik niet achtersta en deze aanmaningen zijn nu weer van toepassing u kunt contact opnemen met Noppe& van der zwaag (…)"

3.1.7

Begin juni 2010 hebben [geïntimeerde1] VOF c.s. de volgende facturen aan [appellant] verzonden:
- nummer 2010097 d.d. 5 juni 2010 € 2.977,59 (afrekening woning 80-133 en 80-139 [G] );
- nummer 2010096 d.d. 5 juni 2010 € 2.000,- (afrekening woning 80-111);
- nummer 2010095 d.d. 5 juni 2010 € 5.780,- (afrekening woning 80-132 [H] );
- nummer 2010094 d.d. 5 juni 2010 € 17.585,- (afrekening woning 80-122 [appellant] );
- nummer 2010093 d.d. 5 juni 2010 € 14.960,- (afrekening woning 80-129 [H] );
- nummer 2010092 d.d. 5 juni 2010 € 5.010,- (afrekening woning 80-119 [H] );
- nummer 2010091 d.d. 5 juni 2010 € 9.805,- (afrekening woning 80-138 [I] );
- nummer 2010089 d.d. 3 juni 2010 € 6.250,- (afrekening woning 80-112 [H] ).

3.1.8

Bij brief van 29 oktober 2010 heeft de raadsman van [geïntimeerde1] VOF [appellant] gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 64.367,59 voor werkzaamheden die [geïntimeerde1] VOF heeft verricht op het recreatieterrein te [D] . Als bijlage bij deze brief zijn de volgende facturen gevoegd:
- nummer 2010097 d.d. 5 juni 2010 € 2.977,59 (afrekening woning 80-133 en 80-139 [G] );
- nummer 2009156 d.d. 12 oktober 2009 € 1.450,- (opleverpunten woning 80-133);
- nummer 2009155 d.d. 12 oktober 2009 € 1.350,- (opleverpunten woning 80-139);
- nummer 2010096 d.d. 5 juni 2010 € 2.000,- (afrekening woning 80-111);
- nummer 2010095 d.d. 5 juni 2010 € 5.780,- (afrekening woning 80-132 [H] );
- nummer 2010094 d.d. 5 juni 2010 € 17.585,- (afrekening woning 80-122 [appellant] );
- nummer 2010093 d.d. 5 juni 2010 € 14.960,- (afrekening woning 80-129 [H] );
- nummer 2010092 d.d. 5 juni 2010 € 5.010,- (afrekening woning 80-119 [H] );
- nummer 2010091 d.d. 5 juni 2010 € 9.805,- (afrekening woning 80-138 [I] );
- nummer 2010089 d.d. 3 juni 2010 € 6.250,- (afrekening woning 80-112 [H] ).

3.1.9

Bij brief van 8 november 2010 heeft de gemachtigde van [appellant] deze vordering betwist.

3.1.10

Ter verzekering van de nakoming van hun vordering hebben [geïntimeerde1] VOF c.s. op 1 december 2010 conservatoir (derden)beslag doen leggen.

4 Het geschil en de beoordeling in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerden] VOF c.s. hebben in eerste aanleg in conventie - na vermeerdering van eis - gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 72.367,59, vermeerderd met rente en kosten.
heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat [geïntimeerden] VOF c.s. worden veroordeeld tot betaling van een bedrag ad in totaal € 33.877,-, vermeerderd met contractuele rente en kosten.

4.2

De rechtbank heeft in conventie - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - de vordering van [geïntimeerden] VOF c.s. toegewezen tot een bedrag van € 38.540,09, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 7 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld tot betaling van de beslagkosten ad € 799,93, alsmede tot betaling van de proceskosten, tot aan de uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] VOF c.s. begroot op € 1.819,89.

4.3

In reconventie heeft de rechtbank iedere beslissing aangehouden op de grond dat deze procedure krachtens artikel 29 Fw in samenhang met artikel 313 lid 1 Fw van rechtswege is geschorst tot het moment dat ter verificatie de juistheid van de vordering wordt betwist.

5 Met betrekking tot de grieven
Verholen grief

5.1

De genummerde grieven zijn alle gericht tegen het vonnis in conventie. In het gestelde in de memorie van grieven onder 19 valt echter een verholen grief te ontwaren tegen de beslissing van de rechtbank in reconventie. [appellant] betoogt dat de rechtbank op die vordering had moeten beslissen. Die grief heeft evenwel te falen, nu de beslissing van de rechtbank steunt op de wet (artikel 29 Fw). Dit laat onverlet dat de vordering in reconventie ten grondslag kan worden gelegd aan een beroep op verrekening in conventie (zie hierna bij de bespreking van de grieven I en VII).

5.2

Grief I houdt in dat de rechtbank ten onrechte in conventie een eindvonnis heeft gewezen voordat de zaak in reconventie gereed was voor het wijzen van vonnis. In dit verband beroept [appellant] zich op de verwevenheid van de conventie en reconventie. Ter toelichting daarop betoogt hij het volgende.
heeft in conventie een beroep gedaan op verrekening met een beweerdelijke tegenvordering ter zake van de bouw van een recreatiewoning voor [geïntimeerde2] (woning 105) ad in totaal € 33.876,- (conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie onder 20 tot en met 22). Zekerheidshalve heeft hij in reconventie veroordeling van [geïntimeerden] VOF c.s. tot betaling van genoemd bedrag van € 33.877,- gevorderd.
Voorts betoogt [appellant] het volgende. Hij had het bedrag van € 33.877,- bij akte vermeerdering van eis willen verhogen tot een bedrag van € 51.637,50, maar is daartoe als gevolg van de schorsing van de procedure in reconventie nog niet in de gelegenheid geweest. De curator in het faillissement van [geïntimeerde1] VOF heeft geen gehoor gegeven aan zijn verzoek om een verificatievergadering te beleggen teneinde de procedure in reconventie te kunnen voortzetten. Aangezien de over een weer gevorderde bedragen grotendeels tegen elkaar wegvallen, had de rechtbank nog niet een veroordeling in conventie mogen uitspreken, terwijl de vordering in reconventie stil ligt.
Grief VII houdt in dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het (impliciete) verrekeningsverweer van [appellant] .

5.3

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De door [appellant] verlangde schorsing van de procedure in conventie verdraagt zich niet met artikel 27 Fw, krachtens welk artikel de vordering in conventie is overgenomen door de curator van [geïntimeerde1] VOF. De omstandigheid dat de procedure in reconventie geschorst is op de voet van artikel 29 Fw, belet [appellant] echter niet om in conventie op grond van artikel 53 Fw een beroep te doen op verrekening met zijn tegenvordering. Artikel 53 Fw bepaalt dat verrekening mogelijk is indien zowel de schuld als de te verrekenen vordering vóór het faillissement is ontstaan, hetgeen in casu het geval is, terwijl volgens het derde lid van dit artikel de curator geen beroep kan doen op het bepaalde in artikel 6:136 BW (bevoegdheid van de rechter om het verrekeningsverweer te passeren indien de gegrondheid daarvan niet op eenvoudige wijze is vast te stellen). De rechtbank had derhalve op het verrekeningsverweer dienen te beslissen.

5.4

Grief I faalt derhalve, maar grief VII treft doel.


De vordering van [geïntimeerden] VOF c.s.

5.5

[geïntimeerden] VOF c.s. hebben betaling gevorderd op basis van de onder 3.1.7 genoemde facturen.

5.6

De rechtbank heeft de post 'trap voorlakken en afschilderen' ten bedrage van € 1.675,- dan wel € 500,- niet toewijsbaar geacht (rechtsoverweging 5.6 van het bestreden vonnis).
Ook de post van € 250,- voor 'opleverpunten' heeft de rechtbank niet toewijsbaar geacht (rechtsoverweging 5.10 van het bestreden vonnis). Hiertegen heeft [appellant] geen grieven gericht, zodat het hof hiervan heeft uit te gaan.

5.7

Ten aanzien van de post 'spacken plafonds en wanden' voor het type Zilvermeeuw (kleine woning) heeft de rechtbank in rechtsoverweging 5.8 van het bestreden vonnis op de voet van artikel 7:752 BW een bedrag van € 2.000,- als redelijk loon vastgesteld (in plaats van de door [geïntimeerden] VOF c.s. gevorderde € 2.200,- en de door [appellant] gestelde € 1.800,-). Grief IV houdt in dat onder 4.8 van het bestreden vonnis ten onrechte is overwogen dat de rechtbank een redelijk loon zal moeten vaststellen voor zover geen van beide partijen bewijs van prijsafspraken voor verrichte werkzaamheden kan leveren. In de toelichting op deze grief betoogt [appellant] dat de rechtbank eerst partijen in de gelegenheid had dienen te stellen aan te geven of zij bewijs wensten te leveren en pas indien partijen daarom hadden verzocht, had dienen toe te komen aan het vaststellen van een redelijk loon.

5.8

Voor zover [appellant] met deze grief beoogt te klagen over het feit dat de rechtbank voor de post 'spacken plafonds en wanden' voor het type Zilvermeeuw (kleine woning) een bedrag van € 2.000,- als redelijk loon heeft vastgesteld (zie memorie van grieven onder 36), overweegt het hof als volgt.
De rechtbank heeft [appellant] op dit punt niet toegelaten tot bewijslevering, omdat hij onvoldoende feiten of omstandigheden heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat partijen voor de onderhavige post een bedrag van € 1.800,- zijn overeengekomen. In hoger beroep geeft [appellant] niet, althans onvoldoende gemotiveerd aan waarom de rechtbank dit ten onrechte zou hebben overwogen. Evenmin voert hij nadere feiten of omstandigheden aan die zijn stelling ondersteunen, noch doet hij op dit punt een specifiek en concreet bewijsaanbod. Ook het hof zal hem derhalve niet toelaten tot bewijslevering. Daarmee is deze door [appellant] gestelde prijsafspraak niet komen vast te staan en is het bepaalde in artikel 7:752 BW van kracht.
Voor zover [appellant] erover klaagt dat de rechtbank de hoogte van deze post ongemotiveerd op een bedrag van € 2.000,- heeft vastgesteld, overweegt het hof dat dit bedrag als gemiddelde van de door partijen gestelde bedragen als redelijk dient te worden aangemerkt.

5.9

Grief IV faalt derhalve.
De facturen met betrekking tot de woningen van [G] en [I]

5.10

Ten aanzien van de facturen met nummer 2010097 ten bedrage van € 2.977,59 en nummer 2010091 ten bedrage van € 9.805,- (ter zake van de woningen 133 en 139 van [G] respectievelijk woning 138 van [I] ) betwist [appellant] dat de gefactureerde werkzaamheden in zijn opdracht en voor zijn rekening zijn verricht. Deze facturen hebben betrekking hebben op werkzaamheden die voor rekening van derden ( [G] respectievelijk [I] ) zijn verricht, aldus [appellant] . Grief II houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] alleen ten aanzien van de woningen 133 en 139 van [G] betwist dat de werkzaamheden voor zijn rekening zijn verricht. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

5.11

[appellant] heeft in hoger beroep voor het eerst expliciet betwist dat de gefactureerde werkzaamheden ter zake van woning 138 ( [I] ) in zijn opdracht en voor zijn rekening zijn verricht.

5.12

[geïntimeerden] VOF c.s. hadden dit onderdeel van hun vordering, gelet op het verweer van [appellant] , nader dienen te onderbouwen. Aangezien zij in hoger beroep niet zijn verschenen, is deze nadere onderbouwing achterwege gebleven. Het hof is dan ook van oordeel dat [geïntimeerden] VOF c.s. hun vordering ten aanzien woning 138 onvoldoende hebben onderbouwd. Dit brengt mee dat op het door de rechtbank toegewezen bedrag ad in totaal € 38.540,09 het door de rechtbank ter zake van de onderhavige factuur correct geachte bedrag ad € 6.380,- in mindering strekt, hetgeen resulteert in een bedrag van € 32.160,09.

5.13

Grief II treft derhalve doel.

5.14

De rechtbank heeft - uitgaande van het feit dat de opdracht betrekking had op de woningen die gerealiseerd werden op het recreatieterrein te [D] - overwogen dat [appellant] dient te bewijzen dat de woningen 133 en 139 niet onder de opdracht vielen. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] onvoldoende feiten of omstandigheden heeft aangevoerd om hem tot deze bewijslevering toe te laten (zie rechtsoverweging 12.4 van het bestreden vonnis). Met grief VI komt [appellant] tegen dit oordeel op.

5.15

In de toelichting op grief VI betoogt [appellant] dat er blijkens de factuur met nummer 2010097 een bedrag van bijna € 34.000,- is verrekend met [G] . Dit betreft volgens hem waarschijnlijk de 'normale' werkzaamheden. Het bedrag van € 2.977,69 dat aan [appellant] in rekening wordt gebracht, betreft vermoedelijk meerwerk. Niet valt in te zien waarom hij dit meerwerk zou moeten betalen, aldus [appellant] . Hij biedt in dit verband expliciet aan te bewijzen dat tussen [G] en [geïntimeerde2] de afspraak bestond dat de nota's met betrekking tot de schilderwerkzaamheden voor de woningen 133 en 139 tussen [G] en [geïntimeerde2] onderling geregeld zouden worden (punt 47 van de memorie van grieven).

5.16

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Aangezien de rechtbank ten aanzien van deze factuur slechts een bedrag van in totaal € 28.410,- correct heeft geacht, op welk bedrag de door [geïntimeerde2] met [G] verrekende bedragen ad in totaal € 33.732,41 in mindering strekken (zie rechtsoverweging 12.12 tot en met 12.14), is [appellant] genoemd bedrag van € 2.977,69 aan 'meerwerk' ingevolge het bestreden vonnis niet aan [geïntimeerden] VOF c.s. verschuldigd. De rechtbank heeft integendeel geoordeeld dat [geïntimeerden] VOF c.s. ter zake van deze factuur een bedrag van € 5.322,41 aan [appellant] verschuldigd zijn.

5.17

De in grief VI vervatte klacht ontbeert dan ook een grond.
Tussentijdse conclusie ten aanzien van de vordering van [geïntimeerden] VOF c.s.

5.18

Uitgaande van de facturen van [geïntimeerden] VOF c.s. is [appellant] een bedrag van in totaal € 32.160,09 aan hen verschuldigd (zie hiervoor onder 5.12), behoudens de hierna te bespreken verweren van [appellant] .
Afspraken d.d. 8 mei 2010

5.19

Grief III klaagt erover dat de rechtbank ten onrechte de op 8 mei 2010 gemaakte afspraken, waarbij [geïntimeerden] VOF c.s. zich hebben verbonden tot het doen van crediteringen ad in totaal € 32.243,75 (zie hiervoor onder 3.1.5), buiten beschouwing heeft gelaten (zie rechtsoverweging 4.5 van het bestreden vonnis). Volgens [appellant] dienen deze afspraken te worden gekwalificeerd als een vaststellingsovereenkomst. Nadien heeft [geïntimeerde1] VOF geen noemenswaardige werkzaamheden meer voor [appellant] verricht, zodat de vaststellingsovereenkomst betrekking heeft op alle openstaande nota's van [geïntimeerde1] VOF ad in totaal € 50.455,-, aldus [appellant] . Ondanks de datering van de facturen op 3 en 5 juni 2010 hebben deze facturen betrekking op werkzaamheden die reeds ten tijde van de bespreking op 8 mei 2010 waren verricht en die in de crediteringslijst d.d. 3 mei 2010 waren verwerkt, aldus [appellant] (punt 33 van de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie). Grief V bouwt hierop voort.

5.20

[geïntimeerden] VOF c.s. hebben niet betwist dat de gestelde afspraken d.d. 8 mei 2010 zijn gemaakt. Zij hebben echter een beroep gedaan op vernietigbaarheid van deze afspraken wegens een geestelijke stoornis van [geïntimeerde2] (artikel 3:34 lid 1 BW). Subsidiair hebben zij aangevoerd dat de facturen d.d. 3 en 5 juni 2010, waarvan in de onderhavige procedure betaling wordt gevorderd, geen onderwerp waren van deze afspraken.

5.21

Het hof constateert dat de afspraken d.d. 8 mei 2010 weliswaar voor een groot deel betrekking hebben op de in de facturen d.d. 3 en 5 juni 2010 genoemde werkzaamheden, maar dat in ieder geval de afrekening van de woning van [appellant] (woning 122) geen onderdeel uitmaakt van de bedoelde afspraken (zie de memorie van grieven onder 39). [geïntimeerden] VOF c.s. hebben ter zake van deze woning aan [appellant] een bedrag van € 17.585,- in rekening gebracht bij factuur met nummer 2010094 d.d. 5 juni 2010. Deze factuur behoort tot de facturen waarvan in deze procedure betaling wordt gevorderd. De rechtbank heeft ter zake van deze factuur een bedrag van € 13.955,- correct geacht, in welk bedrag [appellant] zich kan vinden. Uitgaande van gebondenheid van [geïntimeerden] VOF c.s. aan de afspraken d.d. 8 mei 2010 zou [appellant] in totaal een bedrag van € 18.211,25 + € 13.955,- = € 32.166,25 aan [geïntimeerden] VOF c.s. verschuldigd zijn.

5.22

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Blijkens hetgeen hiervoor is overwogen, is [appellant] op basis van de facturen een bedrag van € 32.160,09 aan [geïntimeerden] VOF c.s. verschuldigd. Dit bedrag is lager dan het bedrag dar [appellant] verschuldigd zou zijn, uitgaande van gebondenheid van [geïntimeerden] VOF c.s. aan de afspraken d.d. 8 mei 2010. Dit brengt mee dat [appellant] geen belang heeft bij het bespreken van de grieven III en V, zodat het hof een verdere behandeling daarvan achterwege kan laten.
De (tegen)vordering van [appellant]

5.23

Het slagen van grief VII leidt ertoe dat het hof thans het beroep van [appellant] op verrekening met zijn beweerdelijke tegenvordering zal behandelen.
berekent deze tegenvordering als volgt:

- factuur 2009005 d.d. 2 februari 2009 ad € 105.265,04, waarop [geïntimeerde2] een bedrag van € 5.000,- onbetaald heeft gelaten;
- factuur 2010016 d.d. 29 april 2010 ad € 46.637,50, die [geïntimeerde2] in zijn geheel onbetaald heeft gelaten;
- hierop strekt in mindering een overeengekomen huurvergoeding ad € 7.232,-, waarbij rekening is gehouden met de verrekening van een deurkozijn met deur en hang- en sluitwerk ten behoeve van een pomphok groot € 267,50 (zie productie 11 bij de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie).
Het hof constateert dat [appellant] van de overeengekomen huurvergoeding ad € 8.000,- de facto een bedrag van € 768,- aftrekt.
[appellant] pretendeert derhalve een tegenvordering op [geïntimeerden] VOF c.s. van € 5.000,- plus € 46.637,50 = € 51.637,50 minus € 7.232,- = € 44.405,50.

5.24

[geïntimeerden] VOF c.s. voeren ten aanzien van het deels onbetaald laten van de onder 5.23 genoemde facturen het volgende aan.
1) In het overzicht dat als productie 6 bij de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging eis alsmede conclusie van antwoord in reconventie is gevoegd, is een rekenfout gemaakt. De drie posten die afgetrokken dienen te worden van het casco-bedrag, zijn hierbij opgeteld in plaats van afgetrokken. Het totaalbedrag dient derhalve € 170.661,04 te zijn en niet € 197.751,-, aldus [geïntimeerden] VOF c.s.
2) Op de factuur van 29 april 2010 zijn posten opgenomen voor te hoge bedragen. Ook zijn bepaalde posten meegenomen die volgens het vorenbedoelde overzicht al in de prijs zijn meegenomen of reeds eerder zijn gefactureerd op de factuur d.d. 2 april 2009 met nummer 2009006 (productie 7 bij de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging eis alsmede conclusie van antwoord in reconventie).
3) [geïntimeerde2] heeft een groot aantal posten zelf betaald, welke volgens het overzicht in de prijs zijn meegenomen.

5.25

[geïntimeerden] VOF c.s. berekenen de vordering van [appellant] op hen als volgt:
- afgesproken prijs € 105.265,04;
- rockpanel t.b.v. dakpanelen € 3.950,-;
- verlengd bordes € 2.700,-;
- verlengde kap € 3.825,-;
- rockpanel t.b.v. verlengde kap € 855,-;
- tussenwanden € 1.000,-;
- manuren € 8.885,-
TOTAAL € 126.450,04
Betaald: € 8.475,-;
€ 100.265,04
Totaal betaald: € 108.740,04
Aldus resteert volgens [geïntimeerden] VOF c.s. een vordering van [appellant] van maximaal € 126.450,04 minus € 108.740,04 = € 17.710,-. Hierop strekt een bedrag van € 8.000,- ter zake van een - in verband met de te late oplevering van de woning - overeengekomen huurvergoeding in mindering. [geïntimeerden] VOF c.s. betwisten het bedrag van € 768,- dat [appellant] hierop in mindering brengt voor hang- en sluitwerk ten behoeve van het pomphok. De schuld van [geïntimeerden] VOF c.s. is dus € 17.710,- minus € 8.000,- = € 9.710,-. Hierop strekken de kosten ter zake van herstel van een groot aantal opleveringsgebreken (productie 13 bij de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging eis alsmede conclusie van antwoord in reconventie) nog in mindering, aldus [geïntimeerden] VOF c.s. Wegens deze gebreken beroepen zij zich op een bevoegdheid tot opschorting van de nakoming van hun resterende betalingsverplichting.

5.26

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De stelling van [geïntimeerden] VOF c.s. dat in het overzicht dat als productie 6 bij de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging eis alsmede conclusie van antwoord in reconventie is gevoegd, een rekenfout is gemaakt, wordt ondersteund door de factuur d.d. 2 februari 2009 met nummer 2009005. Het daarin als "1e betalingstermijn volgens overeenkomst" gefactureerde bedrag ad € 105.265,04 is de resultante van de in bedoeld overzicht genoemde cascoprijs voor het type Goudplevier ad € 132.355,- minus de posten € 21.410,46 "te verrekenen met HT", € 3.629,50 "glaswerk" en € 2.050,- "pomp". Volgens [appellant] betrof dit overzicht slechts een indicatie waar [geïntimeerde2] rekening mee kon houden voor de berekening van zijn totale kosten bij cascobouw, zodat de posten wel degelijk bij elkaar opgeteld moesten worden (punt 52 van de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie). Gelet op het feit dat de desbetreffende posten in de factuur d.d. 2 februari 2009 niet zijn gefactureerd, kan het hof hier verder aan voorbijgaan.

5.27

De stelling van [geïntimeerden] VOF c.s. dat te hoog is gefactureerd, heeft betrekking op de volgende posten in de factuur d.d. 29 april 2010:
- "Kwartslag of halve slag trappen", "trappen uitgevoerd in Koto" en "hekwerken uitgevoerd in Koto";
- "Verlengd bordes";
- "Verlengde kap t.b.v. bordes";
- "Tussenwanden verdieping aanpassen".
VOF c.s. baseren zich hierbij wederom op het overzicht dat als productie 6 bij de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging eis alsmede conclusie van antwoord in reconventie is overgelegd.

5.28

Zoals hiervoor overwogen, betrof dit overzicht volgens [appellant] slechts een indicatie waar [geïntimeerde2] rekening mee kon houden voor de berekening van zijn totale kosten bij cascobouw. Bij de factuur d.d. 29 april 2010 met nummer 2010016 worden "Extra posten volgens lijst Hogenboom" gefactureerd. Met de "lijst Hogenboom" wordt gedoeld op de prijslijst 2009 voor het type Goudplevier ten behoeve van Hogenboom vakantieparken (productie 16 bij de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie). Volgens [appellant] betreffen de door [geïntimeerden] VOF c.s. betwiste posten (zie de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging van eis alsmede conclusie van antwoord in reconventie onder 47) het leveren van de extra materialen. Voor de door [appellant] uitgevoerde montage gelden de prijzen zoals vermeld in de "lijst Hogenboom". Met [geïntimeerde2] was de oplevering van een casco bouw van een standaardwoning overeengekomen, aldus [appellant] (zie de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie onder 53).

5.29

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Aangezien [geïntimeerden] VOF c.s. de grondslag van de (tegen)vordering hebben betwist, dient [appellant] ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv te bewijzen dat hij krachtens de met [geïntimeerde2] gesloten overeenkomst de prijzen van de "lijst Hogenboom" in rekening mocht brengen (in plaats van de prijzen zoals genoemd in het handgeschreven stuk waarop [geïntimeerden] VOF c.s. zich hebben beroepen). Nu [appellant] op dit punt geen dan wel een onvoldoende concreet en specifiek bewijsaanbod heeft gedaan, zal het hof hem niet toelaten tot deze bewijslevering. Het hof zal derhalve de betwisting door [geïntimeerden] VOF c.s. honoreren. Dit brengt mee dat op de (tegen)vordering van [appellant] de volgende bedragen in mindering strekken:
- €2.000,- minus € 4.030,- minus € 990,- minus € 450,- = € 3.470,- (trappen en hekwerk);
- € 2.700,- minus € 3.500,- = € 800,- (verlengd bordes);
- € 3.825,- minus € 6.850,- = € 3.025,- (verlengde kap t.b.v. bordes)
- € 1.000,- minus € 4.425,- = € 3.425,- (tussenwanden verdieping).
Dit levert een totaalbedrag op van € 10.720,-.

5.30

Het hof verwerpt het verweer van [geïntimeerden] VOF c.s. dat een aantal posten al gefactureerd zijn via de factuur met nummer 2009006 d.d. 2 april 2009 (productie 7 bij de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging eis alsmede conclusie van antwoord in reconventie). Het totaalbedrag van deze factuur ad € 8.475,- is immers gecrediteerd bij de factuur d.d. 29 april 2010.

5.31

[geïntimeerden] VOF c.s. hebben voorts aangevoerd dat [appellant] een te hoog uurtarief heeft gehanteerd, omdat partijen een bedrag van € 17,50 zouden zijn overeengekomen. Daartoe hebben zij zich beroepen op een handgeschreven stuk dat als productie 8 bij de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging eis alsmede conclusie van antwoord in reconventie is overgelegd.
betwist dat partijen een uurtarief van € 17,50 zouden zijn overeengekomen.

5.32

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Naar het oordeel van het hof dienen [geïntimeerden] VOF c.s. de door hen gestelde prijsafspraak te bewijzen. Het stuk waarop zij zich beroepen, is ontoereikend om dit bewijs geleverd te achten. Nu [geïntimeerden] VOF c.s. in hoger beroep niet zijn verschenen, wordt aan deze bewijslevering niet toegekomen. Het hof zal derhalve uitgaan van het door [appellant] gehanteerde uurtarief van € 50,-, nu deze prijs het hof niet onredelijk voorkomt.

5.33

[geïntimeerden] VOF c.s. hebben betoogd dat de volgende posten dienen te vervallen, aangezien zij voor deze werkzaamheden rechtstreeks aan de desbetreffende onderaannemers hebben betaald:
- € 6.850,- voor het waterterras;
- € 9.500,- voor de keuken;
- € 12.376,- voor het tegelwerk;
- € 17.850,- voor het installatiewerk;
- € 3.000,- voor de goten.
[appellant] bestrijdt niet dat [geïntimeerden] VOF c.s. deze bedragen rechtstreeks aan de onderaannemers hebben betaald. Wél betwist hij dat [geïntimeerden] VOF c.s. voor deze bedragen door hem gecrediteerd moeten worden. Hij heeft hen nimmer voor deze werkzaamheden belast, aldus [appellant] .

5.34

Het hof constateert dat de desbetreffende posten niet voorkomen op de factuur van 29 april 2010. Gesteld noch gebleken is dat deze posten in andere facturen door [appellant] in rekening zijn gebracht. Het hof honoreert dan ook het standpunt van [appellant] dat [geïntimeerden] VOF c.s. niet voor deze bedragen gecrediteerd hoeven te worden.

5.35

Uit het voorgaande volgt dat ter zake van de tegenvordering van [appellant] in beginsel een bedrag van € 44.405,50 minus € 10.720,- = € 33.685,50 correct is.

5.36

In het licht van de betwisting door [geïntimeerden] VOF c.s. heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat hij op de overeengekomen huurvergoeding ad € 8.000,- een bedrag van € 768,- in mindering mag brengen voor een deurkozijn met deur en hang- en sluitwerk ten behoeve van een pomphok (zie hiervoor onder 5.31). Dit bedrag dient derhalve te worden afgetrokken van voormeld bedrag van € 33.685,50, hetgeen resulteert in een bedrag van € 32.917,50.

5.37

Gelet op hetgeen hiervoor naar aanleiding van grief VII is overwogen, mag [appellant] genoemd bedrag van € 32.917,50 in beginsel verrekenen met het hiervoor onder 5.18 genoemde, door hem aan [geïntimeerden] VOF c.s. verschuldigde bedrag van € 32.160,09, zodat [appellant] per saldo niets aan [geïntimeerden] VOF c.s. hoeft te betalen. Over het per saldo door [geïntimeerden] VOF c.s. aan [appellant] te betalen bedrag zal te zijner tijd in de reconventie dienen te worden beslist.

Slotsom

5.38

De grieven II en VII treffen doel, zodat het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen, moet worden vernietigd. Het hof zal opnieuw recht doen en de vordering van [geïntimeerden] VOF c.s. afwijzen Voor zover het vonnis in reconventie is gewezen, zal het worden bekrachtigd. [geïntimeerden] VOF c.s. zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg in conventie als in hoger beroep.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg in conventie aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht

588,-

totaal verschotten

588,-

en voor salaris advocaat/gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief:

2 punten x € 579,- (tarief III)

1.158,-

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten

92,82

- griffierecht

683,-

totaal verschotten

775,82

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

1 punt x € 1.158,- (tarief III)

1.158,-

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden van 16 januari 2013 voor zover in conventie gewezen, en doet opnieuw recht;

wijst de vordering van [geïntimeerden] VOF c.s. af;
bekrachtigt genoemd vonnis voor zover dit in reconventie is gewezen;

veroordeelt [geïntimeerden] VOF c.s. in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg in conventie vastgesteld op € 1.158,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 588,- voor verschotten, en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 1.158,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 775,82 voor verschotten;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. M.E.L. Fikkers en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

1 maart 2016.